De koop-verkoopovereenkomst van aandelen
(Share Purchase Agreement)

Webinar op 20 oktober 2022

De impact van drie recente wetten op de werking van elke rechtspersoon

Webinar on demand

Contracteren met rechtspersonen

Webinar on demand

Overeenkomst tot overdracht/overname van aandelen

Webinar on demand

Overeenkomst tot overdracht/overname van aandelen – Fiscale aspecten

Webinar on demand

Aandeelhouders-overeenkomsten : een grondige analyse in het licht van de nieuwe wetgeving

Webinar on demand

Verstrengde visie rond het VVPRbis-regime brengt ongewenste gevolgen teweeg (De Langhe Advocaten)

Auteurs: Evert Moonen en Eline Depaepe (De Langhe Advocaten)

De toepassingsvoorwaarden van het VVPRbis-regime werden begin dit jaar aangepast.  Sinds de invoering van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: WVV) bestaat niet langer een wettelijk verplicht minimumkapitaal voor de BV.  Meerdere BV’s gingen daarom inmiddels over tot een kapitaalvermindering.  De wetgever schrijft in dit verband echter enkele strikte voorwaarden voor die voldaan moeten zijn om gebruik te kunnen maken van dit gunstregime.  Deze voorwaarden betekenen niet voor iedere BV een walk through the park.  Daarom voorziet de wetgever in een overgangsmaatregel, al brengt deze op zijn beurt ook kopzorgen met zich mee…

1. Principe

Indien een vennootschap beslist om dividenden uit te keren, zijn deze in principe onderworpen aan een roerende voorheffing van 30%.  Kleine vennootschappen kunnen echter onder bepaalde omstandigheden beroep doen op het VVPRbis-regime.  De dividenden die onder toepassing van dit regime aan de aandeelhouders worden uitgekeerd, zullen dan aan een verlaagd tarief van roerende voorheffing onderworpen worden.  Dit tarief bedraagt 20% voor dividenden die uit de winstverdeling vanaf het tweede boekjaar na de kapitaalverhoging/inbreng worden uitgekeerd en 15% voor het derde boekjaar en volgende.

Om te kunnen genieten van de verlaagde roerende voorheffing moeten de dividenden voortkomen uit aandelen op naam, uitgegeven vanaf 1 juli 2013 en aangehouden in volle eigendom, naar aanleiding van de oprichting van de vennootschap of een kapitaalverhoging/verhoging van de inbreng.  Bovendien moet het kapitaal/de inbreng volledig volstort zijn voorafgaand aan de dividenduitkering.

2. Volstortingsplicht

De ‘oude’ BVBA’s dienden over een wettelijk minimumkapitaal van 18 550 EUR te beschikken, waarvan ten minste 6 200 EUR effectief moest worden volstort.  Wanneer deze BVBA’s overgingen tot de uitkering van een dividend, diende het toegezegde kapitaal (18 550 EUR) volledig volstort te zijn om toepassing van het VVPRbis-regime te kunnen maken.

Naar aanleiding van het nieuwe WVV werd de minimumkapitaalvereiste afgeschaft voor BVBA’s (de ‘nieuwe’ BV).  Als gevolg daarvan, besloten meerdere aandeelhouders van een BVBA, waarvan het kapitaal gedeeltelijk was volstort, om bij hun omvorming naar een BV, in hun aangepaste statuten ook een vrijstelling van de volstortingsplicht op te nemen.  Het door inbrengen gevormde eigen vermogen werd in die gevallen bijgevolg verminderd tot het effectief volstort bedrag.  Vervolgens trachtten zij gebruik te maken van het VVPRbis-regime.  De Rulingcommissie bevestigde dat de vrijstelling van de volstortingsplicht ertoe leidt dat deze BV’s in aanmerking komen voor het VVPRbis-regime.  Wat telt, is dat de volledige volstorting van de onderschreven sommen een feit is op het ogenblik waarop de algemene vergadering besluit om over te gaan tot een dividenduitkering.  De onderschreven sommen zijn dan ook volledig volstort als gevolg van de kapitaalvermindering/vermindering van de inbreng.  Als gevolg van deze rulings gingen tal van BV’s over tot de vermindering van hun kapitaal/inbreng (gecombineerd met een vrijstelling van de volstortingsplicht).

