Het nieuwe verbintenissenrecht

Webinar on demand

De koop anno 2021 and beyond – Inclusief publicatie

Webinar on demand

Beleggings- en verzekeringsproducten anno 2022

Webinar on demand

Verzekeringen en marktpraktijken: de laatste ontwikkelingen

Webinar op 16 juni 2022

De nietigheid naar huidig en toekomstig verbintenissenrecht

Webinar op 16 juni 2022

Voordeelpakket
‘Buitencontractuele aansprakelijkheid’

7 Webinars on demand

De ‘quasi’ in de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Cass. 4 februari 2022 (Corporate Finance Lab)

Auteur: Joeri Vananroye (Corporate Finance Lab)

De aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten betreft de vraag in welke mate een contractuele schuldeiser een buitencontractuele vordering heeft indien een uitvoeringsagent van zijn schuldenaar door een onrechtmatige daad schade veroorzaakt aan deze contractuele schuldeisers. In de praktijk is een belangrijk toepassingsgeval de aansprakelijkheid van een bestuurder (C) van een rechtspersoon (B) t.a.v. een contractspartner (A) van die rechtspersoon.

In het huidige recht heeft de uitvoeringsagent, een verregaande immuniteit t.a.v. de contractuele schuldeiser van zijn opdrachtgever: A kan C in de regel niet aanspreken. Het oud BW zelf zwijgt hierover; deze immuniteit volgt uit vaststaande rechtspraak sinds het bekende Stuwadoors-arrest uit 1973 (Cass. 7 december 1973, NV Muller-Thomson en NV Wm. H. Muller & cot/ Royal Insurance Company Ltd, Arr. Cass. 1974, 1974, 395; JT 1974, 443; Pas. 1974, 376; RW 1973-1974, 1597, noot J. Herbots). Zie hierhier en hier voor de wilde plannen m.b.t. de uitvoeringsagent in het ontwerp van nieuw buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht.

Een klassieke uitzondering op de immuniteit van de uitvoeringsagent betreft fouten die ook een misdrijf uitmaken (bv. onvrijwillige slagen en verwondingen). Vandaar dat er meestal sprake is van een ‘quasi-immuniteit’. Een arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari 2022 behandelt de vraag of deze uitzondering op een burgerrechtelijke immuniteit veronderstelt dat de betrokken uitvoeringsagent voor de strafrechter werd vervolgd en veroordeeld.

Het antwoord is uiteraard: ‘nee’.

Het geschil ten gronde betrof enkele sociale secretariaten die overeenkomsten hadden gesloten met een NV voor het beheer van hun vermogen en investeringsadvies. Later blijkt dat de NV niet de nodige toelating had voor deze gereguleerde activiteit, waardoor het afsluiten van deze overeenkomsten en het uitoefenen van de betrokken activiteit een misdrijf uitmaakten. De NV én de afgevaardigd bestuurder van deze NV worden buitencontractueel aansprakelijk gesteld. Het verweer door de afgevaardigd bestuurder, die t.a.v. de sociale secretariaten een uitvoeringsagent is, op basis van zijn buitencontractuele immuniteit t.a.v. deze contractspartijen van zijn vennootschap, wordt op basis van de klassieke misdrijf-uitzondering niet aanvaard.

De afgevaardigd bestuurder beroept zich voor cassatie op het vermoeden van onschuld. Dat wordt terecht van tafel geveegd door het Hof op grond van het principe dat een slachtoffer van een misdrijf niet verplicht is naar de strafrechter te gaan voor de burgerrechtelijke gevolgen van een misdrijf.

Zie kritisch over het misdrijf als een uitzondering op de immuniteit (binnen een ruimere kritiek op die immuniteit): H. Bocken, “Samenloop in het Ontwerp Buitencontractuele Aansprakelijkheid)”, TPR 2021, 165.

Bron: Corporate Finance Lab