Kan een AGB de fiscale voordelen van een “kleine vennootschap” genieten? (GD&A Advocaten)

Auteurs: Steven Michiels en Nathalie Wouters (GD&A Advocaten)

Publicatiedatum: 28/07/2021

Kleine vennootschappen genieten in de vennootschapsbelasting enkele fiscale voordelen. Hoewel talrijke autonome gemeentebedrijven voldoen aan de materiële voorwaarden om als “klein“ te worden aangemerkt, lijkt de fiscus nu deze voordelen aan autonome gemeentebedrijven te ontzeggen louter omdat ze geen “vennootschap” zijn in de zin van het WVV. Een discriminerende én concurrentieverstorende interpretatie.

Vennootschappen die “klein” zijn in de zin van art. 15, §§1 tot 6 W. Venn. (artikel 1:24, §1 van het WVV) genieten talrijke fiscale voordelen: afschrijving naar wens van bij de aankoop horende kosten (art. 196, § 2 WIB92), gewone éénmalige investeringsaftrek voor kwalificerende investeringen in nieuwe activa (art. 201 § 1 lid 1 1° WIB92), geen verplichte eerste afschrijving pro rata (tot en met boekjaar 2019 art. 196 WIB 92),…

Art. 1:24, §1 WVV bepaalt dat kleine vennootschappen de vennootschappen met rechtspersoonlijkheid zijn, die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden:

  • jaargemiddelde van het aantal werknemers: 50;
  • jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde: 9 000 000 euro;
  • balanstotaal: 4 500 000 euro.

Vermits de criteria vrij hoog liggen, overschrijden de meeste autonome gemeentebedrijven niet méér dan één criterium en voldoen ze dus materieel aan de voorwaarden van kleine vennootschap. De fiscus blijkt nu in de praktijk evenwel vrij systematisch het standpunt in te nemen dat autonome gemeentebedrijven niet als kleine vennootschap kunnen worden aangemerkt en dus evenmin de bijhorende fiscale voordelen kunnen genieten.

De oorsprong van de discussie is gelegen in het feit dat het begrip “vennootschap” in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB 92) veel ruimer is gedefinieerd dan hetzelfde begrip “vennootschap” in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV). Wanneer het gaat om het opleggen van (vennootschaps)belasting hanteert de fiscus het ruime begrip (uit het WIB 92), maar wanneer het gaat om het toekennen van fiscale voordelen wordt opeens de veel engere definitie (uit het WVV) toegepast.

Het is uiteraard correct dat een autonoom gemeentebedrijf geen vennootschap is, waarop het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen rechtstreeks van toepassing is. Een autonoom gemeentebedrijf is immers een publiekrechtelijke rechtspersoon sui generis, die wordt beheerst door het Decreet over het lokaal bestuur. Hieruit lijkt de fiscus meteen af te leiden dat een autonoom gemeentebedrijf niet als een kleine vennootschap kan worden aangemerkt bij de berekening van de vennootschapsbelasting. Dit standpunt is o.i. niet correct.

Art. III.90 van het Wetboek economisch recht (WER) bepaalt immers dat boekhoudplichtige ondernemingen, waaronder autonome gemeentebedrijven, die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen en de uitvoeringsbesluiten ervan, zich moeten gedragen naar de bepalingen van het WVV wat de vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft. De inhoud en de omvang van hun verplichtingen worden bepaald op basis van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen. Dit betekent o.i. dat ook de definitie van “kleine vennootschap”, die net is ingevoerd om de boekhoudkundige verplichtingen van kleine ondernemingen te definiëren, van toepassing moet zijn op autonome gemeentebedrijven.

Het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel van art. 10 en 11 GW lijkt in ieder geval geen toepassing van de fiscale wetgeving te verdragen, die autonome gemeentebedrijven uitsluit van de fiscale voordelen van kleine vennootschappen. Het toekennen van fiscale voordelen aan vennootschappen, die zich in dezelfde omstandigheden bevinden als autonome gemeentebedrijven, bijvoorbeeld privaatrechtelijke extern verzelfstandigde agentschappen onder de vorm van een NV of BV of een PPS-vennootschap, terwijl autonome gemeentebedrijven deze voordelen niet kunnen genieten, zou het gelijkheidsbeginsel geweld aandoen.

Uit het voorgaande moet worden besloten dat de fiscus talrijke autonome gemeentebedrijven discrimineert wanneer ze weigert om ze als “kleine vennootschappen” inzake vennootschapsbelasting aan te merken en dus o.m. het recht op investeringsaftrek verwerpt en verplicht om in het eerste jaar pro rata af te schrijven..

Lees hier het originele artikel