Herstructurering, collectief ontslag en sluiting

Mr. Hanne Cattoir (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 17 oktober 2024


Sociaal strafwetboek:
een grondige hervorming werd goedgekeurd

Mr. Kenny Decruyenaere en mr. Veerle Van Keirsbilck (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 5 december 2024


Het nieuwe Boek 6:
de impact op de werkvloer

Mr. Chris Persyn (Cautius)

Webinar op donderdag 4 juli 2024

Discriminatie – Arbeidshof Brussel 19 december 2023 (Mploy)

Auteurs: Ludo Vermeulen en Dirk Heylen (Mploy)

Dat werkgevers beter rekening houden met het discriminatierecht blijkt voor zover dat nog nodig was uit een arrest van het arbeidshof van Brussel van 19 december 2023.

Feiten

Mevrouw M.H. is in 1992 als verkoopassistente in dienst getreden van de bv S.M.C. (“bv”). In het najaar 2010 was zij drie maanden arbeidsongeschikt. Van 12 januari 2016 tot en met eind juli 2017 was zij bijna ononderbroken arbeidsongeschikt. Ze probeerde in die periode weer aan het werk te gaan, maar dat lukte niet. De werkgever reageerde wat ontstemd op de herhaalde afwezigheden.

Op 28 juli 2017 werd ze ontslagen wegens ‘organisatorische moeilijkheden’ met uitbetaling van de volledige opzegvergoeding van 22 maanden en 13 weken.

Ze vroeg naar de concrete reden van het ontslag. De bv antwoordde dat ze door de quasi ononderbroken arbeidsongeschiktheidsperiodes serieuze organisatorische tegenslagen had gehad en dat ze zich telkens had moeten aanpassen, soms op het laatste moment. De bv benadrukte dat de herhaalde afwezigheden van wisselende duur de goede werking van de onderneming ernstig bemoeilijkten. Bovendien somde de bv de getroffen maatregelen ter compensatie van haar afwezigheden op, waaronder de indienstneming van nieuwe collega’s en de overdracht van de klantenportefeuille.

M.H. betwistte haar ontslag en vorderde onder andere een vergoeding wegens discriminatoir ontslag op grond van haar huidige en toekomstige gezondheidstoestand.

Beslissing

Het hof oordeelt dat er een schijn van discriminatie was. Niet alleen werd M.H. ontslagen gedurende haar arbeidsongeschiktheid en verwees de bv naar de organisatorische moeilijkheden op haar C4, maar ook de schriftelijke motivatie van haar ontslag gaf blijk van een oorzakelijk verband tussen het ontslag en het beschermde criterium, de arbeidsongeschiktheid. De werkgever herhaalde inderdaad meermaals dat de afwezigheden van M.H. een negatieve impact hadden gehad en de oorzaak waren van organisatorische problemen binnen de bv.

Het hof stelt vast dat de werkgever zich inderdaad heeft moeten reorganiseren om de afwezigheid van M.H. op te vangen en beschrijft de maatregelen die het bedrijf daartoe genomen heeft.

Het arbeidshof overweegt dat de noodzaak van een efficiënte werkorganisatie een legitiem doel kan zijn in de zin van de antidiscriminatiewetgeving voor zover een ontslag hiervoor passend en noodzakelijk is. Gelet op de maatregelen getroffen door de bv om haar afwezigheid op te vangen, bleek haar ontslag niet noodzakelijk of passend te zijn, noch verband te houden met een legitiem doel.

Bijgevolg kon M.H. terecht het vermoeden van discriminatie inroepen. De bv weerlegde volgens het arbeidshof het vermoeden niet zodat het ontslag als discriminatoir beoordeeld dient te worden. Het hof veroordeelt de werkgever tot de betaling, bovenop de opzegvergoeding van 22 maanden en 13 weken, van een schadevergoeding gelijk aan 6 maanden loon.

Bedenkingen

Dit is een catch-22 voor de werkgever: de werkgever kan niet anders dan zich herorganiseren om de afwezigheid van een werknemer op te vangen. Dat is evident. Korte afwezigheden kunnen opgevangen worden door werk uit te stellen en misschien klanten te laten wachten of werk te herverdelen. Andere werknemers moeten dan meer werken. Bij een afwezigheid van een langere duur is het evident dat die tijdelijke oplossingen moeten losgelaten worden en dat de werkgever een meer definitieve oplossing zoekt, logischerwijze in de vorm van een bijkomende aanwerving. Dan staat hij voor het probleem dat op de huidige krappe arbeidsmarkt geen kandidaten zullen te vinden zijn die vrede nemen met een vervangingscontract dat elke dag kan aflopen. In vele gevallen zal een aanwerving met een contract van onbepaalde tijd zich opdringen. Maar de werkgever die zich op die wijze reorganiseert, heeft dan – volgens dit arrest – meteen geen noodzaak en legitiem doel meer om te ontslaan… Moet de “invaller” dan plaats ruimen bij de terugkeer van de langdurig ongeschikte werknemer? Eeuwige jobzekerheid voor die laatste en eeuwige jobonzekerheid voor de vervanger?

Bron: Mploy

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid