Het zomerakkoord van 26 juli 2017 : gewikt en gewogen (Sherpa Law)

Auteur: Sherpa Law

Publicatiedatum: 02/08/2017

Het eerste ‘stof’ is gaan liggen. Jullie hebben in de talrijke persberichten gelezen dat onze federale regering op 26 juli 2017 een akkoord heeft bereikt omtrent de hervorming en verlaging van de vennootschapsbelasting.

Andere maatregelen uit het zgn. zomerakkoord zijn de belasting op effectenrekeningen, de uitbreiding van de flexi-jobs, btw-aftrek bij onroerende verhuur en de hervorming van de spaarfiscaliteit, met de nadruk op het stimuleren van beleggen in aandelen. De hervorming wordt doorgevoerd in twee stappen: een eerste reeks maatregelen treedt al volgend jaar in werking, op de tweede fase is het wachten tot 2020.

Voorlopig is dit een politiek akkoord. De concrete impact en timing van de verschillende fiscale maatregelen zal pas duidelijk worden van zodra dit akkoord technisch uitgewerkt is en vertaald wordt in wetteksten. Hierna schetsen wij alvast een overzicht van de voornaamste wijzigingen aan de fiscale regels, gebaseerd op de op dit moment publiek beschikbare informatie.

Maatregelen inzake vennootschapsbelasting.

De maatregel die het meest ruchtbaarheid kreeg in de pers, is uiteraard een vermindering van het vennootschapsbelastingtarief van 34% tot 25% (20% voor kmo’s op de eerste schijf van €100 000). Voor 2018 komt er al een verlaging tot 29%. Ook de crisisbijdrage van 3% verdwijnt, weliswaar in twee fasen.

nu 2018 2020
Gewoon tarief 33% 29% 25%
Kmo’s (eerste €100 000) 20% 20%
Crisisbijdrage 3% 2% 0%

Er zullen in de toekomst wellicht ook meer vennootschappen onderworpen zijn aan het KMO tarief. Het toepassingsgebied van de kmo-definitie wordt immers in deze context uitgebreid. Niet alleen vennootschappen die voldoen aan de traditionele criteria van artikel 215, lid 3 WIB92 maar ook ‘kleine vennootschappen’ in vennootschapsrechtelijke zin (art. 15 §1-6 W. Venn.) zouden in aanmerking komen voor het kmo-tarief. Prima nieuws dus.

Verder wordt een vennootschap voortaan verplicht om minstens €45000 per jaar uit te betalen aan een bedrijfsleider. Doet ze dat niet, dan moet ze een bijzondere aanslag van 10% betalen op dat bedrag (of op het verschil tussen €45000 en de effectieve bezoldiging als die lager is). €45000 wordt ook de nieuwe minimumbezoldiging in artikel 215, lid 3, 4° WIB 92 (i.p.v. €36000). Het niet respecteren van die regel leidt dus niet alleen tot een bijzondere aanslag maar ook tot het verlies van het kmo-statuut. Het volstaat om aan slechts één bedrijfsleider dat bedrag uit te betalen. Starters blijven sowieso gevrijwaard van die maatregel (d.w.z. de eerste vier jaar na de oprichting).

Eerste fase : inkomstenjaar 2018

Voor wat, hoort wat. Er is sprake van de invoering van een minimumbelasting van 7%. Hoe gaat dit in zijn werk?

