De invoering van Boek 6
en de impact voor de medische sector

Prof. dr. Christophe Lemmens (Dewallens & Partners)

Webinar op vrijdag 4 oktober 2024


Recente wetgevende ontwikkelingen
met impact op de bouwsector

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Consumentenbescherming bij de verwerving
van financiële diensten: de laatste ontwikkelingen (optioneel met handboek)

Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Webinar op donderdag 30 mei 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Het nieuwe Boek 6 en de impact
voor de bouw- en vastgoedsector:
10 aandachtspunten

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 23 april 2024


Het nieuwe Boek 6:
de impact op de werkvloer

Mr. Chris Persyn (Cautius)

Webinar op donderdag 4 juli 2024

De opheffing van het samenloopverbod en de quasi-immuniteit van de hulppersoon in Boek 6 BW: waarom dit de ‘koninklijke weg’ is (KU Leuven)

Auteur: Ilse Samoy (KU Leuven)

DEEL 1

Het leerstuk van de samenloop zorgde voor een van de moeilijkste knopen die de wetgever heeft moeten doorhakken bij de hervorming van het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. Menig academicus en practicus is in de pen gekropen (zie bijvoorbeeld de blogposts op Corporate Finance Lab). Ook na de stemming van Boek 6 blijft samenloop beroeren en weerklinken vooral kritische geluiden (zie bijvoorbeeld Corporate Finance Lab en De Tijd).

Het samenloopverbod en de quasi-immuniteit van de hulppersoon opheffen of wettelijk verankeren: die vraag zadelde de wetgever op met een groot dilemma. Dat was zoveel jaar geleden bij de start van de werkzaamheden van Boeken 5 en 6 al meteen duidelijk. Ik zal nooit vergeten dat toenmalig minister van Justitie Koen Geens alle Belgische professoren, actief zowel op het terrein van het contractueel als het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, in Brussel uitnodigde. Hij plaatste ons rond een immense vergadertafel en vroeg naar onze opvatting over het samenloopverbod en het fameuze Stuwadoorsarrest. Het water was bijzonder diep. En dat werd tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in het parlement bevestigd: het leidde tot verschillende amendementen. Uiteindelijk besloot de wetgever het samenloopverbod af te schaffen. Op de troeven van de opheffing van het samenloopverbod ga ik hierna niet dieper in. Hiervoor verwijs ik naar de recente kanttekening in het Rechtskundig Weekblad die ik met drs. Simon Van Eekert schreef.

In een reeks van drie blogposts – waarvan deze de eerste is – licht ik toe wat ‘samenloop’ precies inhoudt, wat de regels zijn onder het huidige recht (deel 1), wat de nieuwe regels zijn in Boek 6 (deel 2) en hoe het overgangsrecht toepassing vindt (deel 3). Mijn finale doelstelling is de bewering in de titel van deze blogposts bewijzen: de door de wetgever gekozen weg is de ‘koninklijke weg’ en de nieuwe regels hoeven geen goudmijn voor juristen te zijn. De Toelichting bij Boek 6 vormt mijn voornaamste bron.

Samenloop

Samenloop van aansprakelijkheidsregimes in zijn algemeenheid krijgt weinig aandacht. Nochtans gebeurt het vaak dat op één schadegeval verschillende regels van toepassing zijn.

Denk aan een bruikleencontract tussen twee buren, waarbij de ene buur zijn ladder aan de andere uitleent. Wanneer die laatste op de ladder staat om de herfstbladeren uit zijn dakgoot te verwijderen, breekt een sport van de ladder af en loopt hij zware verwondingen op. Bruiklening steunt op een vriendendienst en daarom bevat het Burgerlijk Wetboek een afwijkend aansprakelijkheidscriterium. Artikel 1891 oud BW bepaalt dat wanneer de geleende zaak zodanige gebreken heeft dat zij aan hem die zich ervan bedient, schade kan veroorzaken, de uitlener aansprakelijk is, indien hij de gebreken kende en de lener daarvan niet op de hoogte heeft gebracht. Precies door die belangrijke inperking (zie het cursief gedeelte in de vorige zin), zal de toepassing van artikel 1891 oud BW minder snel tot aansprakelijkheid leiden dan de toepassing van artikel 1384, lid 1 oud BW (de aansprakelijkheid van een bewaarder van een gebrekkige zaak). Kan de schadelijder dan een vordering instellen tegen zijn buur op basis van artikel 1384, lid 1 en zo de regels van bruikleen (art. 1891 oud BW) uitschakelen?

Tweede voorbeeld: iemand koopt een nieuwe elektrische fiets die, plots, zonder enige aanleiding, in tweeën breekt waardoor de fietser zwaar ten val komt. Een deskundigenonderzoek wijst uit dat het kader te licht is voor de elektrische motor en er dus sprake is van een constructiefout. Hier zien we een potentiële samenloop van de regels inzake verborgen gebreken tegen de eindverkoper, productaansprakelijkheid en diverse buitencontractuele aansprakelijkheidsgronden.

Die vraag van samenloop rijst vooral scherp wanneer de regels van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid samenlopen. Stel dat X en Y een contract sluiten. Y brengt bij de uitvoering door een toerekenbare niet-nakoming schade toe aan X. Dan kan X uiteraard een contractuele aansprakelijkheidsvordering tegen Y instellen als de voorwaarden vervuld zijn. Maar stel dat die contractuele vordering gehinderd wordt door een bevrijdingsbeding, een schadebeding of de contractuele verjaringstermijn. Of stel dat Y een aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking van contractuele aansprakelijkheid uitsluit. Kan X dan buitencontractueel vorderen?

