Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen
Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)
Webinar op donderdag 24 september 2026
Wet Breyne: de laatste ontwikkelingen
in (komende) wetgeving en rechtspraak
Prof. dr. Kristof Uytterhoeven
(Caluwaerts Uytterhoeven)
Webinar op dinsdag 26 mei 2026
Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW
Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)
Webinar op vrijdag 5 juni 2026
AI in de zorgsector:
hinderen de regels ons nog?
(gratis webinar)
Dr. Nele Somers en mr. Julie Petersen (Artes Advocaten)
Gratis webinar op dinsdag 10 maart 2026
Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen
Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)
Webinar op vrijdag 27 maart 2026
Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen
Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)
Webinar op donderdag 2 juli 2026
Contracteren: over pragmatiek, goede trouw en de rol van artificiële intelligentie (Van Havermaet)
Auteur: Jan Geuens (Van Havermaet)
Partijen die betrokken zijn bij onderhandelingen met het oog op een overeenkomst, hebben meestal elk hun eigen belangen, standpunten en doelstellingen. Daarbij ontwikkelen ze ook een strategie om die doelstelling te bereiken. Om tot een akkoord te komen, is het van belang dat elke partij stappen kan zetten in de richting van de andere partij. Zo bereiken ze een resultaat dat aanvaardbaar is voor elke partij, maar ook niet te ver afligt van de persoonlijke wensen. Maar hoe realiseer je dat in de praktijk? Welke rol vervult elke partij? En wat kan artificiële intelligentie betekenen in dit proces?
1. Adviseur gevraagd
De tussenkomst van een adviseur bij het begeleiden van zo’n onderhandelingsproces kan een akkoord tussen partijen maken of kraken. Dat is voor een jurist niet anders. Binnen de juridische advisering is het belangrijk om het (theoretisch) juridisch-wetgevend kader overeen te laten stemmen met de zoektocht van partijen naar een, vaak pragmatisch, aanvaardbaar akkoord waarin elke partij zich kan vinden.
De jurist moet daarom niet alleen de wetgeving en rechtspraak kennen en implementeren, maar ook de context van het voorliggende dossier begrijpen, de bedoeling van partijen achterhalen en de belangen van alle personen rond de tafel samenbrengen om zo tot een overeenkomst te komen. Zijn rol bestaat er dus enerzijds in om zijn klant te kennen en te weten welke belangen hij nastreeft bij het realiseren van een transactie, maar ook welke onderwerpen voor hem minder essentieel zijn. Die moeten dan vertaald worden naar de tegenpartij. Anderzijds zal de adviseur ook trachten een inzicht te krijgen in de verzuchtingen van de tegenpartij.
Vervolgens moet hij het bereikte akkoord verwerken in een document. En dat op een manier die toelaat om uit de voorliggende juridische tekst ook daadwerkelijk de bedoeling van partijen én het bereikte akkoord af te leiden. Zoals verder toegelicht, speelt de wil van de partijen immers een belangrijke rol bij de interpretatie van de overeenkomst bij een onduidelijkheid of discussie. Bovendien zal de wil van de partijen, samen met de goede trouw, een aanvullende rol spelen voor onderwerpen die in de overeenkomst niet behandeld werden, maar in de uitvoering wel van belang blijken te zijn.
Na het zetten van de handtekeningen komt het werkelijke slotakkoord: de uitvoering van de overeenkomst door elke partij. Het kan zijn dat die individuele partijen daarbij, korte of langere tijd na het ondertekenen van het contract, opnieuw hun eigen belangen en verlangens laten primeren. De wijze van opstelling van de overeenkomst bepaalt hoeveel vrijheid de partijen hebben om aan de contractuele clausules een eigen invulling en interpretatie te geven.
In een ideale situatie, en gelukkig is dat het meest voorkomende geval, ontstaat er geen discussie tussen partijen en verloopt de uitvoering vlekkeloos, zonder discussies of geschillen.
Het gebeurt, weliswaar minder frequent, dat partijen toch de eigen belangen laten primeren, of dat zij oprecht een andere invulling geven aan datgene wat op papier werd gezet: “Dat had ik anders begrepen!”.