Vooreerst wordt de aftrek van vorige verliezen (aanzienlijk) beperkt. De vorige verliezen worden immers, samen met de notionele interestaftrek, overgedragen DBI’s en de overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten, in een korf gestopt die de maximale aftrek limiteert. De ‘korf’ bedraagt €1 miljoen plus 70% van het bedrag van die aftrekposten boven het miljoen. Dat wil dus zeggen dat tot 30% van het aftrekbare bedrag niet effectief afgetrokken kan worden (wel nog overgedragen naar een volgend jaar). Het gevolg is dat die 30% een minimale belastbare basis vormt: de vennootschap wordt er toch op belast in de situatie waarin er eigenlijk geen belastbare basis overblijft doordat de vorige verliezen (of andere aftrekbare bestanddelen) hoger zijn dan de winst. Dit verklaart de “minimumbelasting” van 7,5% (25% – het nieuwe belastingtarief weliswaar in 2020 – van 30% is 7,5%, eventjes afgezien van die basis van €1 miljoen waarop wel nog de volledige aftrek toegepast kan worden)

De notionele aftrek zou beperkt worden tot de aangroei van het risicokapitaal van de laatste vijf jaar (op basis van een gewogen gemiddelde). De overdrachtsregeling blijft ongewijzigd van kracht. De investeringsreserve verdwijnt (met een uitdoofscenario voor bestaande reserves).

Een opvallende maatregel: kosten die slaan op activiteiten of inkomsten van volgende jaren, zijn slechts aftrekbaar in die volgende jaren. Met andere woorden, het boekhoudkundige matching-principe wordt hier fiscaal doorgetrokken. Voortaan zal het dus niet meer mogelijk zijn om vooruitbetaalde huur in het jaar van betaling in één keer in aftrek te nemen.

Kapitaalverminderingen zullen voortaan pro rata aangerekend worden op gestort kapitaal en (in kapitaal geïncorporeerde) belaste reserves. De mogelijkheid om de vermindering bij voorrang en uitsluitend aan te rekenen op gestort kapitaal (Com. IB 92, nr. 18/30), vervalt. Reserves die in het kapitaal opgenomen zijn via de ‘vastklikregeling’ van artikel 537 WIB 92, worden (logischerwijze) niet geviseerd.

De fiscale voordelen voor inschakelingsbedrijven (dubbele vrijstelling van de aangroei van de belastbare winst) worden afgeschaft.

De belastingheffing op meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting wordt nog maar eens gewijzigd. Tot op heden waren grote ondernemingen een minimale belasting van 0,412% verschuldigd op de gerealiseerde meerwaarden op aandelen die meer dan een jaar werden aangehouden. Deze regeling wordt afgeschaft. Vanaf 2018 worden meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting onderworpen aan een tarief van 25%. De vrijstelling van meerwaarden op aandelen wordt ingeperkt door ze voortaan ook te onderwerpen aan de participatievoorwaarde die voor de DBI-aftrek geldt – naast de andere voorwaarden inzake DBI-aftrek. Er wordt dus een minimumparticipatie van 10% verwacht of aanschaffingswaarde van meer dan 2,5 miljoen euro, eigendom gedurende meer dan een jaar aangehouden. Dit betekent dat meerwaarden op aandelenparticipaties van minder dan 10% (en met een aanschaffingswaarde van minder dan 2,5 miljoen euro) in principe steeds onderworpen zullen worden aan een belasting van 25%.

Ook op het vlak van herbeleggingsmeerwaarden wordt ingegrepen. Als er een tariefverlaging in aantocht is, kan het immers interessant zijn om de meerwaarde vrij te stellen of gespreid te laten belasten (art. 47 WIB 92), zelfs al weet men dat men niet aan de voorwaarden voldoet omdat men niet van plan is te herinvesteren. Als de meerwaarde later toch nog belast wordt, bij het verstrijken van de herinvesteringstermijn, profiteert men dan toch van het intussen verlaagde tarief. Slecht nieuws want juist om voormeld voordeel te vermijden, zal het tarief gehanteerd worden dat van toepassing was op het moment van de realisatie van de meerwaarde.

De hervorming houdt niet alleen het schrappen van aftrekposten in maar bevat ook nieuwe stimulansen. Zo wordt de investeringsaftrek tijdelijk verhoogd tot van 8% tot 20% weliswaar enkel voor kmo’s en zelfstandigen. En de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijk onderzoek wordt “gefaseerd uitgebreid” (bv. tot bachelor-diploma’s/ voorheen enkel masterdiploma’s).