Nog scherper, tot slot, rijst de vraag van samenloop in de hypothese van de hulppersoon. Hier sluit A (de hoofdschuldeiser) een hoofdcontract met B (de hoofdschuldenaar) en B doet voor de uitvoering van het hoofdcontract beroep op C (een hulppersoon). Tussen B en C is er eventueel een ondercontract. Wat als C bij de uitvoering van de contractuele verbintenis schade toebrengt aan A? Welke regels zijn dan van toepassing? In de cassatierechtspraak krijgt het begrip ‘hulppersoon’ een ruime invulling. Het is een natuurlijke persoon of rechtspersoon die door de schuldenaar van een contractuele verbintenis belast wordt met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van deze verbintenis, ongeacht of hij deze verbintenis uitvoert voor eigen rekening en in eigen naam dan wel voor rekening en in naam van de schuldenaar. Het gaat dus over werknemers, aangestelden, organen van rechtspersonen, onderaannemers, vertegenwoordigers… De enige beperking op deze ruime interpretatie geldt voor diegene die enkel de materiële omstandigheden tot stand brengt die een schuldenaar toelaten zijn verbintenissen na te komen of enkel hiervoor hulpgoederen ter beschikking stelt. Dat is het fameuze visoliearrest van het Hof van Cassatie uit 2020 dat hier verder niet relevant is.

Oude regels voor samenloop

In zijn algemeenheid, geldt nu al als uitgangspunt dat de benadeelde kan kiezen op welke van meerdere toepasselijke regels hij zijn vordering baseert. Voor samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid is het Hof van Cassatie daarvan afgeweken in het fameuze Stuwadoorsarrest. Dit arrest voerde het relatief samenloopverbod in zoals iedereen dat vandaag kent.

Het samenloopverbod houdt in dat het herstel van de schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis in principe exclusief beheerst wordt door de regels van het contractenrecht. Dat blijft zo, zelfs wanneer de gebeurtenis die aan de oorsprong ligt van de schade een onrechtmatige daad vormt. In principe hebben de partijen niet de keuze tussen een contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering. De onderliggende idee is dat partijen die een contract sluiten hierdoor ook impliciet hun wil tot uitdrukking brengen dat zij de toepassing van de buitencontractuele aansprakelijkheid willen uitsluiten.

Het samenloopverbod krijgt evenwel het epitheton relatief omdat er uitzonderingen gelden. Samenloop is wel mogelijk: (i) wanneer de contractuele wanprestatie ook een misdrijf uitmaakt; (ii) wanneer de fout gemengd is (dus contractueel en buitencontractueel) én de schade zuiver buitencontractueel; of (iii) wanneer het contract zich inschrijft in een reglementaire verhouding.

Die laatste uitzondering geniet minder bekendheid en is erkend naar aanleiding van een zaak over een brand ontstaan in een gebrekkige elektriciteitskast in de garage van een huis. De benadeelde wil de elektriciteitsleverancier aansprakelijk stellen op basis van 1384, lid 1 oud BW als bewaarder van een gebrekkige zaak. Die werpt op: samenloopverbod! Wij hebben een contract en dus kan u niet buitencontractueel tegen mij vorderen. Over deze feiten bestaat er een cassatiearrest waaruit we kunnen afleiden dat de levering van elektriciteit in een reglementaire verhouding kadert. In zo’n reglementaire verhouding is wél een buitencontractuele vordering mogelijk, ook al is er ook een contract gesloten. Een ander voorbeeld heeft betrekking op de verhouding tussen een student en een universiteit. De student schrijft zich in voor een opleiding en sluit een contract met de universiteit. Bepaalde handelingen, zoals beslissingen van een examencommissie, worden evenwel in een reglementaire verhouding genomen. Daar is een buitencontractuele vordering onder het huidige recht nu al mogelijk.

Het belang van deze derde uitzondering schuilt in wat nog komt. Onder de nieuwe regels die een buitencontractuele vordering toelaten tussen medecontractanten en tegen de hulppersonen, vrezen critici dat er meer buitencontractuele vorderingen zullen worden ingesteld door bijvoorbeeld studenten tegen hun universiteit en/of haar hulppersonen (waaronder de professoren). Omdat ook onder toepassing van het huidig recht buitencontractuele vorderingen in deze verhouding al mogelijk zijn en het onder toepassing van het huidige recht geen zo’n vaart heeft gelopen, durven we dat te relativeren.

De hulppersoon

Tegelijkertijd met het samenloopverbod is ook de leer van de quasi-immuniteit van de hulppersoon ingevoerd – opnieuw via het historische Stuwadoorsarrest – om te vermijden dat A het samenloopverbod tegenover B zou omzeilen door een vordering in te stellen tegen de hulppersoon C.

De hulppersoon C is geen partij bij het contract tussen A en B. Daarom kan A de hulppersoon C niet contractueel aanspreken. Langs de andere kant is de hulppersoon ook geen echte derde bij het contract tussen A en B. Daarom is een buitencontractuele vordering van A tegen C slechts mogelijk als één van de uitzonderingen op het samenloopverbod aanwezig is.

