Drafting agreements in English: mastering the consequences

Webinar op 11 mei 2023

Algemene voorwaarden
anno 2023:
20 problematische standaardclausules

Webinar op 23 maart 2023

Schenkingen:
een analyse na 2022

Webinar op 7 maart 2023

Het verbintenissenrecht
anno 2023:
12 actuele kernvragen
(Incl. handboek)

Webinar op 7 februari 2023

Appartementsrecht :
een update in het licht van recente evoluties
(Incl. ‘Handboek Goederenrecht’)

Webinar op 10 februari 2023

Valse contracten? Kanttekeningen inzake contracten en simulatie in fiscalibus

Webinar op 25 mei 2023

De (dis)harmonie tussen onrechtmatige bedingen in het nieuwe verbintenissenrecht en de B2B-wet (Crivits & Persyn)

Auteurs: Vanessa Ramon en Eveline Lesage (Crivits & Persyn)

Het nieuwe verbintenissenrecht voert met artikel 5.52 van het Burgerlijk Wetboek een algemene regeling voor onrechtmatige bedingen in. Deze zal van toepassing zijn op alle contracten afgesloten na 1 januari 2023. Het Wetboek van Economisch Recht voorziet al in specifieke wetgeving daarover in contracten tussen ondernemingen en consumenten (B2C-wet) en tussen ondernemingen onderling (B2B-wet). Als regelgevingen naast elkaar bestaan, rijst onvermijdelijk de vraag hoe de ene zich tot de andere verhoudt. In dit artikel vergelijken we de wettelijke regeling van de B2B-wet, die in werking is sinds 1 december 2020, en artikel 5.52 BW aan de hand van een overzichtelijk schema. (De B2C-wet laten we hier buiten beschouwing.)

Achtergrond

De wetgever acht het vooreerst verantwoord om een algemene regeling over onrechtmatige bedingen in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek op te nemen omdat het contractenrecht in andere landen evolueert in de richting van een algemeen verbod op onrechtmatige clausules. Bovendien merkte de wetgever op dat het weleens strijdig zou kunnen zijn met het gelijkheidsbeginsel dat onrechtmatige bedingen in B2B- en B2C-contracten verboden zijn, terwijl ze in bijvoorbeeld C2C-contracten in principe geldig zijn.

Artikel 5.52 BW en artikelen VI.91/1 e.v. van de B2B-wet beogen eenzelfde doelstelling, namelijk het remediëren aan een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van contractpartijen. Het is de bedoeling de zwakkere partij te beschermen, zonder echter al te veel in te grijpen in de contractvrijheid van de partijen.

Wat kan in de praktijk onder zo’n onrechtmatig beding vallen? Een verkoper van een machine wil bijvoorbeeld de koper laten aftekenen dat die zelfs bij een zware fabricagefout niet terug kan gaan naar de verkoper, en daardoor opgezadeld zit met een slecht functionerende machine. Of nog: een aannemer beslist zelf hoe, wanneer en met hoeveel hij zijn prijs tijdens de werken aanpast. En wat met een earn out-regeling bij verkoop van aandelen, waarbij de verkoper voor een deel van zijn prijs afhankelijk is van de bedrijfsresultaten van zijn verkocht bedrijf, waar hij dus geen impact meer op heeft? Of een optie tot verkoop van een onroerend goed of aandelen tegen een vaste prijs? Wordt in die laatste gevallen niet het economisch risico op verlies of een slecht resultaat op een contractspartij gelegd, waar dat normaal gezien bij de andere zou moeten liggen zodra of zolang die er eigenaar van is?

Toepassingsgebied

Waar de B2B-wet enkel van toepassing is op contracten tussen ondernemingen, is artikel 5.52 BW altijd van toepassing, ongeacht de hoedanigheid van de partijen. Er bestaan nog steeds verschillende ondernemingsbegrippen. Voor de B2B-wet gaat het om ‘iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen’ (artikel I.8, 39° WER). Een VZW die in de zomer één keer een barbecue organiseert om haar kas te spijzen zal daar niet onder vallen, maar een VZW die een maatwerkbedrijf runt wel.

De B2B-wet viseert alle contractuele clausules, of daar nu (zwaar) over onderhandeld werd of niet, terwijl artikel 5.52 BW enkel bescherming biedt tegen onrechtmatige bedingen waarover niet onderhandeld kan worden. Let wel, dit gaat verder dan standaard toetredingscontracten; het laat een opening voor een partij die voor het blok wordt gezet en waarop ongeoorloofde druk wordt gezet om een clausule te aanvaarden. Dat wil echter niet zeggen dat goed onderhandelen voortaan ongeoorloofd wordt.

Verder is de B2B-wet van toepassing op alle contracten die gesloten, verlengd of gewijzigd zijn na 1 december 2020. Artikel 5.52 BW zal van toepassing zijn op alle contracten afgesloten na 1 januari 2023. Er is bewust voor gekozen om het oude burgerlijk recht maximaal te laten doorwerken op contracten die voordien zijn afgesloten. Zelfs een addendum afgesloten na 1 januari 2023 zal niet onder artikel 5.52 BW vallen als de partijen dat niet expliciet zo zijn overeengekomen.

Tot slot bevat artikel 5.52 BW de algemene regel (lex generalis), zodat de B2B-wet als bijzondere wet (lex specialis) primeert. Met andere woorden, als een contract onder de B2B-wet valt, moet/kan het in principe niet meer getoetst worden aan artikel 5:52 BW.

Onderstaand schema vergelijkt beide regelingen met elkaar:

Bekijk hier het schema.

De regelingen zijn dus gelijkaardig, maar niet identiek. De voorspelbare vraag werd al gesteld, namelijk of het deel over onrechtmatige bedingen in de B2B-wet nog steeds zinvol is of zal zijn met het artikel 5.52. BW. De academische twisten daarover zijn al gestart, niet in het minst onder impuls van de eigen wetgever, die bij de invoering van artikel 5.52 BW liet opmerken:

‘Het zal aan de wetgever zijn om, in het licht van de voorziene evaluatie van de wet van 4 april 2019 en de beoordeling ervan door de doctrine, te beslissen of deze wet [B2B-wet] moet worden gehandhaafd dan wel of de belangen van de vennootschappen [sic] niet al voldoende worden beschermd door de algemene bepaling die in Boek 5 is ingevoegd.’

Wie het graag eenvoudig heeft, is eraan voor de moeite. Wie graag details uitpluist en achterpoortjes zoekt, gaat gouden tijden tegemoet.

Een uitgebreide uiteenzetting over dit onderwerp heeft mr. Vanessa Ramon met medewerking van mr. Eveline Lesage op 29 augustus 2022 gegeven in een webinar, ook on demand beschikbaar: ‘De impact van drie recente belangrijke wetten op iedere rechtspersoon (vennootschap of VZW), meer bepaald het nieuwe goederenrecht (boek 3 BW), de B2B-wetgeving en het nieuwe verbintenissenrecht (boek 5 BW), georganiseerd door Intersentia in samenwerking met Legal Learning.

Bron: Crivits & Persyn