Maatregelen die betrekking hebben op Zelfstandigen

Naar wij vernemen, zouden zelfstandigen te maken krijgen met enkele beperkingen die tot nu toe alleen voor vennootschappen golden, met name inzake autokosten en de stopzettingsregeling (geen ‘desaffectatie’ van beroepsactiva meer om belasting te vermijden).

Daar staat tegenover dat zelfstandigen een extra voordeel krijgen door een hervorming van het beroepskostenforfait. Hoe die er zal uitzien, is nog koffiedik kijken maar de regering spreekt van een “harmonisering” van de regeling voor loontrekkers en zelfstandigen.

Specifieke maatregelen met betrekking tot sancties

De sanctie voor het niet indienen van een belastingaangifte wordt opgetrokken. De forfaitaire minimumwinst klimt – in twee stappen – van € 19 000 naar € 40 000 (art. 182 § 2 KB/WIB 92). Al zal de vermindering van het vennootschapsbelastingtarief uiteraard de financiële gevolgen van het optrekken van de sanctie iets temperen.

Voorts is het de bedoeling dat voortaan effectief belasting betaald moet worden op een belastingsupplement dat gevestigd wordt naar aanleiding van een controle. Ook dat supplement vormt dus een minimale belastbare basis. Verliezen mogen er bijvoorbeeld niet meer van afgetrokken worden. De regering wil bedrijven er op die manier toe aan zetten om alles ‘juist’ aan te geven.

Voorts wordt de basisrentevoet voor voorafbetalingen verhoogd van 1% naar 3%. Vennootschappen die niet voorafbetalen, zullen dus méér betalen.

Daartegenover staat wel dat de moratorium- en nalatigheidsinteresten hervormd worden. De vaste rentevoet van 7% wordt verlaten. Het tarief wordt nu gekoppeld aan de OLO-rente, met een minimum van 2% voor moratoriuminteresten. Nalatigheidsinteresten zullen steeds 2% hoger liggen dan de moratoriuminterest. Het zal het dus niet meer lonen om ‘te veel’ belastingen te betalen enkel en alleen met de bedoeling om dan hoge moratoriuminteresten te ontvangen als de fiscus moet terugbetalen.

Tweede fase in 2020

Een tweede – belangrijk – pakket maatregelen is gereserveerd voor 2020.

Er zal gedurende 2 jaar een maatregel van kracht worden die het mogelijk maakt om belastingvrije reserves om te zetten in belaste reserves tegen een tarief van 15% of 10%.

De (netto?) interestkosten zullen nog slechts beperkt fiscaal aftrekbaar zijn ten belope van 30% van de EBITDA. Voor leningen die dateren van voor 17 juni 2016 zal een grandfathering regel hierop een uitzondering voorzien.

De mogelijkheid om activa af te schrijven door middel van degressieve afschrijvingen wordt geschrapt. KMO’s zullen vanaf dan ook in het jaar van aanschaffing nog slechts pro-rata temporis kunnen afschrijven. Er zullen strengere aftrekbeperkingen voor autokosten worden opgelegd.

Er komt een “economische invulling” van het begrip vaste inrichting om internationale winstverschuivingen tegen te gaan (zgn. diverted profits tax). België zal verder ook een CFC-wetgeving invoeren conform de Europese richtlijn van 12/07/2016 waarbij de inkomsten van een “gecontroleerde buitenlandse vennootschap” alsnog in België belast kunnen worden.

Er wordt vanaf 2020 ook een systeem van fiscale consolidatie in België doorgevoerd. België is één van de weinige landen waar dit nog niet mogelijk is. Verliezen en winsten van verschillende groepsvennootschappen zullen vanaf dan met elkaar kunnen gecompenseerd worden. Dit zou enkel gelden voor de toekomst (d.w.z. geen compensatie van winsten van de ene vennootschap door overgedragen verliezen van een andere groepsvennootschap die dateren van voor 2020). We zijn benieuwd hoe dit wetgevend wordt uitgewerkt.