Voor de volledigheid is het belangrijk op te merken dat er onder het huidige recht al bijzondere wetgeving is die de aansprakelijkheid van bepaalde categorieën van hulppersonen beperkt. Zo zijn er diverse immuniteiten voor eenmalige lichte fouten: werknemers (art. 18 WAO), statutair overheidspersoneel (art. 2 Wet van 10 februari 2003), vrijwilligers (art. 5 Vrijwilligerswet), stagiairs (art. 123/30 Codex Secundair Onderwijs en art. II.355/1 Codex Hoger Onderwijs). Ook de Arbeidsongevallenwet (artikel 46, §1 Arbeidsongevallenwet) zal in bepaalde casussen zorgen voor immuniteit van de werknemer/hulppersoon. Omdat de hulppersoon vandaag van de quasi-immuniteit geniet, worden deze immuniteiten onder het huidige recht vandaag vaak niet toegepast.

Daarnaast is er ook al bijzondere wetgeving die toelaat dat hulppersonen zich op bevrijdingsbedingen beroepen. Nog maar recent ingevoerd in Boek 5 BW en van algemene draagwijdte, is art. 5.89, §2 BW. De hulppersoon C kan tegen A (i.e. de medecontractant van C’s medecontractant) het bevrijdingsbeding inroepen dat is overeengekomen tussen A en B. Ik geef wel al mee dat die bepaling terug opgeheven wordt, omdat die overbodig wordt (infra). Specifieke regels van tegenwerpelijkheid van bevrijdingsbedingen vinden we terug in de artikelen 28 en 29 CMR verdrag en het Scheepvaartwetboek.

Onder het huidige recht is er echter geen regel met een algemene draagwijdte die toelaat dat hulppersonen zich op bedingen uit het hoofdcontract (A-B) of ondercontract (B-C) beroepen. Daar is ook geen behoefte aan, omdat de hulppersoon niet kan aangesproken worden omwille van zijn quasi-immuniteit.

In een volgende blogpost ga ik in op de nieuwe samenloopregeling, zoals die van kracht zal zijn na de inwerkingtreding van Boek 6 BW (wellicht op 1 januari 2025).

DEEL 2

In een reeks van drie blogposts – waarvan deze de tweede is – licht ik toe wat ‘samenloop’ precies inhoudt, wat de regels zijn onder het huidige recht voor samenloop en hulppersonen (deel 1), wat de nieuwe regels voor samenloop zijn in Boek 6 (deel 2), wat Boek 6 in petto heeft voor de hulppersonen en hoe het overgangsrecht eruitziet (deel 3). Mijn finale doelstelling is de bewering bewijzen in de titel van deze blogpost. De door de wetgever gekozen weg is de ‘koninklijke weg’ en de nieuwe regels hoeven geen goudmijn voor juristen te zijn. De Memorie van Toelichting bij Boek 6 vormt ook voor dit deel mijn voornaamste bron.

Algemene bepaling in art. 6.1 BW

Niet onbelangrijk is te starten met de algemene bepaling in artikel 6.1 BW. De bepalingen van Boek 6 zijn in beginsel van aanvullend recht: de contractspartijen kunnen er dus contractueel van afwijken. De bepalingen over samenloop bevestigen die mogelijkheid nog eens uitdrukkelijk. De concrete perspectieven die dat biedt, komen later aan bod.

De niet-exclusieve werking van Boek 6

De eigenlijke regels over samenloop vinden we in afdeling 2 in de artikelen 6.2 en 6.3 BW.

Tenzij de wet of het contract anders bepaalt, belet de toepassing van een bepaling van dit boek niet de toepassing van andere bepalingen van dit boek, van andere delen van dit Wetboek of van andere wetten.

Artikel 6.2 BW. Niet-exclusieve werking

Artikel 6.2 BW bevestigt de regel van samenloop in zijn algemeenheid, zoals we die nu ook al kennen. Boek 6 heeft geen exclusieve gelding en sluit de toepassing van andere regels niet uit. Het uitgangspunt is dus een gelijktijdige toepassing van de wetsbepalingen waarvan de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn. Dat komt in de praktijk vaak voor, zoals we illustreerden in de eerste blogpost.

Wat betekent dat concreet? Als er zich een schadegeval voordoet, is Boek 6 combineerbaar met (i) andere bepalingen van dit boek (d.i. Boek 6), bijvoorbeeld een toepassing van zowel de persoonlijke als de kwalitatieve aansprakelijkheidsgronden of de productaansprakelijkheid; (ii) bepalingen van andere delen van dit wetboek, bijvoorbeeld een combinatie van de regels van Boek 6 met de regels over het eigendomsrecht uit Boek 3; (iii) andere wetten, bijvoorbeeld een combinatie van de regels uit Boek 6 met de wettelijke immuniteiten. Het spreekt voor zich dat deze verschillende combinaties enkel mogelijk zijn zolang de (integrale) schade niet vergoed werd.

Op het basisprincipe dat Boek 6 met andere regels combineerbaar is, gelden enkele uitzonderingen:

1. De wet kan uitzonderlijk exclusiviteit bepalen. Artikel 6.2 BW verhindert dus niet dat een wet bepaalt dat een aansprakelijkheidsregel exclusief van toepassing is en dus de toepassing van de bepalingen van Boek 6 uitsluit.

