Summer Deal
‘Soft kills & Legal English’

3 webinars on demand

Summer Deal
‘Vennootschappen & Verenigingen’

7 webinars on demand

Summer Deal
‘Insolventie & Faillissement’

8 webinars on demand

De VZW als instrument anno 2022

Webinar on demand

Voordeelpakket
‘Vennootschapsrecht’

5 Webinars on demand

Contracteren met rechtspersonen

Webinar on demand

VVPRbis-regime: volstortingsplicht en verbod op voorkeursbehandeling in de praktijk (Imposto Advocaten)

Auteurs: Anouck Sandra en Jan Sandra (Imposto Advocaten)

Het VVPRbis-regime werd begin dit jaar opnieuw gewijzigd (voor meer toelichting). Doelstelling was de onduidelijkheden en euvels ontstaan naar aanleiding van de laatste wetswijziging te verhelpen. In de praktijk rijzen echter opnieuw tal van vragen over de concrete toepassing van dit gunstregime. Kan een vennootschap zonder minimumkapitaal onder het oud vennootschapsrecht toch plots genieten van het VVPRbis-regime? In welke mate kan een vennootschap aandelen met verschillende winstpreferentie creëren zonder het VVPRbis-regime te verliezen? Een stand van zaken.

VVPRbis-regime: fiscale incentive voor KMO’s

Dividenden die KMO-vennootschappen uitkeren met betrekking tot nieuwe aandelen op naam uitgereikt naar aanleiding van ‘nieuwe inbrengen in geld’ die zijn gedaan vanaf 1 juli 2013 genieten onder welbepaalde voorwaarden van een verlaagd tarief in de roerende voorheffing en de personenbelasting. Het tarief daalt van 30% naar 20% voor dividenden toegekend of verleend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na de inbreng, en naar 15% voor dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na dat van de inbreng.

Het VVPRbis-gunstregime werd ingevoerd door de Programmawet van 28 juni 2013 om het aantrekken van vers kapitaal in KMO’s aan te moedigen en op die manier een stabiele financiering van KMO’s blijvend te garanderen.

Nieuw WVV: fiscaal neutrale aanpassing VVPRbis-regime of toch niet?

Ondertussen werd door de wetgever belangrijk gesleuteld aan het initiële VVPRbis-regime. Aanleiding voor de eerste wijziging door de wet van 17 maart 2019 was de invoering van het nieuwe vennootschapsrecht en de afschaffing van de kapitaalvereiste voor de besloten vennootschap en de coöperatieve vennootschap.

Er werd gepoogd het VVPRbis-regime op een fiscaal neutrale manier af te stemmen op het nieuwe vennootschapsrecht. De afschaffing van de minimumkapitaal-vereiste voor het VVPRbis-regime bleek echter ongewenste gevolgen met zich mee te brengen waaraan de wetgever thans is tegemoet gekomen met de Wet van 21 januari 2022 houdende diverse fiscale bepalingen. De zienswijze van de administratie op deze laatste wetswijziging is te lezen in de circulaire 2022/C/42 dd. 29 april 2022.

Volstortingsverplichting voor initiële inbreng

Voor de toepassing van het VVPRbis-regime geldt dat de nieuwe inbrengen (inbrengen gedaan in geld vanaf 1 juli 2013) volledig volstort moeten zijn, en dat uiterlijk op het ogenblik dat de algemene vergadering beslist om dividenden uit te keren. De wetgever heeft thans verduidelijkt dat deze volstortingsverplichting geldt voor de onderschreven sommen bij uitgifte van de aandelen (d.i. de initiële inbreng). De eerdere vereiste dat de inbrengen minstens gelijk moeten zijn aan het wettelijk minimumkapitaal, of bij gebreke daaraan, het minimumkapitaal van de bvba is volledig geschrapt.

Ongeacht bedrag initiële inbreng?

Welbepaalde vennootschappen die initieel uit de boot vielen, lijken nu toch te kunnen genieten van het VVPRbis-regime. Stel een commanditaire vennootschap wordt opgericht op 1 december 2013 (d.i. na 1 juli 2013) met een volledig in geld volstort kapitaal van € 5.000. De vennootschap kwalificeert bij haar oprichting als kleine vennootschap. Deze vennootschap kwam initieel sowieso niet in aanmerking voor het VVPRbis-regime: er werd immers niet voldaan aan de minimumkapitaal-vereiste van € 18.550.

De afschaffing van de minimumkapitaal-vereiste door de wet van 17 maart 2019 bracht daar geen verandering in. Het Grondwettelijk Hof oordeelde immers in haar arrest van 15 oktober 2020 dat voor inbrengen gedaan tussen 30 juni 2013 en 1 mei 2019 de oude regeling (inclusief de minimumkapitaal-vereiste) bleef gelden. Maar met de laatste wetswijzigingen lijkt deze vennootschap nu toch in aanmerking te komen voor het VVPRbis-regime: haar initiële inbreng is immers volledig volstort. Nergens stelt de wet dat voor deze oude inbrengen nog de minimumkapitaal-vereiste geldt.

Overgangsregeling tot 31 december 2022

Andere vennootschappen lijken dan weer voortaan wel uit de boot te vallen. Het zijn de vennootschappen die naar aanleiding van de afschaffing van de minimumkapitaal-vereiste hun kapitaal, en bijgevolg volstortingsverplichting, hebben verminderd. Deze vennootschappen voldoen thans niet langer in de vereiste dat de initiële inbreng volledig volstort moet zijn, en dat uiterlijk bij de dividenduitkering.

Deze vennootschappen wordt echter nog een laatste kans geboden om zich in regel te stellen voor het VVPRbis-regime. Daartoe dienen ze voor 31 december 2022 (of ten laatste op 31 december 2022 volgens de administratie in haar circulaire dd. 29 april 2022) een kapitaalverhoging in geld door te voeren waardoor het bedrag van het gestorte kapitaal in geldmiddelen opnieuw op dezelfde hoogte wordt gebracht van het initieel onderschreven bedrag voor de vrijstelling van volstorting. Deze regularisatiemogelijkheid staat wel enkel open voor vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 19 december 2021 beslist hebben over te gaan tot een vrijstelling van volstorting van de onderschreven aandelen.

Het initiële verbod op uitgifte van nieuwe aandelen naar aanleiding van deze regularisatie (zoals voorzien in het wetsontwerp) is in de finale tekst gesneuveld. Thans staat te lezen dat de kapitaalverhoging in voorkomend geval mogelijk is zonder de uitgifte van nieuwe aandelen.

Verbod op voorkeursbehandeling

Van de laatste wetswijziging dd. 21 januari 2022 heeft de wetgever gebruik gemaakt om het verbod op voorkeursbehandeling voor zogenaamde VVPRbis-aandelen te verduidelijken. Thans stelt de wet dat aan deze aandelen geen voorkeursrecht verbonden mag zijn ten aanzien van de deelname in de winst of ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk vermogen.

Onduidelijkheden in de praktijk zijn hiermee uitgeklaard: aan VVPRbis-aandelen kunnen wel degelijk andere voorkeursrechten, zoals meervoudig stemrecht, worden toegekend. Bovendien geldt het verbod enkel voor de VVPRbis-aandelen: aan andere aandelen van de vennootschap kunnen wel degelijk voorkeursrechten worden verbonden zonder verlies van het fiscaal voordeel voor de VVPRbis-aandelen (wat aansluit bij een eerder antwoord van de minister van Financiën: Vr. en Antw. Kamer 2020-21, nr. 55-058, 217).

Het verbod op voorkeursbehandeling inzake winstdeelname geldt zowel bij uitgifte van de aandelen als op enig ander moment daar waar de oude wettekst enkel voorzag dat de bij de uitgifte geen preferente aandelen mogen worden gecreëerd. Dit sluit de mogelijkheid om na de uitgifte van nieuwe aandelen toch voorkeursrechten aan deze aandelen toe te kennen volledig uit; in dat geval gaat het VVPRbis-regime verloren.

Indien een vennootschap enkel VVPRbis-aandelen heeft uitgegeven, lijkt een voorkeursbehandeling voor welbepaalde van deze VVPRbis-aandelen mogelijk zonder verlies van het fiscaal voordeel. Hiermee gaat immers geen fiscaal voordeel gepaard, hetgeen ook eerder door de rulingcommissie werd bevestigd.

Bron: Imposto Advocaten

Legal Manager

Legal Advisor