Tot slot lezen wij dat de aftrekbaarheid van de aanslag geheime commissielonen en van btw-boetes wordt geschrapt en dat de voordelen voor bijkomend personeel worden afgeschaft.

Spaarfiscaliteit hervormd

Vanaf 2018 zal een abonnementstaks op effectenrekeningen ingevoerd worden. Beleggers die over één of meerdere effectenrekeningen beschikken met een totale waarde van 500.000 € of meer (te beoordelen per belastingplichtige) zullen belast worden aan 0,15% op de waarde van de effectenrekeningen. De heffing is bedoeld voor aandelen, obligaties en fondsen. Pensioenspaarfondsen en niet-beursgenoteerde aandelen worden vrijgesteld.

Voor de gereglementeerde spaarrekeningen zal de fiscale vrijstelling verlaagd worden van 1.880 € naar 940 €. Anderzijds wordt er een vrijstelling voor de eerste 627 € aan ontvangen dividenden geïntroduceerd. Zo wil de regering de burger als het ware dwingen om naast het spaarboekje ook andere horizonten te verkennen, en met name te beleggen in risicokapitaal.

Ook het pensioensparen wordt flexibeler. Zo zal er voortaan de keuze bestaan om 1.200 € te sparen tegen een fiscaal voordeel van 25% of 300 €, ofwel om 940 euro te sparen tegen een fiscaal voordeel van 30% of 282 € (i.e. het huidige systeem). Met ongeveer hetzelfde fiscale voordeel – in absolute termen – zal men dan tot een hoger eindbedrag kunnen komen.

Deze in het oog springende maatregelen worden gecombineerd met minder opvallende maar daarom niet minder belangrijke maatregelen zoals een verhoging van de beurstaksen (van 0,27% naar 0,35% voor aandelen en van 0,09% naar 0,12% voor obligaties).

Voorts wordt de kaaimantaks aangescherpt, o.m. om dubbelstructuren aan te pakken.

Meer flexi-jobs

Het systeem van de flexi-jobs, dat tot nu toe alleen in de horeca bestond, zou vanaf 1 januari 2018 uitgebreid worden tot “alle handelsactiviteiten”. Het zou gaan om de detailhandel, de zelfstandige kleinhandel, de kleinhandel in voedingswaren, grote kleinhandelszaken en warenhuizen. De regering noemt als voorbeelden een bakker, een krantenwinkel en een kapsalon. In al die handelszaken kunnen mensen die al elders een volwaardige job hebben, dus voortaan (onbeperkt) belastingvrij bijklussen. En het regime wordt ook opengesteld voor gepensioneerden.

Bovendien zou er een soortgelijke belastingvrijstelling komen ­– weliswaar beperkt tot inkomsten van €6 000 per jaar – voor alle inkomens uit vrijetijdswerk en bepaalde functies in de non-profitsector, en voor diensten van particulieren aan particulieren.

Goed nieuws is ook dat de mogelijkheid van btw-aftrek ingevoerd wordt voor het bouwen of verwerven van voor verhuur bestemde appartementen. Onroerende verhuur is vrijgesteld van btw, en dat betekent dat er in principe ook geen recht is op btw-aftrek. Maar ondernemers zouden nu de mogelijkheid krijgen om te kiezen voor onderwerping aan btw en op die manier ook hun aftrek veilig stellen. De regering wil daarmee “een einde stellen aan de competitiviteitshandicap van de Belgische operatoren”.

Tot slot wil de regering het fiscaal aantrekkelijker maken om werknemers te laten delen in de winst van de onderneming, en wordt de tax shelter voor starters uitgebreid tot ‘groeibedrijven’.

We zijn erg benieuwd naar de uiteindelijke wetgevende teksten die voormeld akkoord in de praktijk moeten uitwerken.

We houden jullie in ieder geval op de hoogte.

Lees hier het originele artikel