2. Het contract kan exclusiviteit bepalen. Boek 6, ik vermeldde het al, respecteert het beginsel van de contractvrijheid. Partijen kunnen de gelijktijdige toepassing van aansprakelijkheidsregels uitsluiten. Zij kunnen bijvoorbeeld het volgende beding in hun contract opnemen: “de partijen komen overeen dat het herstel van de schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis, opgenomen in dit contract, binnen de wettelijke grenzen exclusief beheerst wordt door de regels van het contractenrecht, zelfs wanneer de gebeurtenis die aan de oorsprong ligt van de schade ook een onrechtmatige daad vormt.” In dat geval kunnen de medecontractanten bij herstel van schade veroorzaakt door een contractuele toerekenbare niet-nakoming geen beroep doen op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid. Een conventioneel samenloopverbod blijft dus mogelijk, maar we gaan niet meer impliciet van zo’n samenloopverbod uit. Boek 6 bevrijdt ons dus van de fictie dat partijen die een contract sluiten afstand willen doen van het regime van de buitencontractuele aansprakelijkheid. Afstand van recht wordt nu eenmaal niet vermoed. Afstand moet op ondubbelzinnige wijze, uitdrukkelijk of stilzwijgend, overeengekomen zijn. In dat opzicht kent de principiële samenloopmogelijkheid in Boek 6 een betere grondslag. Een uitsluiting van het buitencontractuele regime moet in de toekomst expliciet zijn, via een bijzondere wet of een duidelijk contractueel beding.

3. De Memorie van Toelichting sluit gelijktijdige toepassing uit als die tot rechtsgevolgen leidt die onverenigbaar of strijdig zijn met de wet. Hier moet een keuze gemaakt worden tussen de toepasselijke rechtsregels. Die keuze tussen de toepasselijke rechtsregels komt, tenzij de wet anders bepaalt, niet toe aan de partijen. Hiervoor moeten we, zoals Nederland al decennia doet, de hiërarchie der normen toepassen. Verder onderzoek is hier nodig en al opgestart aan het Instituut voor Verbintenissenrecht van de KU Leuven. Kort samengevat komt dat op het volgende neer. Bij tegenstrijdigheid tussen aansprakelijkheidsregels van verschillende niveaus gaat het internationale en Europese recht voor. Als er bijvoorbeeld een Europese aansprakelijkheidsregel uitgevaardigd wordt en er een nationale aansprakelijkheidsregel bestaat die daarmee conflicteert, komt voorrang toe aan de Europese regel. Ten tweede, gaat de hogere wet voor op de lagere: een aansprakelijkheidsregel neergelegd in een formele wet zal voorgaan op een aansprakelijkheidsnorm van de uitvoerende macht. Bij tegenstrijdigheid tussen rechtsregels van hetzelfde niveau, zullen we vooral een beroep moeten doen op de regel dat de lex specialis voorgaat op de lex generalis. Dat betekent meteen ook dat die keuze tussen de toepasselijke regels bij tegenstrijdigheid in beginsel niet aan de benadeelde zelf toekomt. Het is de hiërarchie der normen, eventueel de wet of het contract (wanneer zij een voorrang bepalen) die de keuze bepalen.

Over het procesrechtelijk aspect hiervan zegt de Memorie van Toelichting het volgende: “Het procesrecht bepaalt in welke mate de benadeelde verplicht is om de rechtsgrond van zijn vordering te preciseren.” Een partij moet de rechtsgrond niet vermelden in de dagvaarding, wel in de conclusie. Anderzijds moet de rechter ambtshalve de juiste rechtsgrond inroepen. ‘In den beginne’ lijkt het dus niet zo belangrijk dat een partij meteen de rechtsgrond aanduidt: hij moet vooral de feiten van het schadegeval aanbrengen waarop vervolgens de juiste rechtsregels kunnen worden toegepast. Ik hoop dat academici met expertise in het procesrecht dit luik van het verhaal snel helder en duidelijk zullen uitklaren.

Principe: samenloop van buitencontractuele en contractuele aansprakelijkheid

En dan is er onder afdeling 2, over samenloop, nog een tweede bepaling: artikel 6.3 BW. Deze bepaling behandelt concreet de vraag naar samenloop van buitencontractuele en contractuele aansprakelijkheid.

Tenzij de wet of het contract anders bepaalt, zijn de wettelijke bepalingen inzake buitencontractuele aansprakelijkheid van toepassing tussen medecontractanten.

Artikel 6.3, §1, lid 1 BW

Samenloop wordt dus de basisregel. Dat is een duidelijke keuze van de wetgever die hiermee afwijkt van het huidige samenloopverbod: het uitgangspunt is dat het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht ook toepassing vindt tussen medecontractanten, tenzij de wet of het contract anders bepaalt. Een benadeelde kan zich dus ook tegen een medecontractant beroepen op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid indien aan de toepassingsvoorwaarden ervan voldaan is.

De Memorie van Toelichting geeft aan dat – vermits beide stelsels niet gelijktijdig toepassing kunnen vinden – het aan de eiser is om te bepalen op welk van beide hij zijn vordering baseert. Dus hier moet de benadeelde wél kleur bekennen en kiezen, nog niet in de dagvaarding, maar wel in de conclusie.

De wetgever is dus eigenlijk en terecht van oordeel dat tussen het gemeen contractueel aansprakelijkheidsrecht en het gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht geen hiërarchie bepaald kan worden: beide zijn een lex generalis. Ze bevatten bijvoorbeeld allebei een regeling voor de aansprakelijkheid voor gebrekkige hulpgoederen (in Boek 5) en de kwalitatieve aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken (in Boek 6). Die kunnen niet samen toegepast worden waardoor een partij moet kiezen.

