Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW
Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)
Webinar op vrijdag 5 juni 2026
Verzekeringsrecht:
recente wetgeving en rechtspraak
anno 2026
Mr. Sandra Lodewijckx (Lydian)
Webinar op vrijdag 27 maart 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker ons jaarabonnement
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Geldezels en andere socio-economisch kwetsbare daders: waar aansprakelijkheids- en strafrecht botsen? (Blog Privaatrecht)
Auteur: Lukas Van Roy (Blog Privaatrecht)
Door de toename van cybercriminaliteit maken cybercriminelen steeds meer gebruik van geldezels. Geldezels (vanuit het Engelse money mules) zijn vaak socio-economisch kwetsbare individuen (bv. jongvolwassenen met weinig middelen, sekswerkers die slachtoffer zijn van mensenhandel, ouderen, migranten) die door de criminelen worden benaderd om in ruil voor een vergoeding (en zonder opgave van een precieze reden) hun bankrekening ter beschikking te stellen. Die gebruiken ze voor het wegsluizen van crimineel geld. Door het geld via de bankrekening van de geldezel weg te sluizen, blijven de criminelen buiten schot van de opsporingsautoriteiten. Omdat de identiteit van de geldezel aan diens bankrekening is gekoppeld, worden geldezels door justitiële autoriteiten van misdrijven zoals witwassen verdacht. De geldezels zelf zijn zich niet altijd bewust van de risico’s die ze lopen en zijn vaak zelfs niet op de hoogte dat ze strafbare feiten plegen. Hoewel ze zichzelf vaak als slachtoffer beschouwen, worden ze door het gerecht meestal behandeld als daders. In die situatie rijst de vraag hoe het Belgische rechtssysteem omgaat met (onwetende) socio-economisch kwetsbare daders zoals geldezels.
Burgerrechtelijke aansprakelijkheid geldezels
In deze blogpost beperk ik me tot de basisaspecten van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van geldezels. Die aansprakelijkheid steunt voornamelijk op de misdrijven waarvoor de geldezel veroordeeld wordt (meestal witwasmisdrijven, valsheid in informatica, oplichting of lidmaatschap van een criminele organisatie). Elke overtreding van de strafwet maakt in de regel ook een schending van een voldoende specifieke wettelijke gedragsregel en dus een fout uit (artikel 6.6, §1 BW). Ook zonder strafrechtelijke veroordeling van de geldezel is het mogelijk om een fout vast te stellen vanwege een schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm (of een specifieke rechtsnorm, die geen strafrechtelijke norm is) (artikel 6.6, §2 BW). Een geldezel die met een onbekende zijn bankgegevens deelt in ruil voor een beloning, lijkt eerder niet als een voorzichtig en redelijk persoon te handelen.
De volgende vraag is welke schade in oorzakelijk verband staat met het foutief handelen van de geldezel (artikel 6.18, §1, eerste lid BW). Wanneer de rechter de geldezel als mededader schuldig acht aan oplichting of informaticabedrog, moet hij nagaan of de benadeelde zonder het plegen van die feiten dezelfde schade zou hebben geleden. Hierbij is het belangrijk mee in rekening te nemen dat criminele organisaties vaak met verschillende geldezels werken. Bij het wegdenken van de handelingen van een van de geldezels is het waarschijnlijk dat de schade bij de benadeelde toch op dezelfde wijze zou zijn ontstaan omdat de criminelen in dat geval het buitgemaakte geld zouden verdelen over de rekeningen van de overige geldezels. Toch zal ook in dat geval de foutieve handeling van de geldezel een oorzaak van de schade blijven (artikel 6.18, §1, tweede lid BW).
Het oorzakelijk verband tussen de fout van de geldezel en de schade van het slachtoffer lijkt moeilijker vast te stellen wanneer de geldezel schuldig werd bevonden aan witwassen of voor lidmaatschap van een criminele organisatie. De geldezel was in dat geval namelijk niet betrokken bij het basismisdrijf waardoor het slachtoffer schade leed. Bij witwasmisdrijven oordeelde het Hof van Cassatie dat er een ‘aanzuigend’ effect ontstaat voor het onderliggende misdrijf (bv. oplichting) waardoor er een oorzakelijk verband is met de schade van het slachtoffer. Bij het lidmaatschap aan een criminele organisatie is het vereist dat de geldezel betrokken is bij een concreet misdrijf om gehouden te worden tot schade die hieruit volgde. Indien de schade in elk geval zou zijn opgetreden zonder tussenkomst van de geldezel is er geen sprake van een oorzakelijk verband en kan de geldezel dus niet burgerrechtelijk aansprakelijk gehouden worden.
