Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker ons jaarabonnement 

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Alternatieve financieringsvormen
voor ondernemingen:
een waaier aan mogelijkheden

Mr. Dirk Van Gerven, mr. Ivan Peeters en mr. Ken Lioen

(NautaDutilh)

Webinar op dinsdag 19 mei 2026


Bezitloos pandrecht op voorraden
of vergelijkbare goederen:
een analyse vanuit de praktijk

Dhr. Levi Van Havere (Alma Assets)

Webinar op donderdag 24 februari 2026

Organisatie van een privé-onvermogen. Cass. 21 oktober 2025 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

Het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 mei 2025 somt gedetailleerd de organisatie van het onvermogen op:

– de eiser wordt vervolgd omdat hij ondanks zijn bestuursactiviteiten in (zeer) winstgevende vennootschappen, ervoor koos om in de periode van 14 september 2009 tot 1 juli 2021 zijn financiële situatie dusdanig te organiseren dat hij geen persoonlijk vermogen opbouwde en de uitvoering door zijn privéschuldeiser de verweerster onmogelijk, minstens zeer moeilijk maakte;

– de eiser is bij een definitieve rechterlijke beslissing veroordeeld tot betaling aan de verweerster van een som die volgens de afrekening gevoegd bij het bevel tot betalen van 14 september 2009 618.114,81 euro bedroeg;

– de eiser was in de vervolgde periode bestuurder van [M. nv], die participaties had in een aantal vennootschappen die het arrest opsomt en waarvan de eiser eveneens bestuurder was of de feitelijke leiding had;

– de eiser oefende zijn bestuursmandaten grotendeels onbezoldigd uit en liet zich slechts een zeer beperkt loon uitbetalen, dat ruim onder het beslagbare minimum bleef. Het netto-gezinsinkomen volstond zelfs niet om de voordelen van alle aard te dekken die de eiser van de vennootschappen ontving. Het is onduidelijk hoe het gezin van de eiser voorzag in het levensonderhoud; – eisers beleidskeuzes ontslaan hem niet van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wegens bedrieglijk onvermogen;

– de eiser beschikte in België alleen over een rekening bij ING, zij het zonder beslagbare tegoeden. Hij bewoonde op 17 december 2019 met zijn gezin een luxevilla in Affligem, terwijl hij ingeschreven stond op het adres van een onverzorgd pand te Aalst, beiden eigendom van een van de vermelde vennootschappen, terwijl ook de aanwezige luxevoertuigen op naam van een van de vennootschappen stonden;

– de eiser, die de zeggenschap had in bedoelde vennootschappen, weigerde om zichzelf een bestuurdersvergoeding uit te betalen in verhouding tot de winsten van zijn vennootschappen of zijn privé-behoeften, dit wil zeggen zijn financiële verplichtingen. Nochtans kon hij op elk moment een verhoging van de bezoldiging vragen, minstens jaarlijks ter gelegenheid van de algemene vergadering. Hij besliste eveneens jaarlijks om geen dividenden of tantièmes uit te betalen, maar alle winsten in zijn vennootschappen te laten;

– het is ook opmerkelijk dat de eiser op 31 december 2016 een tegoed in rekening-courant had in Vastgoed Noord nv van 138.882,34 euro. Hoewel dit bedrag op 31 december 2017 werd teruggebracht tot 0,0 EUR, kon de eiser niet in zijn privévermogen zijn gekomen. Gelijkaardige bewegingen zijn vast te stellen in [C. nv] (hierna [C. nv]) voor de boekjaren 2018-2020, terwijl daar op 30 juni 2021 dan weer een tegoed van de eiser te zien is van 41.370,00 euro. De eiser kan niet verklaren waar het geld vandaan kwam. Toch bevat zijn privévermogen geen financiële middelen of bezittingen die in aanmerking komen voor uitvoering van de schuldvordering. De eiser erkent trouwens zelf ter rechtszitting dat er geen beslagbare bezittingen waren op eigen naam, maar verklaart deze constructie vanuit fiscale motieven;

