Handelsagentuur-overeenkomsten : een overzicht na de wet van 16 februari 2022

Webinar on demand

Consumentenrecht anno 2022

Webinar on demand

De factuur – De impact van het nieuwe bewijsrecht

Webinar on demand

Voordeelpakket
‘Contracten’

7 Webinars on demand

Handelstussenpersonen en distributieovereenkomsten

Webinar on demand

Contracten anno 2021

Webinar on demand

Kredietopening, lening en wederbeleggings-vergoeding. Cassatie stelt verder scherp (Van Steenbrugge Advocaten)

Auteur: Cedric Haspeslagh (Van Steenbrugge Advocaten)

De kwalificatie van een investeringskrediet als een kredietopening of een lening is van belang voor de omvang van de wederbeleggingsvergoeding. Een arrest van 03.02.2022 van het Hof van Cassatie biedt bijkomende duiding.

In een eerder nieuwsbericht werd toegelicht dat er discussie bestaat over de kwalificatie van een investeringskrediet. Volgens sommigen gaat het om een kredietopening, volgens anderen om een lening. Dat onderscheid is van belang voor het bepalen van de omvang van de wederbeleggingsvergoeding die verschuldigd is bij een vervroegde terugbetaling van een krediet. Wanneer sprake is van een lening, dan kan die vergoeding maximaal 6 maanden interest bedragen (artikel 1907bis van het oud Burgerlijk Wetboek). Bij kredietopeningen is er meer vrijheid, afhankelijk van de datum van contractsluiting.

In 2020 en 2021 werden vier cassatiearresten uitgesproken over de kwalificatie van een investeringskrediet. Uit deze arresten bleek in de praktijk soms afgeleid te worden dat een investeringskrediet enkel zou kwalificeren als een kredietopening wanneer het kredietbedrag in schijven werd of kon worden opgenomen. Wanneer het kredietbedrag daarentegen onmiddellijk en eenmalig werd opgenomen, bijvoorbeeld voor de aankoop van een onroerend goed, dan zou het steeds gaan om een lening.

In een cassatiearrest van 03.02.2022 werd bevestigd dat de situatie genuanceerder is. Een belangrijk criterium voor een kwalificatie als kredietopening is de vrijheid tot gehele of gedeeltelijke opname van het kredietbedrag. Deze vrijheid moet niet absoluut zijn, maar mag contractueel begrensd worden.

Uit het arrest blijkt dat een kredietovereenkomst (i) die werd gesloten voor de financiering van de aankoop van een onroerend goed dat in hypotheek wordt gegeven en (ii) waarvan het kredietbedrag onmiddellijk en eenmalig werd opgenomen, niet noodzakelijk afbreuk doet aan de opnamevrijheid van de kredietnemer en de kwalificatie als een kredietopening niet automatisch uitsluit. Indien uit de concrete omstandigheden van de zaak blijkt dat er een bepaalde vrijheid is om het kredietbedrag al dan niet (geheel of gedeeltelijk, ineens of in schijven) op te nemen, of indien de kredietnemer niet verplicht is om het kredietbedrag op te nemen, dan kan het gaan om een kredietopening.

Bron: Van Steenbrugge Advocaten