Bouwteam(overeenkomsten):
een praktijkgerichte analyse

Mr. Michael Thielens (MT Law)

Webinar op vrijdag 15 maart 2024


Het nieuwe Boek 6 en de impact
voor de bouw- en vastgoedsector:
10 aandachtspunten

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 23 april 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Vereffening-verdeling van nalatenschappen:
16 probleemstellingen

Mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)

Webinar op vrijdag 26 april 2024


Buitencontractuele aansprakelijkheid:
het nieuwe boek 6 is een feit

Prof. dr. Ignace Claeys en prof. dr. Thijs Tanghe (Eubelius)

Webinar op dinsdag 5 maart 2024


Consumentenbescherming bij de verwerving
van financiële diensten: de laatste ontwikkelingen (optioneel met handboek)

Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Webinar op donderdag 30 mei 2024

Wetsvoorstel Boek 6 Burgerlijk Wetboek en de afschaffing van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent: een stand van zaken (Schoups)

Auteurs: Sam Ledent, Jens Lippens en Michiel Reynders (Schoups)

Met onze nieuwsbrief van 9 maart 2023 informeerden we u reeds over enkele belangrijke nieuwigheden die het nieuwe Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek met zich zou meebrengen, m.n. de afschaffing van het samenloopverbod tussen de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid en de afschaffing van de daaruit voortvloeiende quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. In het bijzonder voor de bouwpraktijk, in de verhouding tussen bouwheer, aannemer en onderaannemer, zal dit belangrijke gevolgen hebben. Met deze nieuwsbrief bezorgen we u hierover een update.

1. Onder het huidige recht geniet de onderaannemer een comfortabele positie. Hij beschikt zelf over een rechtstreekse vordering lastens de bouwheer, wanneer hij niet betaald wordt door de hoofdaannemer (art. 1798 Oud BW, art. 5.110 BW). Anderzijds beschermt de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent uit het Stuwadoorsarrest[1], hem tegen (buitencontractuele) vorderingen van de bouwheer tegen hem, die slechts onder zeer strikte voorwaarden kunnen worden ingesteld.[2] De bouwheer beschikt zo veelal enkel over een vordering tegen de hoofdaannemer. Bij insolvabiliteit van die laatste, blijft de bouwheer met lege handen achter. Er is zo sprake van “eenrichtingsverkeer” tussen bouwheer en onderaannemer.

2. Het initiële Wetsvoorstel inzake Boek 6 BW van 8 maart 2023 voorzag op dat vlak een heuse omwenteling. Met het in dat Wetsvoorstel voorziene art. 6.4, § 2 BW koos de wetgever voor “tweerichtingsverkeer” door de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent af te schaffen. De bouwheer zou zo een buitencontractuele rechtstreekse vordering tegen de onderaannemer verkrijgen, die zelfs kan worden ingesteld na het faillissement van de hoofdaannemer, met dien verstande dat die laatste zich nog wel zou kunnen beroepen op (i) de excepties en verweermiddelen die de hoofdaannemer kan of had kunnen inroepen tegen de bouwheer en (ii) deze in de relatie tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer.

3. Op 22 mei 2023 volgde het advies van de Raad van State over dit Wetsvoorstel.[3] De Raad van State sloot zich daarin aan bij de weg die de wetgever wil inslaan. Wel wenste de Raad een verduidelijking, o.m. over de grondslag waarop de bouwheer zich kan baseren om zich te richten tegen de onderaannemer en welke bewijslast de bouwheer draagt.

4. In november 2023 volgden verschillende amendementen op het Wetsvoorstel inzake Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Inzake de afschaffing van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent is vooral het amendement van 14 november 2023[4]van belang.

5. Dit amendement werd intussen gestemd en verwerkt in een nieuw Wetsvoorstel van 6 december 2023[5], dat rekening houdt met het advies van de Raad van State.

De doelstelling van het invoeren van tweerichtingsverkeer blijft behouden, maar de juridische invulling verandert in aanzienlijke mate:

  • De kernbepaling wordt krachtens het nieuwe Wetsvoorstel art. 5.110 BW. Daaraan wordt een tweede paragraaf toegevoegd die een contractuele rechtstreekse vordering voorziet voor de bouwheer op de onderaannemer:

    “§ 2. Een schuldeiser heeft het recht om in eigen naam en voor eigen rekening een rechtstreekse vordering in te stellen met toepassing van paragraaf 1 tegen een hulppersoon van zijn medecontractant wegens de niet-nakoming van diens contractuele verbintenis jegens die medecontractant.”

    Het amendement voorziet aldus in een tegenhanger van de sinds mensenheugenis gekende rechtstreekse vordering van de onderaannemer op bouwheer, zoals beschreven in art. 5.110, §1 BW.

    In beide hypothesen kan de aangesproken partij alle excepties en verweermiddelen inroepen uit de twee betrokken contractuele verhoudingen. Art. 5.110, §1 BW voorziet dat uitdrukkelijk, wat het huidige art. 5.89, §2 BW overbodig maakt. Het nieuwe Wetsvoorstel voorziet de weglating van dat artikel.

  • Het in het initiële Wetsvoorstel voorziene art. 6.4, §2 BW (zie hoger), wordt in het nieuwe Wetsvoorstel zowel vormelijk als inhoudelijk gewijzigd. De nummering wijzigt: het bewuste artikel wordt art. 6.3, §2 BW i.p.v. art. 6.4, §2 BW. Inhoudelijk ondergaat het artikel een downgrade. Het moet zich schikken in een veel kleinere rol dan initieel voorzien, nl. die van uitzonderingsregime. Het artikel bepaalt volgens het nieuwe Wetsvoorstel dat de hulppersoon niet op buitencontractuele basis kan worden aangesproken, tenzij wanneer de schade het gevolg is van “een aantasting van de fysieke of psychische integriteit of van een fout begaan met het opzet schade te veroorzaken”. Doet één van deze drie uitzonderingsgevallen zich voor, dan kan de schadelijdende hoofdschuldeiser krachtens art. 6.3, §2 BW tóch een buitencontractuele vordering worden ingesteld tegen de hulppersoon die zich in dat geval niet zal kunnen beroepen op de excepties en verweermiddelen voorzien in art. 5.110 BW.

6. De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent blijft de gemoederen beroeren. Na een eerste lezing zijn de voornoemde bepalingen wel daadwerkelijk gestemd. Thans volgt een tweede lezing. Uiteraard volgen we dit stipt verder op.


[1] Cass. 7 december 1973, Arr.Cass. 1974, 395.

[2] Cass. 29 september 2006, NJW 2006, 946: “De contractant kan slechts quasi-delictueel aansprakelijk worden gesteld indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht die op hem rust en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt

[3] Adv.RvS 23 mei 2023, nr. 73.282/2, Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 3213/002. (https://www.dekamer.be/flwb/pdf/55/3213/55K3213002.pdf)

[4] Amendement (K. GEENS, K. AOUASTI, P. PIVIN, C. HUGON, K. GABRIËLS, B. SEGERS en  S. VAN HECKE) op het Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2023-24, nr. 3213/004 (https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/55/3213/55K3213004.pdf).

[5] Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek van 6 december 2023, Parl.St. Kamer 2023-24, nr. 3213/008 (https://www.lachambre.be/FLWB/PDF/55/3213/55K3213008.pdf).

Bron: Schoups