Erg recent – 30 november 2022 – lanceerde OpenAI haar chatbot ChatGPT. Het zorgde daarmee voor een aardverschuiving. The New York Times omschreef het als “de beste chatbot met artificiële intelligentie die ooit is uitgebracht voor het grote publiek” en The Guardian titelde dat deze chatbot “indrukwekkend gedetailleerde” en “menselijke” teksten genereert. De lancering ervan zou onze manier van werken en denken en onze creativiteit dan ook wel eens drastisch kunnen wijzigen. Dat geldt ook voor de invulling van vele jobs, waaronder die van juridisch adviseurs. De vraag stelt zich dan ook of artificiële intelligentie (AI) een waardig alternatief kan vormen voor juridische professionals bij het onderhandelen, tot stand doen komen en uitvoeren van overeenkomsten.
In deze tekst gaan we dieper in op de rol van elke betrokken partij in het onderhandelingsproces: de partijen zelf, hun adviseurs, en eventueel ook AI.
2. Te goeder trouw onderhandelen – Precontractuele verplichtingen
De wetgever besteedt, zowel in oudere wetgeving als in het nieuwe Burgerlijk Wetboek dat in werking trad op 1 januari 2023, uitdrukkelijk aandacht aan de manier waarop partijen zouden moeten onderhandelen en de precontractuele verplichtingen die dat met zich meebrengt.
Het staat partijen vrij om al dan niet een contract te sluiten en om hun medecontractant te kiezen (de zogenaamde ‘contractsvrijheid’)1. Partijen zijn ook vrij om precontractuele onderhandelingen aan te vatten, te voeren én af te breken.2 Met andere woorden, als algemeen principe geldt dat partijen niet verplicht zijn om onderhandelingen aan te gaan of verder te zetten indien zij dat niet wensen.
Daarbij wordt echter wel uitdrukkelijk bevestigd dat partijen tijdens de onderhandelingen (en bij het stopzetten daarvan) moeten handelen in overeenstemming met de eisen van de goede trouw.3 De onderhandelende partijen hebben de verpichting om elkaar de informatie te verstrekken die de wet, de goede trouw en de gebruiken hen opleggen. Bovendien moet je rekening houden met de hoedanigheid van de partijen (met andere woorden: zijn zij professioneel actief in de sector waarover de onderhandelingen gaan, of zijn zij een occasionele onderhandelaar met betrekking tot de voorliggende materie), hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract.4
Indien partijen die verplichtingen niet correct naleven, kunnen zij tijdens de precontractuele onderhandelingen ten aanzien van elkaar buitencontractuele aansprakelijkheid oplopen.5 Die aansprakelijkheid houdt in dat, bij het foutief afbreken van onderhandelingen, de benadeelde persoon teruggeplaatst moet worden in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden indien er niet zou zijn onderhandeld. Wanneer bovendien, en dat is een belangrijke nieuwigheid, het rechtmatig vertrouwen is gewekt dat het contract zonder enige twijfel gesloten zou worden, kan die aansprakelijkheid het herstel van het verlies van de verwachte nettovoordelen uit het niet-gesloten contract inhouden. Met andere woorden, de partij die inbreuk pleegt, moet aan de benadeelde partij de gemiste kans vergoeden.
Daarenboven kan de schending van een informatieplicht niet enkel leiden tot de hierboven vermelde precontractuele aansprakelijkheid (en de bijhorende vergoedingsplicht), maar ook – in een latere fase – tot de nietigheid van het contract.
Partijen en hun adviseurs kunnen dus maar beter te goeder trouw onderhandelen. Wat houdt dat nu concreet in?
2.1 Voor de partijen
Alle betrokken partijen in een onderhandeling moeten zich correct opstellen, met het oog op het bereiken van een aanvaardbare overeenkomst. Partijen zullen open en transparant communiceren, waarbij ze relevante informatie delen en geen misleidende tactieken gebruiken. Enkel op die manier kan de tegenpartij een juiste inschatting maken van de drijfveren van de andere partij. Die motieven worden het best ook in de overeenkomst verwerkt om mogelijke geschillen over interpretatie of uitvoering voldoende kader mee te geven, en op die manier tot een vergelijk te komen. Onderhandelen te goeder trouw vereist dus dat partijen niet alleen hun eigen belangen behartigen, maar ook rekening houden met de legitieme belangen van de andere partij(en). Hoewel er, vanzelfsprekend, ruimte is voor de bescherming van de eigen belangen, mag dat niet ten koste gaan van de integriteit van het onderhandelingsproces. Onderhandelen te goeder trouw is gebaseerd op samenwerking en op het bereiken van een wederzijds voordelige uitkomst.
In toepassing van de goede trouw hebben partijen ten aanzien van elkaar ook een mededelingsplicht.6 Zij moeten meedelen wat voor de ander van belang kan zijn om een juist en volledig beeld te vormen over het voorwerp van de voorgenomen transactie en de redenen waarom zij tot stand komt. Door te goeder trouw te onderhandelen, zullen partijen een solide basis leggen voor succesvolle samenwerking en langdurige relaties.
2.2 Voor de adviseur
De rol van de adviseur bij het begrijpen en contractueel vertalen van de intentie van alle partijen, is essentieel bij het interpreteren, en dus ook de latere uitvoering van juridische teksten.
“Onderhandelen te goeder trouw vereist dus dat partijen niet alleen hun eigen belangen behartigen, maar ook rekening houden met de legitieme belangen van de andere partij(en).”
De adviseur zal er met betrekking tot zijn eigen cliënt voor moeten zorgen dat hij (i) de drijfveren en belangen van zijn cliënt kent, en (ii) die wensen in voldoende mate vertaalt naar de partij aan de andere kant van de tafel. Daarenboven zal de adviseur er ook, samen met zijn cliënt, naar streven om de belangen en drijfveren van de tegenpartij te kennen om tot een gepast akkoord te komen.
Waar het de plicht is van partijen om in voldoende mate hun motieven kenbaar te maken, moet de adviseur daaruit de algemene principes en uitgangspunten filteren die gemeenschappelijk zijn tussen partijen, en die, als er voldoende overeenstemming is, leiden tot een overeenkomst. Dat wordt de ‘wilsovereenstemming tussen partijen’ genoemd. In een latere fase, bij de interpretatie van overeenkomsten en het aanvullen van eventuele leemtes in de contracten, zal die wilsovereenstemming essentieel zijn.
Tot slot, en niet het minst, is het ook de rol van de adviseur om objectiviteit in het debat te brengen en – indien dat belemmerend zou werken – de emotie zo veel als mogelijk uit de onderhandelingen te bannen.
2.3 Kan AI hierin een rol spelen?
De rol van AI in de precontractuele fase kan erin bestaan om partijen inzichten te geven over elkaar en de sector waarin zij actief zijn. Op basis van de gegevens waarover de AI-tool beschikt, krijgt men snel inzicht in financiële data, marktsegment, verschenen artikelen … Het laat dus toe om informatie te vergaren over elkaar.
Anderzijds zal AI op basis van een analyse van gekende contracten met hetzelfde onderwerp en op basis van een analyse van rechtspraak en rechtsleer kunnen aangeven wat dan de ‘gebruiken’ zijn bij de informatieplicht waartoe partijen gehouden zijn.
AI zal dus een rol kunnen spelen in het verschaffen van informatie en het bieden van een kader aangaande de wederzijdse informatieverplichting. Het levert, volgens de huidige stand, evenwel geen toegevoegde waarde bij het bepalen of achterhalen van de intentie van partijen en hun drijfveren om in onderhandeling te gaan.
Indien het schrijven van contracten wordt overgelaten aan AI (zie verder), zal daarin een belangrijke lacune zitten die partijen of hun adviseurs moeten aanvullen. Niet het minst om voldoende kader te bieden bij een latere discussie over de interpretatie van de overeenkomst. Vanzelfsprekend zullen ook de partijen zelf de onderhandelingen met elkaar voeren. Dat kun je vooralsnog niet overlaten aan chatbots.
3. Te goeder trouw contracteren
Eens de onderhandelingen tot een akkoord tussen partijen hebben geleid, bestaat er een mondelinge overeenkomst. In principe volstaat dat om rechten en verplichtingen te doen ontstaan ten aanzien van elkaar. Het is echter aangeraden, en gebruikelijk, de afspraken op papier te zetten. Het belang daarvan is meervoudig: partijen hebben een bewijs van hun overeenkomst,7 alle aspecten van de overeenkomst worden ten gronde overwogen, en in geval van discussie geldt de overeenkomst als basis om de juiste draagwijdte te kennen.
Het spreekt daarom ook voor zich dat de overeenkomst de gemaakte afspraken duidelijk en volledig moet uiteenzetten. De basisregel voor overeenkomsten is immers dat een contract dat geldig tot stand is gekomen, “tot wet strekt” voor degenen die het hebben gesloten.8 Met andere woorden: partijen moeten de bepalingen van de overeenkomst (en dus de gemaakte afspraken) naleven alsof ze door de wet zijn opgelegd.
De wet verduidelijkt daarbij wel dat de werkelijke wil van de partijen voorrang krijgt.9 Dat wil zeggen dat in contracten moet worden nagegaan welke gemeenschappelijke bedoeling de contractspartijen hebben gehad, veeleer dan zich aan de letterlijke betekenis van de woorden te houden. Het is dus van groot belang dat partijen hun drijfveren kenbaar maken en dat de adviseurs die capteren in de schriftelijke overeenkomst.
Voorgaand principe wordt echter ook meteen afgezwakt omdat men het contract geen interpretatie mag geven die kennelijk10 onverzoenbaar is met de draagwijdte van dat geschrift. De loutere wil van partijen kan de overeenkomst as such dus niet wijzigen. Daarbij moet je rekening houden met de intrinsieke elementen van de schriftelijke overeenkomst en met de omstandigheden waarin het is opgesteld en (zal worden) uitgevoerd. Daarop wordt hieronder dieper ingegaan.
Voldoende aandacht en precisie aan de dag leggen bij het opstellen van de overeenkomst is dus essentieel, zowel wat betreft de specifieke afspraken opgenomen in de overeenkomst, als de omstandigheden die zich in de toekomst kunnen voordoen bij de uitvoering van de overeenkomst.
3.1 Rol van partijen
Gelet op het belang van datgene wat op papier komt te staan, is het allereerst essentieel dat elke partij begrijpt wat op papier wordt gezet. Zij mogen dus niet blindelings hun adviseur(s) volgen, maar moeten zich actief bevragen over de inhoud van de overeenkomst.
Vervolgens gaan zij ten gronde na of de schriftelijke neerslag van het akkoord overeenstemt met hun visie daarop. Met andere woorden: bevat de overeenkomst de principes zoals zij die voor ogen hadden tijdens de onderhandelingen en op het moment dat die onderhandelingen uitmondden in een compromis?
Bovendien zouden partijen vanuit hun praktijkervaring en kennis van de sector ook de nodige verfijning of aanvulling aan de tekst moeten geven. Dit om zo veel als mogelijk al op voorhand onvoorziene gebeurtenissen te ondervangen.
3.2 Rol van de adviseur
De adviseur heeft een belangrijke rol te spelen bij het op schrift stellen van een akkoord. Die verantwoordelijkheid gaat verder dan het louter technische dat gepaard gaat met het juridisch verwoorden van de bereikte akkoorden.
Indien de adviseur betrokken was bij de onderhandelingen, moet hij ook de achtergrond daarvan meenemen in de overeenkomst. Uit de tekst moet duidelijk blijken wat de intentie van partijen is, en waarom zij tot die welbepaalde afspraken zijn gekomen. Mocht er dan tijdens de uitvoering van de overeenkomst discussie ontstaan, zal dat een belangrijk element vormen, desnoods bij de beoordeling door een rechtbank, voor de interpretatie van de overeenkomst en het toewijzen van rechten, verplichtingen en aansprakelijkheden.
Bovendien moet de adviseur ook zijn klant terdege informeren over de inhoud van het geschrift. Elke partij moet weten wat haar rechten zijn, maar ook welke verplichtingen en verantwoordelijkheden de overeenkomst met zich meebrengt.
3.3 Rol van AI
In de fase van het contracteren is de grootste toegevoegde waarde weggelegd voor AI. Als AI de juiste input krijgt, zal ze technisch-juridisch een geschikte overeenkomst kunnen opleveren. Voorwaarde daarbij is wel dat zij de juiste parameters meekrijgt. Zo is bijvoorbeeld een handelshuurovereenkomst fundamenteel anders dan een woninghuur. Een ander voorbeeld zijn de vele types distributieovereenkomsten, die elk hun eigen kenmerken en wettelijke voorwaarden kennen. Het is dus een basisvoorwaarde dat de partijen een juiste initiële keuze maken.
Met de juiste keuzes en parameters, die niet indruisen tegen het dwingend recht11 of de openbare orde,12 zal AI een bruikbare overeenkomst kunnen opstellen. Dat kan een goede ondersteuning zijn voor partijen, en een belangrijk efficiëntievoordeel opleveren aan adviseurs. In die optiek zullen adviseurs AI in de juridische dienstverlening omarmen.
Toch is voorzichtigheid geboden. Zoals hierboven aangehaald moet AI de juiste input krijgen. Daarenboven zal AI (vooralsnog) niet de reële intentie van partijen kunnen aanvoelen of omschrijven. Daarin blijft de rol van partijen of hun adviseurs dus essentieel.