De geldsommen die de oplichters van de bankrekening van slachtoffers halen (en dus de te vergoeden schade), zijn soms duizelingwekkend hoog en kunnen oplopen tot in de duizenden euro’s. Het ontvreemde bedrag spreiden de criminelen vaak over de rekeningen van verschillende geldezels. De geldezel die aansprakelijk wordt gesteld zal daarom samen met de andere daders (de daadwerkelijke criminelen en eventuele andere geldezels) in solidum gehouden zijn voor het vergoeden van de schade. Het slachtoffer kan de socio-economisch kwetsbare geldezel dus aanspreken voor het geheel van de schade. De geldezel die (voor zover mogelijk) de volledige vergoeding betaalde kan in theorie wel het aandeel van de andere aansprakelijken achteraf terugvorderen, maar in de praktijk zal dat moeilijk zijn als de mede-aansprakelijken spoorloos of insolvabel zijn.
Integrale schadevergoeding en in solidum-gehoudenheid als knelpunten
De schadevergoeding is waar het schoentje knelt voor geldezels en andere socio-economisch kwetsbare daders. Een analyse van het Belgische rechtssysteem toont namelijk aan dat het strafrecht verschillende mogelijkheden biedt om de sociale declassering van zo’n daders te vermijden. Zo is het mogelijk dat ze niet voor een strafrechter verschijnen doordat ze bijvoorbeeld genieten van een seponering van de zaak (uit opportuniteitsoverwegingen) of een minnelijke schikking afsluiten. Ook de strafrechter kan dankzij een ruim sanctiearsenaal rekening houden met de situatie van (onwetende) socio-economisch kwetsbare daders bij het opleggen van een straf (bv. door het opleggen van een probatiestraf, werkstraf of beperkte geldboete).
Het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht biedt die flexibiliteit voorlopig echter niet. Van zodra de aansprakelijkheid vaststaat, is de rechter gehouden om een integrale schadeloosstelling op te leggen, waar relevant met in solidum-gehoudenheid. Dat zorgt ervoor dat er alsnog een zware financiële last op de schouders van de socio-economisch kwetsbare geldezel terechtkomt. Die last zal evenzeer als sanctie ervaren worden en kan elk toekomstperspectief (en perspectief op rehabilitatie en re-integratie in de maatschappij) wegnemen. Bovendien kan de hoge schadevergoeding beletten dat de geldezel beroep doet op een procedure van minnelijke schikking of een procedure ‘bemiddeling en maatregelen’. Beide procedures vereisen namelijk een (begin van) vergoeding van de benadeelde.
De problematiek van geldezels toont aan dat het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht strafrechtelijke doelstellingen zoals maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de beklaagde ondermijnt (zie ook artikel 27 nieuw Strafwetboek). Het inbouwen van meer flexibiliteit in boek 6 BW zou dat probleem kunnen verhelpen. Denk bijvoorbeeld aan een algemene bevoegdheid voor de rechter om in uitzonderlijke gevallen de schadevergoeding te matigen (zoals vanwege de financiële draagkracht van de aansprakelijke). Die mogelijkheid is er nu, al blijft die beperkt tot minderjarigen ouder dan twaalf jaar en personen met een geestesstoornis (artikels 6.10 en 6.11 BW).
Een bespreking van het fenomeen ‘geldezels’ met een uitgebreide strafrechtelijke en burgerrechtelijke analyse ervan, vindt u in het recentste nummer van Panopticon (VAN ROY L., ‘(Geld)ezeletje strek je! Over geldezels en de rechtspositie van socio-economisch kwetsbare daders in het Belgische aansprakelijkheids- en strafrecht’, Panopticon 2025/5, 444).
Bron: Blog Privaatrecht
» Bekijk alle artikels: Verzekeringen & Aansprakelijkheid