Indien de benadeelde echter op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis vordert van zijn medecontractant, kan deze medecontractant de verweermiddelen inroepen die voortvloeien uit zijn contract met de benadeelde, uit de wetgeving inzake bijzondere contracten en uit de bijzondere verjaringsregels van toepassing op het contract. Dit is niet het geval bij vorderingen tot schadeloosstelling voor schade als gevolg van een aantasting van de fysieke of psychische integriteit of van een fout begaan met het opzet schade te veroorzaken.

Artikel 6.3, §1, lid 2 BW

Deze bepaling bevat twee correcties op de basisregel die vermijden dat de benadeelde, door te kiezen voor een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering, de bijzondere wetgeving inzake contracten (de lex specialis) en de contractuele aansprakelijkheidsbedingen (ook een contract strekt de partijen tot ‘bijzondere’ wet) terzijde schuift. Omdat de bijzondere wetgeving en de contractuele bedingen voorrang blijven krijgen, ook bij een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering, zal de keuze voor een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering in een contractuele context in de praktijk beperkt kunnen blijven. Partijen zullen vaak geen meerwaarde ondervinden bij het instellen van een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering. Het zal dus zo’n vaart niet lopen in de praktijk, in tegenstelling tot wat critici van de nieuwe regels luid roepen.

Wanneer de wetgever het heeft over verweermiddelen uit het contract met de benadeelde, gaat het om bedingen die de aansprakelijkheid afwijkend regelen. Weliswaar benadrukt de Memorie van Toelichting dat de draagwijdte van die bedingen moet beoordeeld worden overeenkomstig de regels van het contractenrecht. De rechter zal bij een geschil dus moeten uitmaken of die bedingen betrekking hebben op aansprakelijkheid in het algemeen dan wel enkel op contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid.

Hierbij (zo benadrukt de Memorie van Toelichting) verlaten we het standpunt dat een algemeen geformuleerd contractueel bevrijdingsbeding niet van toepassing wordt geacht op de buitencontractuele aansprakelijkheid. Een beding over aansprakelijkheid kan zowel op de contractuele als op de buitencontractuele aansprakelijkheid slaan. Als medecontractanten bedingen voor ogen hebben die zich beperken tot de contractuele aansprakelijkheid, dan moeten ze dat expliciet zo vermelden in hun contract (zie ook H. BOCKEN, “Samenloop, anders bekeken” in N. CARETTE en B. WEYTS (eds.), Verantwoord aansprakelijkheidsrecht, Brussel, Intersentia, 2017, 35-61).

Het is wel belangrijk op te merken dat alleen geldige contractuele bedingen een verweermiddel kunnen opleveren. Een beding is niet geldig op basis van de nietigheidsgronden vervat in het algemeen verbintenissenrecht van Boek 5 (bijvoorbeeld artikel 5.89 BW, over bevrijdingsbedingen) en in het consumentencontracten (de onrechtmatige bedingenleer uit het WER).

Wat de verweermiddelen uit bijzondere wetgeving betreft, geeft de Memorie van Toelichting zelf verschillende voorbeelden van bijzondere wetgeving die op Boek 6 voorrang krijgt: art. 1622 oud BW, art. 1642 oud BW, art. 1648 oud BW, art. 1649quater oud BW, artt. 1732 en 1733 oud BW, art. 1882 oud BW, art. 1891 oud BW, artt. 1927-1928 oud BW, art. 1952 oud BW, art. 1992 oud BW, art. X.49 WER. Denk aan de casus van de ladder die de ene buur in bruikleen neemt van de andere uit de eerste blogpost. Op dat contract is artikel 1891 oud BW van toepassing met zijn afwijkend aansprakelijkheidscriterium. Die bepaling vindt in elk geval toepassing, zelfs al steunt de eiser zijn aansprakelijkheidsvordering op artikel 1384, lid 1 oud BW.

Deze regel bevestigt eigenlijk het principe van lex specialis generali derogat. Daarmee erkennen we bovendien dat die specifieke bepalingen niet alleen betrekking hebben op contractuele, maar ook op buitencontractuele aansprakelijkheid. Meteen is ook nog eens duidelijk waarom er bij een keuze voor een buitencontractuele vordering geen verweermiddelen kunnen worden geput uit het gemeen contractenrecht, bijvoorbeeld uit de regels in Boek 5 voor hulpgoederen en hulppersonen.

De laatste zin van artikel 6.3, §1, lid 2 BW bevat een uitzondering op de correcties.

Dit is niet het geval bij vorderingen tot schadeloosstelling voor schade als gevolg van een aantasting van de fysieke of psychische integriteit of van een fout begaan met het opzet schade te veroorzaken.

Artikel 6.3, §1, lid 2 BW

Oorspronkelijk voorzag de wetgever in deze uitzondering enkel voor een aantasting van de fysieke integriteit. De Raad van State formuleerde hierbij een opmerking waardoor een amendement de uitzondering uitbreidde naar een aantasting van de psychische integriteit. Met deze uitzondering dreigt er een doos van Pandora geopend te worden omdat een groot aantal eisers zich zo zou kunnen beroepen op deze uitzondering. Lopend onderzoek van Simon Van Eekert die aan de KU Leuven doctoreert over angstschade en Victor Schollaert over morele schade (UAntwerpen) zal hopelijk toelaten om de sluizen gesloten te houden.

Dan rest tot slot nog de spannendste vraag wat de impact van de opheffing van het samenloopverbod is op hulppersonen (art. 6.3, §2 BW) en hoe het overgangsrecht toepassing vindt (art. 50 Overgangsbepaling). Die ontknoping leest u binnenkort in deel 3.