4. Uitvoeren en interpreteren te goeder trouw
Na het onderhandelen en uitschrijven van de overeenkomst volgt het orgelpunt: de reden waarom partijen de overeenkomst zijn aangegaan, namelijk de uitvoering ervan. Meestal gebeurt dat zonder problemen.
Maar ondanks alle voorafgaande gesprekken, en ondanks de zorgvuldigheid die partijen en hun adviseurs (of AI) aan de dag hebben gelegd om de overeenkomst uit te schrijven, verloopt de uitvoering ervan niet altijd zonder slag of stoot. Het kan alsnog blijken dat partijen, elk vanuit hun eigen invalshoek, een andere verwachting hebben over of een andere interpretatie geven aan hetzij de verbintenissen die ze ten opzichte van elkaar zijn aangegaan, hetzij de afgesproken sancties indien een partij haar verplichtingen niet nakomt. Bovendien kunnen er situaties zijn waaraan zij bij het ontstaan of het sluiten van de overeenkomst niet hebben gedacht. Het is immers moeilijk alle mogelijke situaties te voorspellen. Daarnaast hebben partijen vaak de neiging om zich enkel te focussen op de bijzonderheden van hun akkoord en besteden zij minder aandacht aan dat wat algemeen of van bijkomende aard lijkt te zijn.13
Als een dergelijke discussie ontstaat, moet de overeenkomst geïnterpreteerd en uitgelegd worden.14
Zoals hierboven aangegeven, strekt een overeenkomst partijen tot wet. Afspraken moeten worden nageleefd. Bovendien heeft een duidelijke bepaling die overeenstemt met de wil van partijen in principe geen interpretatie of aanvulling nodig. Het belang van de nodige aandacht te besteden aan de redactie van overeenkomsten werd daarom al benadrukt. Pas als de wil van partijen niet werd geuit, of niet voldoende duidelijk is, zal een overeenkomst naar aanleiding van haar uitvoering aanvulling of interpretatie nodig hebben.15 Zo ook bij onduidelijk of dubbelzinnig woordgebruik, of indien de tekst niet overeenstemt met de wil van de partijen.16
Interpreteren gaat dan ook verder dan het opsporen van wat men binnen de vier hoeken van een overeenkomst uitdrukkelijk heeft gewild. Voor de uitlegging van overeenkomsten moet de rechter er alle gevolgen aan toekennen die de partijen er impliciet en noodzakelijk aan hebben willen geven, ook als ze die gevolgen niet konden voorzien, maar die zij wel op het oog hadden gehad, indien ze er rekening mee haddenkunnen houden.17
Stelregel is nagaan wat de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan dat men zich aan de letterlijke zin van de woorden moet houden.18 Het uitgangspunt daarbij is de overeenkomst. Vandaar het belang om die duidelijk en volledig op te stellen en de nodige aandacht te besteden aan het uiten van de intenties en de wil van partijen, ook als daaruit geen (rechtstreekse) rechten en verplichtingen lijken voort te vloeien.
Naast de bewoordingen van de overeenkomst zelf mag ook een beroep worden gedaan op extrinsieke omstandigheden19 om de werkelijke draagwijdte te bepalen van wat partijen gezamenlijk hebben gewild.20 Zo kan onder meer worden gekeken naar de briefwisseling gevoerd voorafgaand aan of tijdens de uitvoering van de overeenkomst, de verklaringen van partijen, de uitvoering van vroegere gelijkaardige overeenkomsten of naar de hoofdovereenkomst wat betreft de interpretatie van een bijkomende overeenkomst.
De bovenvermelde basisregel betekent dat de rechter verplicht is de werkelijke bedoeling van partijen na te gaan, zelfs indien hij daarbij moet afwijken van de gebruikelijke, normale betekenis van de aangewende bewoordingen.21 De werkelijke wil van de partijen primeert op de verklaarde wil. Om die werkelijke wil te kennen, geeft de wetgever enkele duidelijke richtlijnen mee:22
- Wanneer twee interpretaties mogelijk zijn, moet een beding worden opgevat op de manier die (i) een (zinvol) gevolg kan hebben, eerder dan op een wijze waarbij ze geen gevolg kan teweegbrengen, of (ii) het beste met de inhoud van het contract overeenstemt.
- Dubbelzinnige bepalingen leg je uit volgens hetgeen gebruikelijk is in de desbetreffende streek en sector, en eveneens overeenkomstig de gebruikelijke verhoudingen tussen de partijen.
