Summer Deal
‘Het nieuwe verbintenissenrecht & koop/verkoop’

6 webinars on demand

Summer Deal
‘Handel & Consument’

6 webinars on demand

Summer Deal
‘Bouw – Actualia’

7 webinars on demand

Summer Deal
‘Het nieuwe goederenrecht’

6 webinars on demand

Het nieuwe verbintenissenrecht

Webinar on demand

De koop anno 2021 and beyond – Inclusief publicatie

Webinar on demand

Nieuwe cassatierechtspraak over de toepassing van nieuwe wetten op lopende contracten (Corporate Finance Lab)

Auteur: Thijs Vancoppernolle (Corporate Finance Lab)

1.

De wetgever heeft de laatste jaren behoorlijk wat gesleuteld aan het contractenrecht. Soms nam hij daarbij de tijd om uitdrukkelijk te regelen in welke mate de wetswijziging in kwestie van toepassing is op lopende contracten. De praktijk prijst zich dan doorgaans gelukkig. Even goed zijn er echter gevallen waarin de wetgever die vraag niet – of onvolledig – beantwoordt. In die gevallen moet men teruggrijpen naar het zogenaamde algemeen intertemporeel recht.

2.

Tot voor kort golden er in het algemeen intertemporeel contractenrecht grosso modo drie basisregels:

  • Regel 1: in principe is de nieuwe wet niet van toepassing op lopende contracten, maar blijft de oude wet daarop van toepassing.
  • Regel 2: is de nieuwe wet echter dwingend of raakt ze de openbare orde, dan is ze toch van toepassing op lopende contracten.
  • Regel 3: de geldigheid van een contract of van een contractueel beding blijft nochtans beheerst door de wet die van kracht was ten tijde van de contractsluiting. Deze regel omvat twee aspecten: (i) contracten/clausules die geldig waren ten tijde van de contractsluiting, blijven geldig, ook na de inwerkingtreding van een wet op grond waarvan die contracten/clausules ongeldig zouden worden, en (ii) contracten/clausules die ongeldig waren ten tijde van de contractsluiting, blijven ongeldig, ook na de inwerkingtreding van een wet op grond waarvan die contracten/clausules geldig zouden worden.

Deze basisregels zijn ontwikkeld in de rechtspraak,[1] maar de wetgever is van plan om ze te codificeren in het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Het Wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek[2] bevat inderdaad de volgende bepaling:

“Art. 1.2. Toepassing van de wet in de tijd

[…]

In afwijking van het tweede lid, blijft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten.

De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming.”

3.

In een arrest van 22 november 2021[3] heeft het Hof van Cassatie de bovenstaande regels echter deels bijgesteld.

De zaak ging over de opheffing van het KB van 29 januari 2007[4]. Dat KB van 2007 bevatte de vereisten inzake beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van “zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming”. Elke aannemer moest aan de relevante vereisten voldoen, en dit op straffe van nietigheid van de door die aannemer gesloten aannemingsovereenkomsten.

Het KB van 2007 werd echter opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2018[5], dat aldus een nietigheidsgrond voor aannemingsovereenkomsten wegnam. De appelrechter was van oordeel dat deze opheffing ook gold voor overeenkomsten die vóór de opheffing waren gesloten en dat het sinds het besluit van 19 oktober 2018 dus niet meer mogelijk was om de nietigheid van die overeenkomsten wegens niet-naleving van het KB van 2007 in te roepen. Dat oordeel was verrassend, omdat het inging tegen basisregel 3 (‘contracten die ongeldig waren bij de contractsluiting, blijven ongeldig’).

Allicht hadden velen dan ook verwacht dat de uitspraak gecasseerd zou worden. Het Hof van Cassatie verwierp echter het cassatieberoep (eigen nadruk):

“1. […] Inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing ervan voorschrijft op de lopende overeenkomsten. Indien de geldigheid van de overeenkomst dient te worden beoordeeld op grond van de op het ogenblik van haar totstandkoming toepasselijke wet, dan is de uitvoering ervan slechts mogelijk binnen de perken gesteld door een latere dwingende wet. Indien een latere wet de geldigheidsvoorwaarden van de vroegere wet afschaft of versoepelt, dan kan de nietigheid op grond van de vroegere wet niet meer worden gevorderd.