DEEL 3

In een reeks van drie blogposts – waarvan deze de laatste is – licht ik de nieuwe regels van samenloop toe in Boek 6. Dit deel focust op wat Boek 6 in petto heeft voor de hulppersonen en hoe het overgangsrecht toepassing vindt. Mijn finale doelstelling is de bewering bewijzen in de titel van deze blogpost. De door de wetgever gekozen weg is de ‘koninklijke weg’ en de nieuwe regels hoeven geen goudmijn voor juristen te zijn. De Memorie van Toelichting van Boek 6 vormt ook voor dit laatste deel mijn voornaamste bron.

De positie van de hulppersoon

Wat is de impact van de opheffing van het samenloopverbod voor de hulppersoon? Artikel 6.3, §2 BW bevat basisregels, uitzonderingen, correcties ter bescherming van de hulppersoon en uitzonderingen op die correcties.

Tenzij de wet of het contract anders bepaalt, vinden de wetsbepalingen inzake buitencontractuele aansprakelijkheid toepassing tussen de benadeelde en de hulppersoon van zijn medecontractanten.

Artikel 6.3, §2 BW

A. Basisregels

De basisregels zijn helder en duidelijk. Zoals in het verleden nemen we aan dat er geen contract is tussen hoofdschuldeiser A en hulppersoon C. Een contractuele vordering van A tegen C is dus niet mogelijk. Een tijdje zag het ernaar uit dat de wetgever wél zou kiezen voor een vordering op contractuele grondslag door een rechtstreekse vordering toe te kennen aan A tegen C, maar die amendementen hebben het finaal niet gehaald. En dat is een goede zaak. Dat was een second best solution, die niet zuiver was op de verbintenisrechtelijke graat (zie de kanttekening van I. CLAEYS en C. DESMET, RW 2023, 796-800).

Anders dan in het verleden aangenomen werd, is hulppersoon C een ‘echte’ derde en is er daarom geen bezwaar tegen een buitencontractuele vordering van A tegen C. We kunnen als jurist terug ons gezond verstand volgen. Als docent verbintenissenrecht in het eerste jaar rechten lucht me dat op. Dat staat nu ook zwart op wit zo in de wet. De quasi-immuniteit van C vervalt dus. Het Stuwadoorsarrest is niet langer historisch, maar rechtshistorisch. De amendementen preciseren dat het begrip hulppersoon daarbij slaat op elke hulppersoon in de volledige contractsketen.

De afschaffing van de quasi-immuniteit heeft tot gevolg dat het belang van de bijzondere wetgeving die de hulppersoon met immuniteiten beschermt, zal toenemen (zie deel 1).

B. Uitzonderingen

Op deze logische basisregels zijn uitzonderingen mogelijk. Ik bespreek ze hierna:

1. De wet kan anders bepalen. Een bijzondere wet kan aan hoofdschuldeiser A een rechtstreekse vordering toekennen tegen hulppersoon C, dus een vordering op contractuele grondslag. Een bijzondere wet kan ook voorschrijven dat in een specifieke situatie geen buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering mogelijk is tegen hulppersoon C. Sectoren die van oordeel zijn dat de nieuwe regels hun sector ontwrichten en dat het uitgangspunt in hun sector anders moet zijn, kunnen de wetgever proberen te overtuigen om een wettelijke uitzondering voor hun sector in te voeren. Zo vermijden ze dat de uitzondering in elk contract afzonderlijk moet worden bedongen (uitzondering 2). Die bijzondere wet moet dan bepalen dat er in een bepaalde sector geen buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen mogelijk zijn tegen hulppersonen, maar enkel aansprakelijkheidsvorderingen tegen de rechtstreekse medecontractant B.

2. Het contract kan van de basisregels afwijken. Het hoofdcontract tussen A en B kan een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering van hoofdschuldeiser A tegen hulppersoon C uitsluiten. Zo’n beding in het hoofdcontract kan als volgt luiden: de partijen komen overeen dat het herstel van de schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis door een hulppersoon, binnen de wettelijke grenzen enkel grond is voor een contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering tegen de hoofdschuldenaar en geen grond voor een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering tegen de hulppersoon, zelfs niet wanneer de gebeurtenis die aan de oorsprong ligt van de schade ook een onrechtmatige daad vormt.

Ook het ondercontract tussen B en C kan ervoor zorgen dat hoofdschuldeiser A geen buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering tegen hulppersoon C kan instellen. Hulppersoon C kan in het ondercontract met B niet bedingen dat hoofdschuldeiser A hem niet buitencontractueel kan aanspreken (dat is een vorm van onmogelijke derdenbinding), maar hij kan wel bedingen dat zijn rechtstreekse medecontractant B, bij niet-uitvoering van de contractuele verbintenis door C, C daarvoor enkel contractueel kan aanspreken en niet buitencontractueel. Zo’n beding is identiek aan het beding dat tussen A en B een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering uitsluit (zie deel 2).

Stel dat A hulppersoon C buitencontractueel aanspreekt voor herstel van de schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis door de hulppersoon. Dan kan C, zoals hierna zal blijken, het beding uit zijn ondercontract met B inroepen jegens A om te staven dat er tegen hem geen buitencontractuele vordering mogelijk is.

Deze bedingen zijn niet in strijd met het verbod op uitholling, omdat een contractuele aansprakelijkheidsvordering mogelijk blijft.