- Clausules van een contract worden uitgelegd “het ene door het andere”, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele overeenkomst voortvloeit.
- Hoe algemeen de bewoordingen van een contract ook zijn, toch omvat het alleen die onderwerpen waarover blijkt dat partijen bedoelden te contracteren.
- Wanneer een contract een geval heeft vermeld tot verduidelijking van de verbintenis, worden partijen niet geacht daardoor de omvang van de overeenkomst te hebben willen beperken.
- De uitvoering die partijen hebben gegeven aan een overeenkomst voordat er zich een betwisting voordoet, wordt in aanmerking genomen voor de interpretatie van het contract.
Pas als er na toepassing van die richtlijnen toch nog twijfel zou bestaan, geldt als stelregel dat je een beding moet uitleggen ten nadele van de begunstigde ervan.
Wanneer de partijen hun gemeenschappelijke wil met betrekking tot een of andere situatie niet uitdrukkelijk of slechts impliciet hebben geuit, bijvoorbeeld omdat ze die situaties niet voor ogen hadden of er niet aan gedacht hebben, is het uiteraard zinloos die (afwezige) gemeenschappelijke wil te zoeken. In die gevallen moet de overeenkomst worden aangevuld, aangezien zij een leemte bevat.23
Met de juiste keuzes en parameters, die niet indruisen tegen het dwingend recht of de openbare orde, zal ai een bruikbare overeenkomst kunnen opstellen.
Niettegenstaande de eigen belangen van elke partij, ook indien die zijn afgesproken en op papier zijn gezet, is de wet duidelijk en stelt zij dat partijen zich bij de uitvoering van overeenkomsten te goeder trouw moeten opstellen ten aanzien van elkaar.24 De enige aanvullende verbintenissen die aan de partijen van een contract kunnen worden opgelegd, vloeien voort uit wetgeving, of uit de gevolgen die de goede trouw of de gebruiken eraan, volgens de aard en de strekking ervan, toekennen.25
Partijen moeten bij de uitvoering van de overeenkomst dus enerzijds naleven wat op papier staat, en anderzijds moeten zij bij de invulling van datgene wat niet letterlijk is neergeschreven, respecteren wat (rechts-) gebruiken zijn in dergelijke omstandigheden, alsook billijk en te goeder trouw handelen. Billijkheid en goede trouw hebben een aanvullende werking op overeenkomsten.
Op de billijkheid wordt een beroep gedaan om de inhoud van het contract vast te stellen, met name om vast te stellen welke verplichtingen de contractpartijen hebben op grond van hun overeenkomst en de aanvulling ervan. De goede trouw geeft een antwoord op de vraag hoe je de verplichtingen moet uitvoeren.26
Het te goeder trouw uitvoeren van een overeenkomst betekent dat alle partijen zich inzetten om de afspraken na te komen zoals bedoeld en overeengekomen, met eerlijkheid, betrouwbaarheid en inachtneming van de geest van de overeenkomst. Dit omvat het nakomen van de contractuele verplichtingen binnen de afgesproken termijnen, het adequaat reageren op verzoeken of problemen, en het vermijden van gedrag dat de belangen van de andere partij schaadt.
De goede trouw vereist dat partijen proactief handelen om eventuele problemen tijdig op te lossen en te voorkomen dat geschillen escaleren. Dit betekent dat ze een open en constructieve communicatie onderhouden, de andere partij op de hoogte houden van relevante ontwikkelingen en, indien nodig, redelijke aanpassingen overwegen om aan hun verplichtingen te voldoen.
Indien onduidelijk is hoe partijen de uitvoering van de overeenkomst vorm moeten geven, kan het principe van de goede trouw bovendien drie functies vervullen: een interpretatieve, een aanvullende en een beperkende.27
Interpretatieve werking
De interpretatieve functie van de goede trouw betekent dat men zich bij het nagaan van de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen laat leiden door de geest van het contract en de zin die redelijkerwijze aan de verklaringen en omringende omstandigheden mag worden toegekend.28
Door de tekst van een overeenkomst “naar redelijkheid en billijkheid” in te vullen en niet letterlijk, kan men bepalen wat tussen partijen is overeengekomen.29
Aanvullende werking
Op basis van de aanvullende werking van de goede trouw kunnen aan een overeenkomst bijkomende verplichtingen worden toegevoegd, en kan aan partijen de verplichting tot loyale samenwerking worden opgelegd, ook indien zij dat niet uitdrukkelijk zijn overeengekomen.
