HR-aspecten bij M&A transacties

Mr. Nele Van Kerrebroeck (Linklaters)

Webinar op donderdag 16 mei 2024


Ondernemingsstrafrecht:
wat wijzigt er door boek I en boek II van het Strafwetboek?

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op dinsdag 11 juni 2024


Aandeelhoudersovereenkomsten
in het licht van de nieuwe wetgeving

Mr. Michaël Heene (DLA Piper)

Webinar op vrijdag 31 mei 2024

Directiecomités behoren weldra tot het verleden (Schoups)

Auteurs: Gwen Bevers, Joost van Riel, Sacha Klajnfeld en Emma Van Hoorick (Schoups)

Met de invoering van het WVV heeft de wetgever komaf gemaakt met de directiecomités in naamloze vennootschappen. Sinds het WVV kunnen naamloze vennootschappen geen nieuwe directiecomités meer oprichten. De directiecomités die reeds bestonden bij de invoering van het WVV, konden echter blijven functioneren onder gelding van de bepalingen uit het W.Venn. tot de betrokken vennootschappen hun statuten hebben aangepast aan het WVV. Daarvoor hebben de vennootschappen tot 1 januari 2024 de tijd. De verplichte statutenwijziging tegen 2024 impliceert dus het einde van de directiecomités in de Belgische vennootschappen – behalve dan voor de financiële sector.[1]

Bij de invoering van het WVV leek het voor de wetgever aangewezen om de toen bestaande directiecomités niet meteen af te schaffen. De invoeringsbepalingen lieten de vennootschappen waarin een directiecomité was opgericht, toe om deze bestaande directiecomité te behouden zolang de statuten niet aan het WVV waren aangepast. Uit de samenlezing van de bepaling over de directiecomités en de verplichting om de statuten tegen 2024 in overeenstemming te brengen met het WVV (zie hierover onze afzonderlijke nieuwsbrief “Verplichte statutenwijziging tegen 1 januari 2024: vergeet de stok denk aan de wortel”), volgt dat de directiecomités tegen uiterlijk 1 januari 2024 moeten verdwijnen.

Daarmee komt een einde aan een volgens sommigen halfslachtig governance model, dat nog maar in 2002 in België haar intrede deed. Het directiecomité was toen een soort Belgisch compromis tussen de duale bestuursmodellen van grote ondernemingen in Nederland (met een “raad van toezicht” en een “raad van bestuur” in de NV) en Duitsland (met een “Aufsichtsrat” en een “Vorstand” in de AG) en de directieteams uit de praktijk. Volgens dit compromis konden de statuten van een NV de rol van het directiecomité grotendeels op maat schrijven.

Naamloze vennootschappen beschikken sinds het WVV (naast het model van de enkele bestuurder) enkel nog over de eenduidige keuze tussen een monistisch of duaal bestuur (met telkens de mogelijkheid om enkel het dagelijks bestuur te delegeren). Kiest de vennootschap voor een duaal bestuur, heeft ze een raad van toezicht nodig in plaats van haar raad van bestuur en een directieraad nodig in plaats van een directiecomité.

De opdeling van het bestuursorgaan in een duale bestuursstructuur, vertoont dus wel gelijkenissen met de wisselwerking tussen de raad van bestuur en een directiecomité. Ook in het oude vennootschapsrecht was de raad van bestuur bijvoorbeeld ook bevoegd om de leden van het directiecomité te benoemen en te ontslaan, en stond het directiecomité onder toezicht van de raad van bestuur.

Toch kent het duaal bestuursmodel twee belangrijke verschilpunten:

  • Het voor de praktijk meest ingrijpende verschil schuilt in de samenstelling van de twee bestuurslagen in een duaal bestuur: onder het WVV geldt er een verbod om tegelijkertijd te zetelen in de raad van toezicht en de directieraad. Deze zuivere scheiding impliceert dat de bestaande bestuursstructuren met een directiecomité waarin leden van het operationeel management ook zetelen in de raad van bestuur niet langer kunnen worden georganiseerd. Leden van de raad van bestuur kunnen uiteraard wel steeds lid zijn van het orgaan van dagelijks bestuur. Dit maakt de duale structuur ook “zwaar”: zowel de raad van toezicht als de directieraad moet uit minstens drie bestuurders bestaan, wat leidt tot een minimum van zes bestuurders.
  • Ook de bevoegdheidsverdeling tussen de bestuursorganen is fundamenteel anders geregeld. Onder het W.Venn. heerste er onzekerheid of de raad van bestuur nog concurrerend bevoegd (en ook aansprakelijk) was met het directiecomité voor de overgedragen bevoegdheden. Het WVV maakte komaf met die discussie en voorziet in een bevoegdheidsopsplitsing tussen de raad van toezicht en de directieraad. Onder het WVV beschikken de raad van toezicht en de directieraad over exclusieve bevoegdheden, zonder ruimte voor overlapping (en waarbij de residuaire bevoegdheid bij de directieraad huist).

Deze verschillen maken dat het nieuwe duale bestuur met een directieraad vaak niet zal werken in de naamloze vennootschappen die vandaag een directiecomité hebben. Het definitieve einde van de directiecomités, zal voor veel vennootschappen dus niet één op één leiden tot een keuze voor een duaal bestuur. In de praktijk stellen we namelijk vast dat het duaal bestuursmodel onder het WVV nog minder populair is dan de directiecomités onder het W.Venn. Alleen door enkele zeer grote vennootschappen wordt het duaal bestuursmodel als een geschikt model ervaren.

Voor sommige vennootschappen betekent dit dat het directiecomité beter wordt vervangen door een orgaan van dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur werd in het verleden vaak te licht bevonden voor managers en managementteams met een grote autonomie, maar is – eveneens door het WVV – sterk opgewaardeerd, door een uitbreiding van de wettelijke bevoegdheid van dagelijks bestuurders.

Een minder juridische (en minder juridisch sluitende) benadering is dat de raad van bestuur toch beslist om een informeel directieteam op te richten (what’s in a name?). Deze praktijk kan soms echter moeilijke vragen doen rijzen naar de precieze verdeling van de bevoegdheden, de externe vertegenwoordigingsmogelijkheden en de daarmee gepaard gaande aansprakelijkheid. Vandaar dat de vennootschappen waarin er toch een opdeling op bestuursniveau aangewezen is, eerder voor het wettelijk orgaan van dagelijks bestuur kiezen, dat sinds de invoering van het WVV een aanzienlijke verruiming van zijn bevoegdheden geniet.

[1] De afschaffing van de directiecomités geldt voor alle duidelijkheid niet voor de financiële sector, waar bepaalde directiecomités op grond van bijzondere wetgeving verplicht blijven (zie o.m. art. 20 en 22 van de Invoeringswet van het WVV j. art. 24 Bankwet en respectievelijk art. 45 van de Wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen).

Bron: Schoups

» Bekijk alle artikels: Vennootschappen & Verenigingen