Erfpacht, opstal en mede-eigendom
bekeken door een fiscale bril

Mr. Esther Everaert en mr. Lizelotte De Maeyer (Stibbe)

Webinar op vrijdag 24 november 2023


De bouwpromotieovereenkomst:
een contract met vele gezichten
Een analyse aan de hand van 10 vragen

Prof. dr. Ralph De Wit (VUB) en mr. Steve De Cauwer (De Groote-De Man)

Webinar op donderdag 19 oktober 2023


De gevolgen van het contract voor derden
Een analyse na de inwerkingtreding van Boek 5
(Incl. boek)

Prof. dr. Vincent Sagaert (KU Leuven / Eubelius)

Webinar op dinsdag 12 september 2023

Het niet-concurrentiebeding in overeenkomsten tussen zelfstandigen (Van Steenbrugge Advocaten)

Auteur: Elisah Vanhecke (Van Steenbrugge Advocaten)

Betekenis en belang van een niet-concurrentiebeding

Een onderneming-opdrachtgever kan er belang bij hebben om een niet-concurrentiebeding op te nemen in de overeenkomsten die zij sluit met zelfstandige dienstverleners.

Indien contractueel niets wordt geregeld, geldt immers het principe van de vrijheid van ondernemen wat concreet inhoudt dat de zelfstandige dienstverlener concurrentiële activiteiten mag uitoefenen (voor eigen rekening of voor andermans rekening, bijvoorbeeld voor een rechtstreekse concurrent van de opdrachtgever). Dit weliswaar mits naleving van de eerlijke marktpraktijken (oneerlijke concurrentie is steeds verboden).

Om te vermijden dat de zelfstandige dienstverlener het cliënteel van de opdrachtgever rechtstreeks zou benaderen en afwerven, is het raadzaam voor de opdrachtgever om een niet-concurrentiebeding overeen te komen.

Geldigheidsvereisten

Tussen zelfstandigen is het niet-concurrentiebeding niet wettelijk geregeld (met uitzondering van de handelsagentuur). Volgens de rechtspraak gelden wel een aantal geldigheidsvereisten waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van een niet-concurrentiebeding.

Die geldigheidsvereisten hebben tot doel een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de opdrachtgever (bescherming van het cliënteel) en de belangen van de zelfstandige dienstverlener (de vrijheid van ondernemen).

Meer in het bijzonder gelden volgende beperkingen (geldigheidsvereisten):

Beperking in de tijd

De periode waarvoor het niet-concurrentiebeding na beëindiging van de samenwerking geldt, dient uitdrukkelijk bepaald te worden (bijvoorbeeld gedurende 1 jaar).

De maximale duur van het concurrentieverbod varieert naargelang de concrete omstandigheden (de betrokken sector, de duur van de samenwerking, …) en dient proportioneel te zijn. Indien de samenwerking bijvoorbeeld betrekking heeft op een opdracht van 3 maanden, zal een concurrentieverbod van 1 jaar mogelijk disproportioneel zijn (hoewel dit steeds afhangt van de overige concrete omstandigheden).

Territoriale beperking

Het niet-concurrentiebeding moet ook beperkt zijn tot een bepaald geografisch gebied, rekening houdend met het rechtmatig belang van de opdrachtgever.

Indien de opdrachtgever bijvoorbeeld geen activiteiten voert in Italië (en daar ook geen voorbereidingen toe heeft getroffen) zal een concurrentieverbod dat ook van toepassing is in Italië als ongeldig worden beschouwd (aangezien de opdrachtgever geen rechtmatig belang voor een dergelijk verbod kan aantonen).

Beperking wat betreft de activiteiten

De tijdelijk verboden activiteiten moeten betrekking hebben op de activiteiten die de zelfstandige dienstverlener uitvoerde voor de opdrachtgever.

Gevolgen ongeldig niet-concurrentiebeding

Indien het concurrentieverbod te verregaand is, kan de rechter het beding nietig verklaren en het dus buiten werking stellen.

Om het voordeel van een ongeldig concurrentieverbod niet geheel te verliezen (door nietigverklaring) is het raadzaam om er in op te nemen dat indien het beding de toepasselijke wettelijke beperkingen zou overschrijden, de partijen er zich van onthouden de nietigheid te vorderen en het beding zal worden gematigd tot hetgeen wettelijk maximaal toegelaten is.

Gevolgen schending niet-concurrentiebeding

In geval van de schending van een niet-concurrentiebeding is het vaak moeilijk om de daardoor geleden schade te bewijzen en te begroten.

Voor de opdrachtgever is het dan ook raadzaam om in het niet-concurrentiebeding een (niet buitensporige) forfaitaire (vaste) schadevergoeding op te nemen die zal verschuldigd zijn in geval van inbreuk. Dit onder het voorbehoud dat indien de werkelijk geleden schade hoger ligt dan de forfaitair bepaalde schadevergoeding, een hogere schadevergoeding kan gevorderd worden. Dit zal meteen ook een stimulans vormen voor de zelfstandige dienstverlener om het niet-concurrentiebeding na te leven.

Bron: Van Steenbrugge Advocaten

» Bekijk alle artikels: Verbintenissen & Goederen