De wetgever heeft evenwel een wetswijziging doorgevoerd op 21 januari 2022 waarin afstand werd genomen van de soepele interpretatie van de Rulingcommissie.  De wetgever stelt dat de sommen die bij de uitgifte van de aandelen onderschreven zijn, volledig moeten worden volstort.  Ondanks dit wetgevend initiatief, bleek deze kwestie in de praktijk nog niet geheel duidelijk.  Een circulaire bracht verduidelijking en vereist dat het initieel toegezegde kapitaal van de BV ooit volledig volstort werd.  Bijgevolg zullen de vennootschappen waarbij dit initieel toegezegde kapitaal nooit volledig werd volstort, alsnog een kapitaalverhoging in geld moeten uitvoeren waardoor het bedrag opnieuw op het initiële niveau van vóór de vrijstelling wordt gebracht, vooraleer het VVPRbis-regime kan worden toegepast.  Hierdoor kwamen de BV’s, die reeds overgingen tot een vrijstelling van de volstortingsplicht ingevolge de rulings, in een penibele situatie terecht.

3. Overgangsmaatregel

Voor onder meer BV’s die ondertussen zijn overgegaan tot een vrijstelling van volstorting, werd in een overgangsregeling voorzien waardoor zij toch nog kunnen gebruik maken van het VVPRbis-regime.

Deze overgangsmaatregel is van toepassing op vennootschappen die:

  • tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 beslisten om over te gaan tot een vrijstelling van de volstortingsplicht;  en
  • vóór 31 december 2022 een kapitaalverhoging in geld uitvoeren zodat het bedrag van het gestorte kapitaal in geldmiddelen opnieuw op dezelfde hoogte wordt gebracht van het initieel onderschreven bedrag vóór de vrijstelling tot volstorting.

Wanneer de BV’s, die in de voormelde periode overgingen tot een vrijstelling van de volstortingsplicht, de regeling uit de overgangsmaatregel niet benutten, verliezen zij definitief het voordeel van het VVPRbis-regime voor de betrokken aandelen.

Stel: aandeelhouders A en B richten op 6 juli 2016 een BVBA op waarvan het wettelijk minimumkapitaal destijds 18 550 EUR bedroeg, maar slechts 6 200 EUR werd effectief volstort.  In mei 2021 besluiten de aandeelhouders, in navolging van het nieuwe WVV en de rulings, om over te gaan tot een vrijstelling van de volstortingsplicht en aldus het kapitaal (nu inbreng genaamd) te verminderen tot 6 200 EUR.  Indien de aandeelhouders bij de dividenduitkering alsnog wensen te genieten van het VVPRbis-regime, moeten zij vóór 31 december 2022 het kapitaal/de inbreng optrekken naar 18 550 EUR en dus overgaan tot een volstorting ten bedrage van 12 350 EUR.

Nadat de (tijdige) volstorting heeft plaatsgevonden, kan zonder nadelig gevolg opnieuw worden overgegaan tot een kapitaalvermindering.

4. Conclusie

Naar aanleiding van het nieuwe WVV en de rulings van de Rulingcommissie besloten vele BV’s, waarvan het wettelijk vereiste minimumkapitaal als BVBA van 18 550 EUR nog niet was volstort, om over gaan tot een kapitaalvermindering door middel van een vrijstelling van de volstortingsplicht teneinde het voordeel van het VVPRbis-regime te kunnen genieten.  De wetgever sloeg, met zijn wetswijziging, echter een andere weg in dan de Rulingcommissie waardoor vele BV’s, in tegenstelling tot hetgeen zij ter goeder trouw meenden, toch niet langer zouden kunnen gebruik maken van het VVPRbis-regime.

Daarom werd voorzien in een overgangsmaatregel voor o.a. BV’s die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 beslisten om over te gaan tot vrijstelling van de volstortingsplicht.  Indien deze BV’s het kapitaal (thans “inbreng”) opnieuw op het niveau brengen van vóór de beslissing tot vrijstelling van de volstortingsplicht en de initieel toegezegde inbreng volstorten, kunnen zij alsnog van het VVPRbis-regime genieten.  Slechts na deze vervelende omweg kan het kapitaal/de inbreng nadien opnieuw verminderd worden met toepassing van het VVPRbis-regime.  Het valt echter te betreuren dat een dergelijke omslachtige werkwijze moet worden doorlopen vooraleer het VVPRbis-regime alsnog kan worden genoten.

Bron: De Langhe Advocaten