Voorschotten en vereffening vennootschap anno 2014 : fiscus haalt de botte bijl boven (Cazimir)

Auteurs: Tim MelisAlexandre MissalTom Engelen en Rosanne Van Gael (Cazimir Advocaten)

Publicatiedatum: 23/10/2017

We nemen u even terug naar een nog niet zo ver verleden. Herinner u het jaar 2014. Dividenden werden reeds belast aan 25%. Liquidatieboni genoten echter nog van het verlaagd tarief van 10%. Daar kwam een einde aan op 1 oktober 2014. Vanaf die datum waren ook die laatsten onderworpen aan het tarief van 25%.

Om aan dit hoge tarief te ontsnappen bestond er geen mirakeloplossing : enkel een vereffening voor 1 oktober 2014 bood de nodige zekerheid. De wetgever voorzag daarnaast wel in een ingewikkeld en omslachtig alternatief om al te veel vereffeningen van vennootschappen te voorkomen: de zogenaamde interne liquidatie overeenkomstig artikel 537 W.I.B. (uitkering dividenden aan 10% om deze onmiddellijk terug in kapitaal in te brengen). Toch werden in de praktijk heel wat vennootschappen vereffend.

Halsoverkop vereffenen? Haast en spoed is zelden goed…

Het toepasselijke tarief wordt bepaald in functie van de datum waarop de liquidatiebonus wordt verleend of toegekend. Tot 30 september 2014 moest dus 10% betaald worden. Daarna 25%.

In de praktijk komt het echter vaak voor dat een verdeling stapsgewijs gebeurt en dat dus in de loop van de vereffening één of meer voorschotten worden toegekend. Wat gebeurde er dan met een voorschot dat werd uitgekeerd voor 1 oktober 2014 maar waarbij de vereffening pas na 1 oktober 2014 definitief werd afgesloten? Welk tarief was daarop van toepassing : 10% of 25%?

De Minister van Financiën gaf destijds een duidelijk antwoord op die vraag : “Voorschotten op dividenden moeten als dividenden worden aangemerkt.” Dat heeft tot gevolg dat “de toekenning of betaalbaarstelling van dergelijke voorschotten de roerende voorheffing verschuldigd maakt, ongeacht of die voorschotten al dan niet worden toegekend door een vennootschap in vereffening.” Ten aanzien van voorschotten op liquidatieboni, bedraagt “de aanslagvoet van de roerende voorheffing, hetzij 10%, hetzij 25%, naargelang die voorschotten zijn verleend of toegekend voor of na 1 oktober 2014”; althans “onder voorbehoud van gevallen waarin er mogelijkerwijze sprake zou kunnen zijn van misbruik”. “Onder hetzelfde voorbehoud” is “het ogenblik waarop de vereffening wordt afgesloten, daarbij zonder belang.”

Het antwoord van de Minister was duidelijk en de druk was van de ketel. Voorschotten die werden toegekend of betaalbaar gesteld voor 1 oktober 2014 zouden worden onderworpen aan het tarief van 10%. Wanneer de vereffening zou worden afgesloten, bleef zonder belang. Halsoverkop vereffenen en de vereffening afgesloten krijgen voor 1 oktober 2014 was dus niet langer nodig. De Minister gaf de ondernemer, diens raadgever en de notarissen dus wat meer tijd.

In de praktijk werd vastgesteld dat vele voorschotten werden toegekend of betaalbaar gesteld, maar ze werden daarom nog niet effectief betaald. Vele vennootschappen hadden hier nog niet de middelen toe omdat de vereffeningswerkzaamheden nog moesten aanvatten. Andere vennootschappen hadden mogelijks wel de middelen, maar een effectieve uitkering of betaling was niet nodig. De effectieve uitbetaling kon op een later tijdstip gebeuren, daar de Minister immers duidelijk was in zijn antwoord : het ogenblik van toekenning of betaalbaarstelling is bepalend.

Buiten de waard gerekend

De fiscale Administratie denkt hier echter heel anders over. Zij geeft een heel andere draagwijdte aan het antwoord van de Minister en neemt de vertraging waarmee de vereffeningsdossiers werden afgehandeld nu in dank af.

Vandaag stellen we vast dat de fiscus een systematische controle uitoefent op alle voorschotten die werden toegekend of betaalbaar gesteld voor 1 oktober 2014. Het merendeel van deze voorschotten wordt vandaag alsnog belast aan 25%!

De fiscale Administratie steunt zich bij haar taxatie op het feit dat de vennootschap de facto geen voorschotten heeft uitgekeerd omdat deze niet effectief uitbetaald zijn geweest voor 1 oktober 2014. De uitbetaling is pas op een later tijdstip gebeurd, met name op een tijdstip waarop het tarief van 25% reeds in voege was getreden (dikwijls bij de afsluiting van de vereffening).

Dergelijke taxaties gaan lijnrecht in tegen het beginsel dat een uitkering van dividenden (of een voorschot op een liquidatiebonus) belastbaar is op het ogenblik van de toekenning of betaalbaarstelling en dus niet wanneer ze effectief worden uitbetaald.

De fiscus voelt zich daarbij gesterkt door de interpretatie van het begrip voorschot als zijnde een som geld die vervroegd moet betaald worden en die bijgevolg alleen kan bestaan door de betaling ervan.

Identieke werkwijze

De fiscale Administratie gaat bij het vestigen van de betrokken taxaties steeds op dezelfde wijze te werk. Zo verzendt zij vooreerst een bericht van wijziging in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2015 (het jaar waarin de vennootschap in vereffening werd gesteld). Hierbij wordt het uitgekeerde dividend teruggedraaid, door het op te nemen onder de reserves.

Voor het jaar waarin het dividend daadwerkelijk werd uitbetaald, verstuurt de fiscale Administratie eveneens een bericht van wijziging, waarin dan de reserves worden verminderd en een dividenduitkering wordt toegevoegd. In beide berichten van wijziging wordt consequent een belastingverhoging van 10% opgelegd.

Daarnaast wordt een kennisgeving van aanslag van ambtswege opgestuurd, waarbij de daadwerkelijke uitbetalingen onderworpen worden aan de roerende voorheffing van 25%. Er wordt hierbij slechts een belastingverhoging van 0% opgelegd. In bepaalde dossiers gaat de fiscale Administratie zelfs zo ver om per effectief uitbetaalde som, een kennisgeving van aanslag van ambtswege te versturen.

Noteer dat de fiscale Administratie in sommige dossiers de uitgekeerde sommen bruteert om de verschuldigde roerende voorheffing te berekenen. Dit is vanzelfsprekend niet correct, aangezien dit leidt tot een situatie waarbij er meer wordt belast dan het netto-actief dat werd uitgekeerd.

De botte bijl…

Op het voorschot had de vennootschap reeds 10% ingehouden. Welnu, enige verrekening met de 25% extra te betalen is niet mogelijk. Wel is de Administratie meestal zo vriendelijk om u erop te wijzen dat u kan trachten een terugbetaling te bekomen van deze 10% op grond van artikel 368 W.I.B. Of u die 10% effectief zal terugkrijgen, is een andere vraag…

Besluit

Deze nieuwe klopjacht van de fiscus kan niet anders dan als een nieuw mes in de rug van vele ondernemers worden gezien die op basis van het antwoord van de Minister van Financiën meenden niet overhaast hun vennootschap te moeten vereffenen.

Weliswaar wees de Minister van Financiën op eventueel fiscaal misbruik, maar de Administratie roept geen fiscaal misbruik in bij de bewuste taxaties. Bovendien werd er in het verleden op gewezen dat dergelijk misbruik bijvoorbeeld kon bestaan in een situatie waarbij een vereffening werd ingezet, doch de vennootschap nog jaren actief bleef. De vereffening zou in dergelijke omstandigheden louter voor fiscale doeleinden plaatsgevonden hebben.

In een steeds complexer wordend fiscaal landschap, valt de houding van de fiscale administratie te betreuren. Bovendien staat de zienswijze van de fiscus o.i. juridisch op losse schroeven. Wij raden u dan ook aan u zeker niet neer te leggen bij dergelijke taxaties.

Bovendien is er een bijzonderheid. Het is van belang dat u de reeds betaalde 10% tijdig terugvraagt, mocht de fiscus uiteindelijk toch aan het langste eind trekken. Vreemd genoeg zal u zich bij uw aanvraag tot terugbetaling moeten steunen op de zienswijze van de fiscus om deze terugbetaling te krijgen, terwijl u net die zienswijze betwist…

Voor verdere inlichtingen, kan u uiteraard steeds ons kantoor contacteren. Wij hebben intussen reeds verschillende administratieve procedures opgestart, en helpen u graag verder met uw concreet dossier.

Lees hier het originele artikel