Update hervorming vennootschapsbelasting : reparatiewetgeving gepubliceerd (Eubelius)

Auteurs: Kelly Moens en Wouter Claes (Eubelius)

Publicatiedatum: 14/09/2018

Op 10 augustus 2018 werd de wet houdende diverse bepalingen inzake inkomstenbelastingen gepubliceerd. Deze reparatiewet remedieert de hervorming van de vennootschapsbelasting, die eind vorig jaar aan een ongezien tempo door het parlement werd gejaagd en daarom op een aantal punten voor verbetering vatbaar was. We zoomen dieper in op de wijzigingen die relevant zijn voor de gereglementeerde vastgoedvennootschappen (GVV’s) en de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen (FIIS) enerzijds, en de wijzigingen aan de verplichte minimum bedrijfsleidersbezoldiging anderzijds. Tot slot volgt een overzicht van de overige maatregelen.

Impact voor GVV’s/FIIS

Vooreerst wordt een ongewenst neveneffect van de omzetting van de interestaftrekbeperking uit de ATAD-richtlijn rechtgezet. De technische verwerking van deze interestaftrekbeperking had immers tot gevolg dat een GVV/FIIS mogelijk belast zou worden op een deel van de interesten die zij betaalt. De reparatiewet verduidelijkt nu dat het zogenaamde “financieringskostensurplus” geen deel uitmaakt van de belastbare basis van een GVV/FIIS (en de andere beleggingsvennootschappen die onder het toepassingsgebied van art. 185bis WIB vallen).

Verder worden de tariefwijzigingen van de exit-taks opnieuw ingevoerd om de inwerkingtreding ervan te wijzigen. De exit-taks is verschuldigd bij (i) de erkenning als GVV/FIIS, (ii) corporate restructurings waarbij een GVV/FIIS betrokken is, en (iii) de inbreng van vastgoed in een GVV/FIIS. De inwerkingtreding wordt gewijzigd zodat ook verrichtingen verbonden aan aanslagjaar 2018 van het verlaagd tarief van 12,75% kunnen genieten. Het 12,75%-tarief is van toepassing op verrichtingen die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018. Het 15%-tarief treedt in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing op verrichtingen die plaatsvinden vanaf die datum.

Minimum bedrijfsleidersbezoldiging

Sinds dit jaar moet elke vennootschap aan minstens één van haar bedrijfsleiders een minimumbezoldiging van 45.000 EUR toekennen (voorheen was dit 36.000 EUR). Indien de vennootschap geen of een lagere bedrijfsleidersbezoldiging toekent, is zij voortaan onderworpen aan een afzonderlijke aanslag van 5%. Deze minimumbezoldiging is eveneens een toepassingsvoorwaarde voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting voor kleine vennootschappen (het “KMO-tarief”).

Voor de beoordeling van de minimumbezoldigingsvereiste wordt rekening gehouden met al hetgeen de bedrijfsleider krijgt van de vennootschap (dit is het zogenaamde “attractiebeginsel”). Indien de bedrijfsleider eveneens werknemer is van dezelfde vennootschap, telt ook zijn loon als werknemer mee in de beoordeling van de minimumbezoldigingsvereiste. De minister van Financiën heeft voor de zomer reeds bevestigd dat dit ook het geval is indien de bedrijfsleider zijn mandaat kosteloos uitoefent (Parl. Vraag nr. 25970 van de heer Piedboeuf van 20 juni 2018).

Voor vennootschappen met een beperkt belastbaar inkomen moet de minimumbezoldiging gelijk aan of hoger zijn dan het belastbaar inkomen van de vennootschap (en niet gelijk aan het resultaat van het belastbaar tijdperk, zoals oorspronkelijk bepaald).

De belastbare grondslag van de afzonderlijke aanslag is gelijk aan het positieve verschil tussen het minimumbedrag (45.000 EUR) en de hoogste bezoldiging die door de vennootschap aan één van haar bedrijfsleiders werd toegekend. De reparatiewet verduidelijkt nu dat, indien de vennootschap slechts een beperkt belastbaar inkomen heeft, het minimumbedrag vervangen wordt door de lagere bezoldiging (zie hoger).

Voor verbonden vennootschappen wordt de minimale bezoldiging onder bepaalde voorwaarden opgetrokken tot 75.000 EUR. In dit verband specifieert de reparatiewet dat de afzonderlijke aanslag verschuldigd is door de vennootschap die het hoogste bedrag aan belastbaar inkomen heeft aangegeven (en niet door de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat, zoals oorspronkelijk was bepaald).

Merk op dat het in de oorspronkelijke tekst onduidelijk was of voormelde verplichting ook van toepassing was op vennootschappen zonder bedrijfsleiders-natuurlijke personen. De reparatiewet verduidelijkt nu dat ook deze vennootschappen beoogd worden. Bijgevolg zullen vennootschappen zonder bedrijfsleiders-natuurlijke personen, die per definitie geen bedrijfsleidersbezoldiging kunnen toekennen, (i) geen gebruik kunnen maken van het verlaagd KMO-tarief en (ii) automatisch de afzonderlijke aanslag van 5% verschuldigd zijn.

Tot slot schrapt de reparatiewet de verhoging van de afzonderlijke aanslag naar 10% die initieel was voorzien met ingang van aanslagjaar 2021. Het 5% tarief zal aldus behouden blijven.

Deze wijzigingen zijn in werking getreden op 20 augustus 2018, de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Overige maatregelen

Naast de hiervoor beschreven maatregelen, bevat de reparatiewet nog een heel aantal andere aanpassingen en/of verduidelijkingen.

Dit zijn de belangrijkste maatregelen:

  • De vrijstelling voor dividenden uit aandelen wordt vanaf inkomstenjaar 2019 verhoogd tot 800 EUR.
  • De verhoogde aftrek van 120% voor bepaalde kosten inzake beveiliging en de aanmoediging van het gebruik van de fiets in het woon-werkverkeer wordt afgeschaft met ingang van aanslagjaar 2021.
  • De hervormde aftrek voor risicokapitaal (notionele interestaftrek) wordt aangepast op een aantal punten. Zo wordt de berekeningsbasis aangepast en wordt een antimisbruikbepaling ingevoerd om zogenaamde “double dip“-situaties te vermijden.
  • De inwerkingtreding van de proportionele overdracht van overgedragen DBI-aftrek wordt gewijzigd. De maatregel is van toepassing op verrichtingen die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018.
  • De Fairness Tax wordt nu ook formeel afgeschaft.
  • De hogervermelde afzonderlijke aanslag in geval van onvoldoende bedrijfsleidersbezoldiging wordt ook van toepassing gemaakt in de belasting der niet-inwoners;
  • Er worden een aantal technische verbeteringen aangebracht aan de CFC-regeling, de exitheffing, de interestaftrekbeperking en het groepsbijdragesysteem. Merk op dat tijdens de bespreking van het begrotingsakkoord werd aangekondigd dat de inwerkingtreding van de interestaftrekbeperking met één jaar zou worden vervroegd. De interestaftrekbeperking zou aldus al toegepast moeten worden in 2019.

Tot slot willen we nog opmerken dat de minister van Financiën tijdens de bespreking van het begrotingsakkoord nog een andere belangrijke fiscale maatregel heeft aangekondigd. Er zou meer bepaald een fiscale ficheverplichting worden ingevoerd voor aandelenopties die vanaf 1 januari 2018 worden toegekend door een buitenlandse groepsvennootschap aan werknemers van een Belgische dochtervennootschap (bijvoorbeeld restricted stock units).

Lees hier het originele artikel