Hervorming vennootschapsbelasting : wat verandert er op 1 januari 2018? (De Broeck, Van Laere & Partners)

Auteur: De Broeck, Van Laere & Partners

Publicatiedatum: 15/01/2018

In het laatste Staatsblad van 2017 is op de valreep nog de wet verschenen die de vennootschapsbelasting hervormt. Van de 36 pagina’s maatregelen treden de meeste pas in 2020 in werking. Maar ook in 2018 verandert er al heel wat. Hieronder volgt een eerste overzicht, met de nadruk op de maatregelen die voor kleine vennootschappen van belang zijn.

Het meest in het oog springt natuurlijk de tariefdaling. Het gewone tarief in de vennootschapsbelasting wordt vanaf 1 januari 2018 gereduceerd tot 29%. Omdat tegelijk ook de crisisbijdrage van 3% daalt tot 2%, zakt het effectieve tarief van 33,99% tot 29,58%.

20,4% op eerste 100.000 voor kleine vennootschappen

Kleine vennootschappen komen in aanmerking voor een gunsttarief van 20% (20,4% met crisisbijdrage). Dat is van toepassing op de eerste schijf van 100.000 euro. Op de rest wordt het gewone tarief aangerekend. ‘Kleine vennootschap’ moet verstaan worden in de zin van artikel 15 van het Wetboek Vennootschappen (zie al ons artikel “Lager KMO-tarief, maar niet noodzakelijk voor huidige KMO’s”).

Er is geen beperking meer volgens het belastbaar resultaat. Ook een (kleine) vennootschap met een resultaat van meer dan 322.500 euro (tot nu toe was dat de grens) heeft dus recht op het tarief van 20%, zij het alleen op de eerste 100.000 euro. Er zijn ook nog andere voorwaarden. De belangrijkste daarvan is dat de vennootschap een bezoldiging van minstens €45.000 moet toekennen aan minstens één bedrijfsleider (of ten belope van het belastbaar resultaat als dat lager is). Starters zijn gedurende de eerste vier jaar vrijgesteld van de voorwaarde om de bedrijfsleider een dergelijk bedrag uit te keren.

Stimuli voor investeringen en onderzoek

En dat is niet het enige goede nieuws. Speciaal voor kleine vennootschappen stijgt de investeringsaftrek van 8% tot 20%. De verhoging blijft slechts twee jaar van kracht. De aftrek van 20% kan men toepassen op investeringen die gedaan worden in de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2019 (aan welk boekjaar of aanslagjaar ze ook toegerekend worden).

Een tweede gunstmaatregel betreft de uitbreiding van de bestaande vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijke onderzoekers. Het gunstregime wordt nu ook opengesteld voor onderzoekers met een bachelor-diploma (tot nu toe alleen masters of doctors). In een eerste fase bedraagt het vrijstellingspercentage echter slechts 40% (80% voor de andere diploma’s).

Compenserende maatregelen

Omdat de hele hervorming budgetneutraal moet blijven, staan tegenover de tariefdaling onvermijdelijk ook maatregelen die meer geld in het laatje moeten brengen voor de Schatkist.

Kapitaalverminderingen niet meer volledig belastingvrij

Een van de opmerkelijkste daarvan betreft het fiscale regime van kapitaalverminderingen. Tot nu toe kon gestort kapitaal belastingvrij uitgekeerd worden. Voortaan is dat niet langer het geval als er kapitaal uitgekeerd wordt terwijl de vennootschap ook nog aanzienlijke beschikbare reserves heeft. De kapitaalvermindering wordt in dat geval pro rata aangerekend op de reserves. De uitkering zal dus gedeeltelijk belast worden als dividend.

De reserves waarvan sprake, zijn de belastingvrije reserves in kapitaal en de belaste reserves. Het gaat dus zeker niet alleen om de in kapitaal geïncorporeerde reserves. Naast belastingvrije reserves buiten kapitaal blijven nog verschillende andere categorieën van reserves buiten schot, waaronder de wettelijke reserve en de ‘liquidatiereserves’.

Voorbeeld: een vennootschap heeft een gestort kapitaal van 100, waarvan ze 50 wil uitkeren. Als die vennootschap ook nog 400 aan belaste reserves op de balans heeft staan, zal slechts 20% van de uitkering (100/(100+400)) fiscaal aangerekend worden op het kapitaal, dus 10. De overige 40 of 80% wordt aangerekend op de reserves en zal bij uitkering belast worden als een dividend.

Vrijstelling meerwaarden op aandelen: participatievoorwaarde

Verder wordt de vrijstelling van meerwaarden op aandelen ingeperkt. Die vrijstelling was tot nu toe onderworpen aan twee voorwaarden: 1) de aandelen moeten een jaar in bezit geweest zijn en 2) het moet gaan om aandelen van een normaal belaste vennootschap (een vennootschap die geen gunstregime geniet). Daar komt nu een derde voorwaarde bij: de aandelen in kwestie moeten 10% van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, of een participatie van ten minste 2.500.000 euro. Dat is de zogenaamde participatievoorwaarde.

Vooruitbetaalde kosten en voorzieningen: mogelijkheden beperkt

Voortaan moeten kosten ook toegerekend worden aan het jaar waarop ze betrekking hebben (“matching”-principe). Vooruitbetaalde kosten kunnen dus niet meer in aftrek gebracht worden. Een huur die voor verschillende jaren tegelijk in één keer betaald wordt, mag met andere woorden niet meer in één keer afgetrokken worden. En een lidgeld dat in juni betaald wordt voor de periode van juli 2018 tot juni 2019, zal nog maar voor de helft in aftrek mogen komen in boekjaar 2018.

Een vrijgestelde voorziening voor risico’s en kosten aanleggen, wordt ook minder gemakkelijk. Dat kan alleen nog als de risico’s of kosten voortvloeien uit een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting. Voorbeelden zijn garantieverplichtingen of kosten die hun oorzaak vinden in de milieuwetgeving. Maar voor reparaties of grote onderhoudswerken kan geen vrijgestelde voorziening meer aangelegd worden. Dat op basis van de boekhoudregels wel een voorziening mogelijk is (of misschien zelfs verplicht), maakt niet uit. Bestaande voorzieningen (aangelegd vóór 2018) ontspringen overigens de dans. Die blijven zonder problemen vrijgesteld.

Sancties

Ook de sancties worden aangescherpt.

Volledig nieuw is een sanctie voor vennootschappen die geen 45.000 euro uitkeren aan een bedrijfsleider (of minstens een bedrag ten belope van het belastbaar resultaat als dat lager is). Er wordt een afzonderlijke aanslag van 5% toegepast op het “tekort”. Voorbeeld: bij een belastbaar resultaat van 50.000 euro, moet 25.000 euro uitgekeerd worden aan een bedrijfsleider (het belastbaar resultaat – na aftrek van de bedrijfsleidersbezoldiging – is lager dan 45.000). Als er in werkelijkheid slechts 20.000 betaald is, zal de fiscus op het “tekort” van 5.000 euro een afzonderlijke aanslag vestigen ten belope van 250 euro (5% van 5.000).

Eigenlijk zijn er dus twee sancties voor wie de regel van 45.000 euro niet respecteert: verlies van het verlaagd tarief van 20%, en de afzonderlijke aanslag van 5%.

Met de verplichting om een voldoende hoge bedrijfsleidersbezoldiging te betalen, en de bijhorende sanctie, wil de regering vermijden dat zelfstandigen alleen om fiscale redenen een vennootschap oprichten nu het vennootschapsstatuut door de tariefdaling aantrekkelijker geworden is.

Voorts vormt een belastingsupplement naar aanleiding van een controle voortaan een minimale belastbare basis. Men moet er dus altijd belasting op betalen omdat er geen aftrekken zoals van verliezen (overgedragen verliezen of verliezen van het boekjaar) op toegepast mogen worden. Die maatregel moet vennootschappen ertoe aanzetten de belastbare inkomsten zo juist mogelijk aan te geven.