2. De appelrechter die oordeelt dat de nietigheid van de overeenkomst op grond van de niet-naleving van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 niet meer kan worden gevorderd aangezien dit besluit achteraf werd opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 19 oktober 2018, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.”

4.

Het Hof komt dus in algemene termen terug op de beide[6] aspecten van basisregel 3:

  • Wanneer de wetgever een nietigheidsgrond wegneemt, dan kan die nietigheidsgrond volgens het Hof niet meer worden ingeroepen, ook niet voor lopende overeenkomsten.
  • Omgekeerd: contracten/clausules die destijds geldig waren, mogen volgens het Hof slechts worden uitgevoerd binnen de grenzen gesteld door de nieuwe wet.

O.i. is die koerswijziging welgekomen. Ondergetekende heeft in zijn proefschrift kritiek geuit op de oude stelregel dat geldige bedingen steeds geldig zouden blijven en dat ongeldige bedingen steeds ongeldig zouden blijven.[7] In de mate waarin men aanvaardt dat een nieuwe wet van toepassing is op lopende overeenkomsten (nota bene: over die mate heeft uw dienaar weliswaar andere opvattingen dan het Hof van Cassatie)[8], moet men m.i. inderdaad ook aanvaarden dat die toepassing er in voorkomend geval voor zorgt dat een geldig beding ongeldig kan worden en een ongeldig beding geldig.

5.

Die nieuwe rechtspraak heeft zonder twijfel belangrijke gevolgen voor het intertemporeel contractenrecht, en die gevolgen zullen zich meteen in verschillende dossiers concreet laten voelen.

Het meest actuele voorbeeld is de wet van 14 augustus 2021 tot wijziging van de wet betreffende de betalingsachterstand in handelstransacties[9], die in werking trad op 1 februari 2022. Die wet voerde o.a. een algemene maximale betalingstermijn van 60 dagen in voor handelstransacties. De wet zelf bevat geen overgangsbepalingen en ook de parlementaire voorbereiding vermeldt niets over het intertemporele toepassingsgebied ervan. Onder de oude cassatierechtspraak zouden bestaande bedingen met betalingstermijnen van meer dan 60 dagen die onder het oude recht geldig waren, ook na 1 februari 2022 nog geldig gebleven zijn. Past men het arrest van 22 november 2021 toe, dan zullen die bedingen vanaf 1 februari 2022 alsnog beïnvloed worden door de nieuwe wet (al kan er nog wel wat discussie bestaan over de vraag wat dat dan precies betekent)[10]. Dat heeft de minister ondertussen trouwens ook erkend.[11]

6.

Met zijn arrest van 22 november 2021 is het Hof van Cassatie een nieuwe koers ingeslagen in het intertemporeel contractenrecht. Er zullen weliswaar nog verschillende vragen rijzen over de precieze betekenis van het arrest,[12] maar het toont op zijn minst aan dat het Hof van Cassatie bereid is om zijn klassieke dogma’s uit het intertemporeel recht kritisch te evalueren en zelfs bij te stellen. Panta rhei, zo blijkt, ook in het intertemporeel recht. En gelukkig maar.

Bron: Corporate Finance Lab

[1]     Zie bv.: Cass. 28 februari 2003, AR C.00.0603.N; Cass. 17 september 2004, AR C.02.0282.N; Cass. 15 september 2005, Arr.Cass. 2005, 1645; Cass. 4 februari 2021, AR C.20.0399.F. Zie ook: Cass. 5 september 2019, AR C.18.0284.N.

[2]     Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 55-1805/001.

[3]     Cass. 22 november 2021, AR C.21.0046.N.

[4]     KB 29 januari 2007 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming, BS 27 februari 2007, 9.286.

[5]     B.Vl.Reg. 19 oktober 2018 tot opheffing van het koninklijk besluit van 21 december 1974 tot bepaling van de eisen tot uitoefening van de beroepswerkzaamheid van installateur-frigorist in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen en het koninklijk besluit van 29 januari 2007 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming, BS 23 november 2011, 89.804.

[6]     Ook al was in casu maar één van beide aspecten aan de orde.

[7]     Zie: T. Vancoppernolle, Intertemporeel recht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 670-676, nr. 647.

