Verzekeringspolissen:
clausules die aanleiding kunnen geven tot discussies
Mr. Sandra Lodewijckx (Lydian)
Webinar op vrijdag 25 september 2026
Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW
Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)
Webinar op vrijdag 5 juni 2026
Zekerheden anno 2026:
een update aan de hand van wetgeving en rechtspraak
Mr. Ivan Peeters (NautaDutilh)
Mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)
Webinar op donderdag 19 november 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker ons jaarabonnement
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Verjaringstermijn van de door de verzekeraar ingestelde vordering tegen de aansprakelijke derden. Cass. 11 februari 2026 (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)
De feiten
Op 29 juni 2010 veroorzaakte een gaslek de ontploffing van een woonhuis.
Tussen 12 augustus 2010 en 3 april 2012 betaalde de verzekeraar “brand en aanverwante gevaren” van dit goed, een totaalbedrag van 34.906,71 euro aan vier benadeelden.
Bij vonnis van de correctionele rechtbank van Luik, afdeling Luik, van 3 september 2019 werden vier beklaagden strafrechtelijk verantwoordelijk verklaard voor de ontploffing. In burgerlijke zaak werden zij hoofdelijk veroordeeld tot de betaling van één euro bij wijze van voorschot, waarbij de rechter zijn beslissing over het overige van de vordering had voorbehouden. Dit vonnis werd bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Luik van 10 december 2020.
Op 19 februari 2024 verzocht de verzekeraar om de zaak opnieuw voor het hof van beroep te brengen, overeenkomstig artikel 4 van het Voorafgaand Titel van het Wetboek van Strafvordering. Zij beriep zich op de subrogatie in de rechten van de vergoede benadeelden en vorderde de hoofdelijke veroordeling van de beklaagden tot het bedrag dat aan de voornoemde slachtoffers was uitgekeerd.
Volgens de beklaagden, aangezien de verzekeraar zich in 2013 burgerlijke partij had gesteld enkel met betrekking tot de vergoeding van twee andere slachtoffers, en haar burgerlijke partijstelling met betrekking tot de betalingen die in 2011 en 2012 werden gedaan – in haar hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van de begunstigden – pas in 2024 werd ingediend, was het hof van beroep verplicht de verjaring van de door de verzekeraar ingestelde burgerlijke vordering vast te stellen, overeenkomstig artikel 88, §2.
De visie van het Hof van Cassatie
Overeenkomstig artikel 95 van de wet van 4 april 2014 betreft de wettelijke subrogatie waarvan de verzekeraar geniet niet de subrogatie in de eigen vordering van de benadeelde tegen de verzekerde, maar wel de subrogatie in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde tegen de voor de schade aansprakelijke derden.
Hieruit volgt dat de verjaringstermijn voor de door de verweerster ingestelde burgerlijke vordering tegen de beklaagden niet wordt beheerst door artikel 88, §2, maar wel door de artikelen 2262bis van het Burgerlijk Wetboek en 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.
» Bekijk alle artikels: Verzekeringen & Aansprakelijkheid