C. Correcties ter bescherming van de hulppersoon

Indien de benadeelde echter op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis vordert van een hulppersoon van zijn medecontractant, kan deze laatste dezelfde verweermiddelen inroepen als zijn opdrachtgever op grond van paragraaf 1 kan inroepen met betrekking tot de verbintenissen aan de uitvoering waarvan de hulppersoon meewerkt.

De hulppersoon kan eveneens de verweermiddelen inroepen die hij zelf in dit verband tegen zijn medecontractant kan inroepen op grond van paragraaf 1.

Artikel 6.3, §2 BW

Naast de uitzonderingen krijgt de hulppersoon een dubbele bescherming:

In de eerste plaats verleent de wet derdenwerking aan de interne gevolgen van het hoofdcontract tussen hoofdschuldeiser A en hoofdschuldenaar B. De hulppersoon C kan tegen A de verweermiddelen inroepen die B kan inroepen tegen A. Dat betekent ook dat voor de aansprakelijkheidsbedingen in het hoofdcontract de relativiteit wordt doorbroken: de hulppersoon C kan zich als derde ten opzichte van dit hoofdcontact beroepen op de interne gevolgen, de rechten en plichten die uit deze bedingen voortvloeien. Als we de puntjes op de ‘i’ willen zetten qua terminologie: dit gaat verder dan tegenwerpelijkheid van de externe gevolgen of het bestaan van een contract. Deze correctie heeft betrekking op de interne gevolgen van het hoofdcontract. Indien het louter om de tegenwerpelijkheid van de externe gevolgen gaat, hebben we geen wetsbepaling nodig: die tegenwerpelijkheid geldt al op basis van Boek 5.

Deze bepaling wordt verklaard doordat A zich eraan kan verwachten dat B hulppersonen zal inschakelen. Het is redelijk dat A tegen deze hulppersonen niet meer aanspraken heeft dan tegen B. Voorbeelden van verweermiddelen zijn: uitstel van betaling, kwijtschelding van schuld, verjaringsexceptie, bevrijdingsbeding, schadebeding…

Artikel 6.3, §2, lid 1 BW veralgemeent artikel 5.89, §1 BW dat toelaat dat hulppersonen zich op bevrijdingsbedingen beroepen overeengekomen tussen A en B. Die bepaling uit Boek 5 wordt daarom overbodig en opgeheven.

In de tweede plaats verleent de wet ook derdenwerking aan de interne gevolgen van het ondercontract tussen hoofdschuldenaar B en hulppersoon C. C kan tegen A de verweermiddelen inroepen die hijzelf kan opwerpen tegen B. Voor de aansprakelijkheidsbedingen in het ondercontract wordt dus ook de relativiteit doorbroken.

De verklaring voor deze derdenwerking vinden we in het verslag van de bespreking in de commissie Justitie: “De hulppersoon verwacht dat zijn ondercontract de basis zal zijn voor zijn aansprakelijkheid.”

Die dubbele bescherming zorgt ervoor dat het volgens mij niet zo’n vaart zal lopen in de praktijk met buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen hulppersonen. In situaties waar A wél gebaat is bij een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering tegen de ‘schuldige’ hulppersoon C, wordt de contractuele economie beschermd. Dat zal in het bijzonder het geval zijn bij faillissement van B en in gevallen waar een rechtstreekse dagvaarding van de ‘schuldige’ hulppersoon een cascade van contractuele regresvorderingen kan vermijden.

In die gevallen zullen de betrokken partijen meer behoefte hebben om kennis te nemen van de inhoud van elkaars contracten. Vaker dan nu zullen die contracten opgevraagd worden. In het kader van een geschil, biedt het bewijsrecht via Boek 8 (denk bijvoorbeeld aan de medewerkingsplicht tussen partijen, art. 8.4, lid 3 BW) en via het Gerechtelijk Wetboek (overlegging van stukken, art. 877 Ger.W. en bescherming van het bedrijfsgeheim, art. 871bis Ger.W.) voldoende kapstokken om dit in goede banen te leiden.

D. Uitzonderingen op de correcties

De bepaling die gaat over de verweermiddelen die de hulppersoon kan inroepen, verwijst naar paragraaf 1 van artikel 6.3 BW. Daarom geldt voor de hulppersoon dezelfde uitzondering op de correcties als voor medecontractant B die door A buitencontractueel wordt aangesproken (zie deel 2). Een buitencontractuele vordering van hoofdschuldeiser A tegen hulppersoon C is dus mogelijk, zonder beroep op de verweermiddelen, als de benadeelde (A) getroffen is in zijn fysieke of psychische integriteit of schade lijdt als gevolg van een opzettelijke fout.

Die uitzonderingen bereiken de doelstelling die in het huidig recht bereikt wordt met de uitzondering van het misdrijf. Maar ze bakenen veel beter af. De uitzondering van het misdrijf was goed bedoeld, voor bijvoorbeeld contractuele fouten die ook kwalificeren als het misdrijf van onopzettelijke slagen en verwondingen of onvrijwillige doodslag (artt. 418-420 Sw.). In moderne wetgeving zien we evenwel een inflatie aan strafrechtelijke bepalingen in diverse rechtstakken, bijvoorbeeld strafrechtelijke sanctionering in het Wetboek Economisch Recht bij regelgeving omtrent consumentenbescherming en oneerlijke handelspraktijken (artt. XV.83-XV.86 WER). Door die inflatie werkt de uitzondering van het misdrijf in het huidig recht uithollend voor het principiële samenloopverbod. Bij elke samenloop van strafrechtelijke en contractuele aansprakelijkheid kan het contract en de door de partijen beoogde contractuele economie volledig genegeerd worden. Dat betekent dat A in dat geval zijn medecontractant B of de hulppersoon C zonder enige beperking buitencontractueel aansprakelijk kan stellen (d.i. zonder dat B of C zich op de bestaande contractuele verweermiddelen kunnen beroepen). De nieuwe regels beperken de uitzondering tot getroffen zijn in zijn fysieke of psychische integriteit of schade lijden door een opzettelijke fout, wat de economie van het contract op een betere wijze beschermt dan het relatieve samenloopverbod: enkel in dat specifieke geval kunnen B of C zich niet op de contractuele verweermiddelen beroepen.