Die regel is echter niet van toepassing als er geen belastingverhoging opgelegd wordt, dus bijvoorbeeld bij een zogenaamde principiële betwisting. Dan mogen verliezen enz. dus wel nog afgetrokken worden van het belastingsupplement.

Voorts wordt de forfaitaire minimumwinst bij niet-aangifte in een eerste fase opgetrokken van 19.000 tot 34.000 euro.

Daarnaast wil de wetgever dat er meer voorafbetaald wordt. De sanctie voor onvoldoende voorafbetalingen stijgt immers van 1% tot 3%. Dat is nu de wettelijk vastgelegde basisrentevoet om de vermeerdering te berekenen.

Ten slotte wordt ook de rentevoet voor nalatigheids- en moratoriuminteresten aangepast. De tarieven dalen, maar er wordt een sanctie ingebouwd doordat de nalatigheidsinterest (wat de belastingplichtige moet betalen) 4% bedraagt en daarmee 2% hoger ligt dan de moratoriuminterest (wat de fiscus moet betalen) (zie ons artikel “Rentevoet voor nalatigheids- en moratoriuminteresten gaat drastisch omlaag”).

Al die nieuwigheden zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019, en op voorwaarde dat het boekjaar aanvangt op of na 1 januari 2018.

In een volgend artikel gaan we nog in op een reeks maatregelen die doorgaans vooral voor grote vennootschappen relevant zijn, waaronder de inperking van de notionele interestaftrek en de zogenaamde minimumbelasting.

Bron: Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, Staatsblad van 29 december 2017

Bedrijfswagens worden iets duurder in 2018

De formule voor de berekening van het belastbare “voordeel van alle aard” voor het gebruik van een bedrijfswagen wordt elk jaar aangepast aan de evolutie van de gemiddelde uitstoot van het wagenpark. Doordat die gemiddelde uitstoot iets gedaald is, stijgt – bij een gegeven uitstoot – het belastbare voordeel. Deze keer worden alleen dieselauto’s (iets) duurder.

Sinds 1 januari 2012 wordt het voordeel van alle aard voor het gebruik van een firmawagen berekend aan de hand van de catalogusprijs en de CO2-uitstoot. Voor de factor CO2 wordt uitgegaan van een zogenaamde referentie-uitstoot. Hoe verder men boven die referentiewaarde zit, hoe meer belasting men betaalt. Vanuit het perspectief van de overheid betekent dit dat de belastinginkomsten zakken naarmate er meer auto’s komen met een lagere CO2-uitstoot. Om dat effect tegen te gaan, wordt de formule voor de berekening van het voordeel elk jaar aangepast aan de evolutie van de gemiddelde uitstoot van het wagenpark (er wordt gekeken naar de nieuw verkochte auto’s in een bepaalde referentieperiode, met name oktober van het ene jaar tot september van het volgende jaar).

Concreet bedroeg de referentie-uitstoot voor een auto met dieselmotor oorspronkelijk 95 gram CO2 per kilometer. Voor die uitstoot geldt een “basispercentage” van 5,5% (van de catalogusprijs). Voor elke gram uitstoot boven de referentiewaarde wordt er 0,1% opgeteld bij het basispercentage. Voor elke gram beneden de referentiewaarde gaat er 0,1% af. Voor auto’s met een benzinemotor was de referentiewaarde oorspronkelijk 115 gram per kilometer.

“Referentie-uitstoot” lager, belasting hoger

Naarmate de gemiddelde uitstoot van het wagenpark afneemt, komt ook die referentiewaarde lager te liggen. Een lagere referentie-uitstoot betekent een hoger voordeel van alle aard en dus een hogere belasting. Vorig jaar was de referentiewaarde al gezakt tot 87 gram voor dieselauto’s en 105 gram voor benzineauto’s.

Voor inkomstenjaar 2018 is er nu een verdere daling tot respectievelijk 86 gram CO2 per km voor auto’s met een dieselmotor. Voor wagens met een benzinemotor blijft de referentiewaarde onveranderlijk 105 gram. Dat is een gevolg van afronding van de effectieve waarde.

Lees hier het originele artikel