[8]     Volgens het Hof van Cassatie zijn alle dwingende wetten/wetten van openbare orde van toepassing op lopende contracten (basisregel 2). M.i. gaat dat echter te ver. In mijn proefschrift heb ik verdedigd dat alleen dwingende wetten/wetten van openbare orde met betrekking tot de bijkomstige elementen van het contract van toepassing zijn op lopende contracten (tenzij de wetgever iets anders bepaalt) en dit enkel voor zover het intertemporele aanknopingscriterium zich voordoet onder de nieuwe wet (zie: T. Vancoppernolle, Intertemporeel recht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 656 e.v., nrs. 636 e.v.). Het intertemporele aanknopingscriterium is het feit dat relevant is om de rechtstoestand te lokaliseren in de tijd, bv. het moment waarop een contractuele wanprestatie wordt gepleegd, of het moment waarop de overeenkomst wordt opgezegd, enz. Welk feit precies als aanknopingscriterium moet worden gehanteerd, moet m.i. worden bepaald in functie van de rechtmatige verwachtingen van de partij die nadeel heeft bij de specifieke wetswijziging in kwestie (zie daarover: T. Vancoppernolle, Intertemporeel recht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 153 e.v., nrs. 168 e.v., 580 e.v., nrs. 542 e.v. en 666-667, nr. 641).

[9]     Wet 14 augustus 2021 tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, BS 30 augustus 2021, 91.941.

[10]    Men kan zich bijvoorbeeld de vraag stellen wat het aanknopingscriterium (zie vn. 8) dan precies is, en met name of de wet ook van toepassing is in gevallen waarin de schuldenaar de factuur al had ontvangen vóór de inwerkingtreding.

Een andere vraag is wat precies het gevolg is voor die bestaande betalingstermijnen. Onder het nieuwe regime worden bedingen met betalingstermijnen die het maximum van 60 dagen overschrijden, in principe voor niet geschreven gehouden en wordt de te lange conventionele termijn vervangen door de suppletieve betalingstermijn van 30 dagen. De vraag is nu of het arrest van 22 november 2021 impliceert dat die oplossing ook onverkort geldt voor bestaande bedingen in lopende overeenkomsten, dan wel of de betalingstermijnen in bestaande bedingen louter moeten worden gereduceerd tot het maximum van 60 dagen. Wij zijn geneigd die laatste oplossing aan te nemen. In het arrest van 22 november 2021 herhaalt het Hof immers dat de geldigheid van een overeenkomst op zich nog steeds moet worden beoordeeld op grond van de wet die van kracht was ten tijde van haar totstandkoming. De nieuwe wet beperkt volgens het Hof louter de uitvoering van de overeenkomst, in die zin dat de bestaande bedingen enkel kunnen worden afgedwongen binnen de perken van de nieuwe wet. Anders gezegd: de bestaande bedingen blijven geldig, maar ze worden gereduceerd tot wat de nieuwe wet maximaal toelaat (d.i. 60 dagen).

[11]    Hand. Kamer Commissie voor Economie, Consumentenbescherming en Digitale Agenda 2021-22, 2 februari 2022, nr. CRIV 55-COM 682, 1 (“01.01 Kathleen Verhelst (Open Vld): […] Geldt deze wet voor de toekomstige overeenkomsten vanaf 1 februari of geldt die ook voor overeenkomsten die voor 1 februari werden gesloten? Wij hebben de rechtspraak van het Hof van Cassatie van november geconsulteerd om zelf een oplossing te vinden. Het zou ook gelden voor de lopende contracten. […] 01.02 Minister Pierre-Yves Dermagne: Aangezien de wettekst geen specifieke regelgeving bevat, is deze dwingende wetgeving onmiddellijk van toepassing op lopende overeenkomsten.”).

[12]    Zoals de vraag naar de precieze intertemporele aanknopingscriteria (zie ook vn. 10).

Een andere vraag heeft betrekking op de manier waarop het Hof basisregel 2 verwoordt. Hoewel daarover vroeger discussie heeft bestaan, aanvaardde het Hof van Cassatie de laatste jaren dat ook dwingende wetten (en niet alleen wetten van openbare orde) van toepassing zijn op lopende contracten (zie daarover: T. Vancoppernolle, Intertemporeel recht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 62-63, nr. 60, vn. 149-150). Nochtans zegt het Hof in het arrest van 22 november 2021 slechts: “Inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing ervan voorschrijft op de lopende overeenkomsten.” Een eenvoudige vergetelheid of moet er meer achter worden gezocht?