Zo is er bijvoorbeeld de verplichting om de wederpartij te informeren, de verplichting om schade te beperken waarvoor de tegenpartij moet instaan en de verplichting om af te zien van handelingen die de uitvoering van de overeenkomst door de wederpartij moeilijker of duurder maken.
Beperkende werking
De matigende of beperkende werking van de goede trouw verbiedt contractspartijen hun uit de overeenkomst voortvloeiende rechten uit te oefenen op een wijze die in strijd is met wat van een redelijke contractpartij mag worden verwacht. De partijen moeten zich met andere woorden gematigd opstellen.30
Dit strekt er niet toe elke onbillijke uitoefeningswijze te verbieden maar wel elke kennelijk onredelijke, onfatsoenlijke of evident onaanvaardbare uitoefening van schuldeisersrechten te beletten.31 De contractpartijen moeten dus hun contractuele rechten naar redelijkheid en billijkheid uitoefenen.
4.1 Rol van partijen
De uitvoering van de overeenkomst moet door de partijen zelf gebeuren. Naast het toepassen van de verbintenissen zoals ze zijn opgenomen in de overeenkomst, moeten zij zich ten aanzien van elkaar ook te goeder trouw opstellen.
Zij stellen zich dus redelijk op en misbruiken hun rechten niet. Indien de toepassing of interpretatie van afspraken tot een verschillende zienswijze leidt, zullen partijen onder meer in gesprek gaan om tot een (opnieuw) werkbare toepassing te komen. Bovenstaande functies van de goede trouw gelden daarbij als leidraad, aangezien, indien partijen er onderling niet uit geraken, het anders de rechter zal zijn die op basis van deze principes knopen doorhakt.
Partijen dragen met andere woorden de verantwoordelijkheid om zich naar redelijkheid en loyaal op te stellen.
4.2 Rol van de adviseur
De adviseurs van de partijen kunnen hierin een toegevoegde waarde bieden. Zij zullen minder emotie laten spelen bij de interpretatie en invulling van clausules. Zij wijzen partijen ook op de algemene principes die hebben geleid tot de afgesloten overeenkomst. Zoals reeds aangehaald heeft de wil van partijen vaak een belangrijkere rol dan de letterlijke tekst van een overeenkomst.
Zoals eveneens vermeld zijn adviseurs ervoor verantwoordelijk om te achterhalen wat de drijfveren van partij en tegenpartij zijn, en om die principes waarin overeenstemming is tussen partijen te capteren en zo veel als mogelijk neer te schrijven. Dat kan een belangrijk hulpmiddel vormen bij de uitvoering van de overeenkomst en de toepassing van welbepaalde clausules bij die uitvoering.
Daarnaast hebben adviseurs op het ogenblik dat er onenigheid is over de uitvoering van een overeenkomst, ook de verantwoordelijkheid om een meer neutrale rol op te nemen. Daarbij delen zij, vanuit hun objectiviteit, partijen de principes mee waarover eensgezindheid bestond ten tijde van de onderhandelingen en de contractsluiting.
4.3 Rol van AI
Vooralsnog lijken de vandaag beschikbare AI-tools geen rol te vervullen bij de uitvoering of interpretatie van concrete overeenkomsten tussen partijen. Dat sluit echter niet uit dat daar in de toekomst verandering in komt. Zo is het denkbaar dat partijen ervoor opteren om niet de traditionele rechtbanken bevoegd te maken indien er zich een geschil voordoet, maar wel een welbepaalde AI-tool die dan, als bindende derdenbeslissing, knopen zal doorhakken. Voorwaarde daarbij is wel dat AI toegang heeft tot alle (recente) wetgeving, rechtspraak en rechtsleer en dat de vragen op een neutrale, niet-suggestieve, manier worden voorgelegd aan de applicatie.
Ongetwijfeld zullen we hierin de komende jaren een sterke (r)evolutie zien.
Bron: Van Havermaet
1 Art. 5.14 Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW).
2 Art. 5.15 NBW.
3 Art. 5.15 NBW.
4 Art. 5.16 NBW.
5 Art. 5.17 NBW.
6 P. WOLTERS, “Alle omstandigheden van het geval. Een vergelijkende studie van de omstandigheden die de werking van de (Nederlandse) redelijkheid en billijkheid en de (Belgische) objectieve goede trouw beïnvloeden”, TPR 2015, afl. 1, 123-277.