– de eiser verwijst voor het feit dat hij niet onvermogend was naar het opgebouwde vermogen in zijn vennootschappen en niet naar het privévermogen. Het door de eiser voorgelegde document zegt ook niets over de uitwinningsmogelijkheden, maar wel over de grote discrepantie die bestond tussen enerzijds de financiële middelen waarover de eiser kon beschikken, wat hij in zijn appelconclusie als zijn vermogen beschouwt, en anderzijds de afwezigheid van uitwinningsmogelijkheden tegen de eiser in persoon, aangezien dit vermogen volledig in vennootschapsstructuren zat. Het verweer dat de verweerster mits grondiger onderzoek had kunnen achterhalen dat de eiser aandeelhouder was in [C. nv] en mogelijks nog enkele kleinere belangen had in andere vennootschappen, houdt slechts een theoretische uitwinningsmogelijkheid in die in de praktijk niet te realiseren valt en dus impliceert dat het voor de verweerster de facto niet mogelijk was om haar opeisbare schuld gedwongen uit te voeren door de wijze waarop de eiser zijn vermogenstoestand had georganiseerd. De verweerster nam weldegelijk initiatieven om tot gedwongen uitvoering over te gaan, stuurde ingebrekestellingen, betekende bevelen tot betaling, informeerde zich bij de gerechtsdeurwaarder en contacteerde zelfs een Luxemburgs advocaat, maar zonder succes. De ingewonnen inlichtingen bevestigden enkel dat uitvoering niet mogelijk zou zijn; het staat dan ook vast dat de herhaalde weigering om zich een hogere bezoldiging toe te kennen als bestuurder, dit wil zeggen in verhouding tot de winst van de vennootschap of de financiële verplichtingen van de eiser, bij elk boekjaar te beslissen geen dividend of tantièmes uit te keren, alsook door tegoeden op rekening-courant op te bouwen en bij afbouw deze niet te laten terugvloeien naar het privévermogen, in de gegeven omstandigheden waarbij de eiser geen (andere) bezittingen had die voor eenvoudige uitwinning in aanmerking kwamen, elk afzonderlijk daden uitmaken waarbij het onvermogen van de eiser werd georganiseerd;

– het bedrieglijk opzet veronderstelt dat de eiser bewust zijn onvermogen organiseert, wetende dat hierdoor de uitwinningsmogelijkheden van zijn schuldeisers ernstig worden belemmerd. De beweerde fiscale motieven zijn enkel relevant voor de daden die de eiser stelt zonder schuldenaar te zijn van een zekere en opeisbare schuld. Zodra dit wel het geval is, zijn de bewuste handelingen waarbij de toestand van onvermogen wordt bestendigd, wetende dat de uitwinningsmogelijkheden hierdoor worden gefnuikt, niet langer (louter) ingegeven door fiscale belangen, maar gesteld met het vereiste bedrieglijk opzet om de gedwongen uitvoering te belemmeren;

– uit de gegevens van het strafdossier en de behandeling ter rechtszitting blijkt dat de eiser op eigen naam geen beslagbare goederen had die toelieten de schuldvordering van de verweerster te verhalen. Bovendien wist hij zeer goed dat door zijn handelingen werd vermeden dat op zijn naam actief zou ontstaan dat voor uitwinning in aanmerking kwam. Aangezien de eiser op 14 september 2009 wist dat de verweerster betaling verlangde van haar zekere en opeisbare schuld, handelt hij in de incriminatieperiode niet langer uit louter fiscale overwegingen, maar strekte zijn handelen (tevens) wetens en willens tot het fnuiken van de uitwinningsmogelijkheden van de verweerster. De eiser bevestigde trouwens ter rechtszitting dat hij simpelweg niet wil betalen omdat hij de verweerster verantwoordelijk acht voor het mislukken van het project.

Het cassatieberoep wordt op 21 oktober 2025 verworpen.

Lees hier het arrest

Boeken in de kijker: