Het nieuwe Boek 6 en de impact
voor de bouw- en vastgoedsector:
10 aandachtspunten

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 23 april 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Vereffening-verdeling van nalatenschappen:
16 probleemstellingen

Mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)

Webinar op vrijdag 26 april 2024


Bouwteam(overeenkomsten):
een praktijkgerichte analyse

Mr. Michael Thielens (MT Law)

Webinar op vrijdag 15 maart 2024


Consumentenbescherming bij de verwerving
van financiële diensten: de laatste ontwikkelingen (optioneel met handboek)

Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Webinar op donderdag 30 mei 2024


Buitencontractuele aansprakelijkheid:
het nieuwe boek 6 is een feit

Prof. dr. Ignace Claeys en prof. dr. Thijs Tanghe (Eubelius)

Webinar op dinsdag 5 maart 2024

De impact van boek 5 BW op de schenking onder ontbindende voorwaarde (Deloitte Legal)

Auteur: Deloitte Legal

Dikwijls worden aan schenkingen ontbindende voorwaarden verbonden. Daarmee zorgt de schenker ervoor dat het geschonken goed naar hem terugkeert in de omstandigheden waarin hij dit wenst. Bijvoorbeeld indien de begiftigde vóór de schenker zou overlijden.

Onder het oud Burgerlijk Wetboek (BW) heeft deze ontbindende voorwaarde retroactieve werking. Het nieuwe verbintenissenrecht bepaalt dat de vervulling van de ontbindende voorwaarde voortaan enkel voor de toekomst uitwerking krijgt.

Wat de gevolgen van deze wijziging zijn bespreken we in deze newsflash.

Afschaffing van de retroactieve werking

Waarom deze afschaffing? De retroactiviteit is misleidend en kunstmatig. De vervulling van de ontbindende voorwaarde mag het contract niet uitwissen met ingang van zijn totstandkoming. De vervulling van de ontbindende voorwaarde werkt daarom voortaan van rechtswege en enkel voor de toekomst (art. 5.147, eerste lid BW). Omdat het geschonken goed dan naar de schenker moet terugkeren, heeft de begiftigde een wettelijke restitutieplicht (art. 5.147, tweede lid BW).

Het nieuwe verbintenissenrecht legt de begiftigde daarom een onthoudingsplicht op: hij mag hangende de voorwaarde (pendente conditione) geen handeling stellen die afbreuk kan doen aan de rechten die voor de schenker voortvloeien uit de vervulling van de voorwaarde (art. 5.146, § 1 BW). Wat echter als de begiftigde zich daar niet aan houdt, en het geschonken goed in die periode toch vervreemdt of met zakelijke lasten bezwaart? Dergelijke handelingen zijn dan de schenker niet-tegenwerpelijk: ze verhinderen de terugkeer niet (art. 5.146, § 2 BW).

De derde-verkrijger moet die terugkeer dus ondergaan. Het nieuwe verbintenissenrecht verleent hem evenwel bescherming als hij te goeder trouw is (art. 5.146, § 2 eerste zinsdeel BW), d.w.z. dat hij niet wist of moest weten dat de begiftigde slechts eigenaar onder ontbindende voorwaarde was. Stel dat het om een onroerend goed gaat, en dat de begiftigde het aan een derde heeft verkocht. Hiervoor is een notariële akte vereist. De notaris hoort bij de vermelding van de eigendomstitel van de begiftigde ook op de ontbindende voorwaarde te wijzen. De koper kan daar dan niet onwetend over zijn. Bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde kan de koper de bescherming als derde-verkrijger te goeder trouw dus niet genieten. Het geschonken goed zal naar de schenker terugkeren. De koper heeft dan wel, ter dekking van zijn verlies, verhaal tegen de begiftigde-verkoper aan wie hij de prijs heeft betaald.

Stel dat het om een roerend goed gaat, bijv. de schenking van een kunstwerk via handgift. Daaraan kan in een pacte adjoint een ontbindende voorwaarde zijn bedongen. De vervulling van de ontbindende voorwaarde verplicht de begiftigde evengoed tot restitutie. Heeft hij echter pendente conditione het kunstwerk verkocht, dan rijst de vraag of de koper te goeder trouw is of niet. Wist hij of moest hij weten dat de begiftigde-verkoper slechts eigenaar onder ontbindende voorwaarde was? Het is best mogelijk dat de verkoper daar niets over gezegd heeft. Dan is de koper te goeder trouw. Hij is beschermd tegen de restitutievordering van de schenker, zo bepaalt artikel 3.28, § 1, eerste lid BW, dat sinds 1 september 2021 het vroegere artikel 2279 oud BW vervangt. Hij heeft immers onder bezwarende titel zijn eigendomsrecht verkregen op een roerend goed van een beschikkingsonbevoegde persoon. Hierdoor is hij eigenaar geworden, van zodra hij het ongestoord en ondubbelzinnig bezit van het kunstwerk heeft verkregen (‘instant-verjaring’).