Die uitzonderingen kunnen op basis van artikel 5.89, §1, 1° en 2° BW niet contractueel uitgeschakeld worden.

Overgangsrecht

We naderen het eind van onze trilogie en zijn aanbeland bij het overgangsrecht dat het scharnier tussen het huidige en toekomstige recht vormt. De bepalingen over het overgangsrecht bevinden zich aan het einde van de wet tot invoering van Boek 6.

De bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op feiten die tot aansprakelijkheid kunnen leiden en die zich hebben voorgedaan na de inwerkingtreding van deze wet.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de toekomstige gevolgen van feiten die zich hebben voorgedaan voor de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 44 wet tot invoering van Boek 6

De vraag rijst hoe we deze bepaling moeten toepassen op de nieuwe regels voor samenloop. In het eerste lid is sprake van het feit dat tot aansprakelijkheid kan leiden. Dat zou kunnen verwijzen naar de contractuele toerekenbare niet-nakoming die schade heeft veroorzaakt waardoor bij een toerekenbare niet-nakoming nà de inwerkingtreding van de wet de nieuwe regels van toepassing zijn, ook al betreft het een (oud) contract dat al gesloten is voor de inwerkingtreding van de wet.

Dat is geen wenselijk resultaat. Voor contracten geldt wat in de tweede alinea staat. We passen nieuwe regels nog niet toe op de toekomstige gevolgen van feiten die zich hebben voorgedaan voor de inwerkingtreding van de wet. Het feit zou hier dan het contract zijn. De toekomstige gevolgen van dit feit zijn de gevolgen van de toerekenbare niet-nakoming. De reden waarom we zo redeneren bij contracten is dat contractanten bij het sluiten van het contract rekening hebben gehouden met het geldend recht en niet konden anticiperen op het toekomstige recht. Bij nieuwe regels van aanvullend recht, moeten de partijen zelf kunnen bepalen of en hoe zij afwijken, ter gelegenheid van een nieuw contract.

Ik zou er dan ook voor willen pleiten om de regels van samenloop onder het tweede lid te brengen en ze nog niet toe te passen op toekomstige gevolgen van oude contracten (gesloten voor de inwerkingtreding van de wet). Idealiter kan hierover nog zekerheid gecreëerd worden door de wetgever voorafgaand aan de inwerkingtreding van Boek 6.

Als die zekerheid er niet komt en als een rechter niet overtuigd is door dit pleidooi en toch de nieuwe regels al toepast op oude contracten, dan zou een partij kunnen argumenteren dat voor oude contracten nog moet uitgegaan worden van de impliciete wil van de contractpartijen om buitencontractuele aansprakelijkheid uit te sluiten. Die impliciete wil was voor het Hof van Cassatie de onderliggende verklaring voor het samenloopverbod (zie deel 1).

Ook de partijen zelf kunnen zekerheid scheppen door hun contracten te hernieuwen en uitdrukkelijk standpunt in te nemen over de samenloop.

Besluit

Ik kom tot mijn besluit. Wanneer je de globale regeling voor samenloop beschouwt en niet fixeert op het wegvallen van de bescherming van de hulppersoon, ontdek je dat de afschaffing van het samenloopverbod en van de quasi-immuniteit van de hulppersoon de ‘koninklijke weg’ is. Het resultaat is een regeling die terug volledig verzoenbaar is met de basisbeginselen van het verbintenissenrecht. De regeling beschermt de contractuele economie beter dan het samenloopverbod, want het contract zal enkel volledig genegeerd kunnen worden wanneer de benadeelde getroffen is in zijn fysieke of psychische integriteit of schade lijdt als gevolg van een opzettelijke fout. De onbillijke gevolgen van het samenloopverbod (denk aan A die bij faillissement van B geen aansprakelijkheidsvordering kan instellen tegen hulppersoon C) zijn niet meer.

Ik voorspel bovendien dat de nieuwe regels in de praktijk geen aardverschuiving zullen veroorzaken. Contractspartijen zullen zoals van oudsher in hoofdzaak een beroep doen op het contractuele aansprakelijkheidsrecht. Bij inschakeling van een hulppersoon C zal het eerste aanspreekpunt voor A de hoofdschuldenaar B blijven. Waarom zouden ze een beroep doen op het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht als de bijzondere wetgeving en de contractuele clausules van toepassing blijven? Ik voorspel ook dat de nieuwe regels op termijn zullen leiden tot een vereenvoudiging van het contractenrecht. Heel wat constructies die we hebben moeten uitvinden in het contractenrecht omdat we niet gewoon artikel 1382 oud BW konden toepassen tussen medecontractanten zullen overbodig blijken. Denk aan de aanvullende werking van de goede trouw, waarvoor we in de toekomst gewoon terug de algemene zorgvuldigheidsnorm kunnen toepassen om hetzelfde resultaat te bereiken.

Bron: KU Leuven