7 Verbintenissen die 3.500 euro te boven gaan, kunnen bovendien enkel bewezen worden door een geschrift (art. 8.9 NBW).
8 Art. 5.69 NBW.
9 Art. 5.64 NBW.
10 Dat wil zeggen: ontegensprekelijk.
11 Indien een rechtsregel van dwingend recht is, betekent dit dat partijen er niet van kunnen afwijken. Dit in tegenstelling tot rechtsregels van aanvullend recht, die van toepassing zijn indien partijen er niet uitdrukkelijk van afwijken, maar waar partijen dus wel de mogelijkheid hebben om anders overeen te komen.
12 Het Hof van Cassatie (o.a. Cass., 10 maart 1994, Arr. Cass. 1994, 236) heeft een rechtsregel van openbare orde omschreven als een regel of wet “die de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt, of die in het privaatrecht de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde rust.” Die regels zijn derhalve zo fundamenteel dat partijen er niet van kunnen afwijken. Het belangrijkste onderscheid met rechtsregels van dwingend recht zit in de draagwijdte: in geval van schending van de rechtsregel van openbare orde zal de rechter die inbreuk zelf, proactief, moeten vaststellen en inroepen. Een inbreuk op een regel van dwingend recht moet worden ingeroepen door de partij in wiens belang de regel is uitgevaardigd.
13 N. PEETERS, K. SWERTS, D. LEJEUNE en A. MARISSENS, “Uitlegging en aanvulling van overeenkomsten”, X., Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, II.4 – 122 – II.4 – 142o (36 p.), 115.
14 I. CLAEYS en T. TANGHEL, Algemeen contractenrecht, Intersentia, 2021, 275-278, nr. 345-348; CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia, 2000, nr. 227.
15 N. PEETERS, K. SWERTS, D. LEJEUNE en A. MARISSENS, “Uitlegging en aanvulling van overeenkomsten”, 116.
16 N. PEETERS, K. SWERTS, D. LEJEUNE en A. MARISSENS, “Uitlegging en aanvulling van overeenkomsten”, 119.
17 F. DUMON, “De motivering van de vonnissen en de arresten”, R.W. 1978-79, 286-288.
18 N. PEETERS, K. SWERTS, D. LEJEUNE en A. MARISSENS, “Uitlegging en aanvulling van overeenkomsten”, 127.
19 Elementen die vreemd zijn aan de overeenkomst, maar die de rechter iets kunnen bijbrengen over de inhoud ervan (zie W. DE BONDT, “Uitlegging van eenzijdige contractuele documenten”, T.B.B.R. 2001, p. 130).
20 Cass. 27 november 2015, C.14.0389.F., Pas. 2015, 2712; S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht. Boek 1, die Keure, 2022, nr. 76; J. WAELKENS, Interpretatie van overeenkomsten en eenzijdige rechtshandelingen, Intersentia, 2016, nr. 394-451.
21 Cass. 24 september 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1131; J. DABIN, “Noot na Cass. 30 januari 1947”, RCJB 1947, 218.
22 Art. 5.65 NBW.
23 J. DABIN, “Noot na Cass. 30 januari 1947”, RCJB 1947, 220; F. DUMON, “De motivering van de vonnissen en de arresten”, RW 1978-79, 287.
24 Art. 5.73 NBW.
25 Art. 5.71 NBW.
26 R. KRUITHOF, “La théorie de l’apparence dans une nouvelle phase”, RCJB 1991, 86.
27 Cf. voetnoot 13.
28 W. VAN GERVEN, Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, I, Algemeen Deel, De Standaard, 1973, 38-39.
29 Cass. 7 januari 1966, RW 1965-66, 1845; Cass. 24 september 1992, Arr.Cass. 1991-92, 1131, Pas. 1992, I, 1052; W. DE BONDT, “Uitlegging van overeenkomsten naar de geest: mogelijkheden, grenzen en alternatieven”, RW 1996-97, 1013; S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, Boek 1 die Keure, 2022, nr. 81; W. VAN GERVEN, Verbintenissenrecht, Acco, 1994, 38-39.
30 S. STIJNS, Handboek Verbintenissenrecht, Boek 1, die Keure, 2022, nr. 85-88; VANSWEEVELT T. en WEYTS, B., Leerboek Verbintenissenrecht, Intersentia, 2019, nr. 457-486.
31 W. VAN GERVEN, Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, I, Algemeen Deel, De Standaard, 1973, 43.
» Bekijk alle artikels: Verbintenissen & Goederen, Innovation & AI


