Artikel 4.172 BW en het conventioneel recht van terugkeer

Het conventioneel recht van terugkeer (art. 4.172 BW) dat bij iedere schenking kan worden bedongen, is niets anders dan een mogelijke variant van de ontbindende voorwaarde van vooroverlijden van de begiftigde. Het giftenrecht bepaalt verder dat het recht van terugkeer tot gevolg heeft dat alle vervreemdingen van het geschonken goed worden tenietgedaan en dat dit goed tot de schenker terugkeert vrij van alle lasten en hypotheken (art. 4.172, § 2 BW).

Deze regel moet samen worden gelezen met de artikelen 5.146 en 3.28 BW. Ook bij een conventionele terugkeer geldt de bescherming van derden te goeder trouw, zoals toegelicht.

Gevolg van de restitutieplicht op de omvang van de nalatenschap

Onder het nieuwe verbintenissenrecht werkt de vervulling van de ontbindende voorwaarde van rechtswege en enkel voor de toekomst. Is de vervulling van de ontbindende voorwaarde afhankelijk van het overlijden van de begiftigde, dan ontstaat de wettelijke restitutieplicht door dit overlijden. Naar analogie met het beding van aanwas, gaat de ontbindende voorwaarde in vervulling op het tijdstip van overlijden, net voor het openvallen van de nalatenschap. Er verloopt een theoretische seconde tussen de vervulling van de ontbindende voorwaarde en het openvallen van de nalatenschap. Het geschonken goed verdwijnt uit de nalatenschap vooraleer de omvang ervan kan worden bepaald. De erfgenamen erven dat goed niet. Ze zullen daarop ook geen erfbelasting verschuldigd zijn.

Toepassing in de tijd

Hieruit blijkt dat de vervulling van een ontbindende voorwaarde onder het nieuwe verbintenissen-, goederen- en giftenrecht zeer vergelijkbare effecten heeft als degene die het oud BW daaraan verbond. De nieuwe regels zijn niet van dwingend recht. Partijen mogen ervan afwijken. Wij betwijfelen ten zeerste het nut van een dergelijke afwijking. We vrezen voor onduidelijkheid die zou rijzen als de retroactieve werking van de vervulling van de ontbindende voorwaarde conventioneel zou worden ingevoerd.

Overigens blijven schenkingen die vóór 1 januari 2023 plaatsvonden (d.i. voor de datum van inwerkingtreding van het nieuwe verbintenissenrecht) en hun gevolgen onderworpen aan het verbintenissenrecht van het oud BW. Voor die oude schenkingen behoudt de ontbindende voorwaarde haar retroactieve werking, ook als die voorwaarde pas wordt vervuld vanaf 1 januari 2023.

Besluit

Het oud BW kende aan de vervulling van de ontbindende voorwaarde retroactieve werking toe. Het nieuwe verbintenissenrecht heeft die
retroactieve werking afgeschaft.

Indien een schenker aan zijn schenking een ontbindende voorwaarde heeft verbonden, heeft de vervulling daarvan uiteraard wel tot gevolg dat de begiftigde tot restitutie verplicht is. Het geschonken goed keert van rechtswege naar de schenker terug. Daarom bepaalt het nieuwe verbintenissenrecht dat de begiftigde zich pendente conditione moet onthouden van elke handeling die afbreuk kan doen aan die terugkeer.

Als de begiftigde deze onthoudingsplicht niet naleeft, dan is de betrokken handeling niet-tegenwerpelijk aan de schenker. Dergelijke handeling verhindert de terugkeer van het geschonken goed naar de schenker dus niet, tenzij de derde-verkrijger te goeder trouw was en tegen die vordering beschermd wordt.

Indien de ontbindende voorwaarde wordt vervuld wegens het vooroverlijden van de begiftigde, zal het geschonken goed niet in zijn nalatenschap zitten. Eigenlijk is er dus wat het effect van de vervulling van een ontbindende voorwaarde betreft, niets fundamenteels veranderd.

Bron: Deloitte Legal