Conflicten tussen vennoten onder het nieuwe WVV: een vernieuwde en verbeterde geschillenregeling (Sherpa Law)

Auteurs: Tom Vanraes en Justine Tetteroo (Sherpa Law)

Publicatiedatum: 05/12/2019

I. INLEIDING

Vennootschappen worden opgericht wanneer plannen worden gesmeed en partijen met de beste intenties samen een verhaal willen schrijven. Toch kan het af en toe eens fout lopen en komt het voor dat aandeelhouders niet langer door eenzelfde deur kunnen. Indien er in zulk geval geen goede regeling werd getroffen zitten aandeelhouders soms ‘gevangen’ in hun vennootschap.

In dergelijke gevallen wordt door de aandeelhouders vaak een toevlucht gezocht in de geschillenregeling. Deze gerechtelijke procedure biedt een aandeelhouder de mogelijkheid om – onder welbepaalde voorwaarden – een andere aandeelhouder uit de vennootschap te sluiten, waardoor deze laatste wordt verplicht om zijn aandelen over te dragen aan de aandeelhouder die dit vordert (i.e. de uitsluitingsprocedure). Het spiegelbeeld hiervan betreft de vordering van een aandeelhouder tot uittreding, waarbij een andere aandeelhouder – onder welbepaalde voorwaarden – verplicht kan worden om de aandelen van de aandeelhouder die dit vordert over te nemen (i.e. de uittredingsprocedure).

Hoewel de geschillenregeling een zeer doeltreffend middel is dat aandeelhouders in een vennootschap de mogelijkheid geeft op een zogenaamde ‘vennootschapsrechtelijke scheiding’, kende zij toch enkele belangrijke pijnpunten. Met de geschillenregeling onder het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) wilde de wetgever deze onvolkomenheden van de oude regeling aanpakken en wegwerken.

In afwijking van de overige bepalingen van het nieuwe WVV, verkregen de bepalingen met betrekking tot de geschillenregeling reeds onmiddellijk uitwerking. De nieuwe geschillenregeling geldt voor vorderingen die werden ingesteld na 1 mei 2019. Voor vorderingen die voordien zijn ingeleid, blijven de oude regels nog gelden.

II. DE VERBETERDE GESCHILLENPROCEDURE – EEN OVERZICHT VAN ENKELE WEGGEWERKTE PIJNPUNTEN

De oude regeling kenmerkte zich o.a. door onzekerheid omtrent de waardering (peildatum, waarderingsmethode, décotes,…) van de over te dragen / over te nemen aandelen door de rechter, die op dit vlak een vrij ruime beslissingsbevoegdheid had. In de rechtspraak werd de visie gehanteerd dat de waarde van de aandelen in beginsel zou moeten worden geraamd op het tijdstip waarop de rechter de overdracht ervan beveelt. De rechter mocht evenwel een andere peildatum in aanmerking nemen zodat de gedragingen of de omstandigheden – die aanleiding gaven tot het instellen van de geschillenregeling en een invloed hadden op de waarde van de aandelen – buiten beschouwing konden worden gelaten. Tevens werd aangenomen dat de rechter – die voor de waardering van de aandelen een deskundige aanstelde – niet verplicht was om richtlijnen aan deze deskundige te geven over de wijze waarop de aandelen dienden te worden gewaardeerd en bestond er controverse omtrent de vraag of een rechter gebonden was door eventuele conventionele prijsbepalingen opgenomen in een aandeelhoudersovereenkomst of een statutaire clausule.

Het nieuwe WVV heeft getracht om deze – in de rechtsleer en rechtspraak – omstreden vragen op te lossen en neemt aan dat partijen voortaan afspraken kunnen maken omtrent de waardebepaling van de aandelen, die voor de rechter bindend zullen zijn, maar enkel voor zover ze specifiek betrekking hebben op de hypothese van de geschillenregeling. Zijn dergelijke afspraken niet gemaakt, of leiden deze afspraken tot een kennelijk onredelijke prijs, dan behoudt de rechter zijn volle appreciatiebevoegdheid om de waarde van de aandelen te bepalen. Ook wordt de heersende rechtspraak met betrekking tot de peildatum bevestigd. Het uitgangspunt blijft dat de waarde van de aandelen in beginsel moet worden geraamd op het tijdstip dat de rechter de eigendomsoverdracht beveelt. De rechter mag hiervan evenwel afwijken indien deze raming – gelet op alle relevante omstandigheden, de gedragingen van de partijen daarin begrepen – tot een onredelijk resultaat leidt.

De oude regeling kenmerkte zich ook door de noodzaak om diverse samenhangende aspecten van de ‘vennootschapsrechtelijke scheiding’ samen met de uitsluitings- of uittredingsvordering te behandelen. De rechter die zich over de uittredings- of uitsluitingsvordering diende uit te spreken mocht immers alleen maar daarover oordelen en was bijvoorbeeld niet bevoegd om te oordelen over de vraag of de andere aandeelhouders door bewuste maatregelen de waarde van de aandelen hadden uitgehold of om een regeling te bepalen omtrent niet-concurrentieverplichtingen in hoofde van de vertrekkende aandeelhouder. Evenmin was de rechter bevoegd om kennis te nemen van een eventuele tegenvordering tot gerechtelijke ontbinding van de vennootschap, wanneer in de loop van de procedure bleek dat een ontbinding meer aangewezen was dan een uitsluiting of uittreding. De aandeelhouder die in voornoemde gevallen een recht wou afdwingen, diende een afzonderlijke vordering voor een andere rechter in te stellen.

Uit proceseconomische overwegingen werd ook dit pijnpunt aangepakt, en voorziet het nieuwe WVV in een verruiming van de bevoegdheid van de rechter door hem in staat te stellen geschillen op te lossen die met de uitsluiting of uittreding van een aandeelhouder verband houden. Het gaat o.a. over financiële verhoudingen van de vennootschap en de vertrekkende aandeelhouder (bv. een vordering tot terugbetaling van een rekening-courant), alsook over zijn vrijheid om nadien een concurrerende activiteit op te zetten. De rechter zou bijgevolg aan de uittredende aandeelhouder een niet-concurrentiebeding kunnen opleggen. Voorts wordt ook nog bevestigd dat de rechter eveneens bevoegd is om elk geschil betreffende het eigendomsrecht op effecten op te lossen, in zoverre dit nodig zou zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vordering.

De nieuwe regeling zal dus tot gevolg hebben dat minder procedures dienen te worden gevoerd en dat de diverse geschilpunten tussen de betrokken aandeelhouders meteen in één procedure door dezelfde rechter kunnen worden beslecht. Tegelijk laat de nieuwe regeling toe dat partijen op voorhand betere afspraken maken over de waarde van de aandelen. Op dit vlak kan het dus aangewezen zijn om deze afspraken (in de statuten of in een aandeelhoudersovereenkomst) hier goed op af te stemmen.

III. DE BUITENRECHTELIJKE UITTREDING EN UITSLUITING TEN LASTE VAN HET VENNOOTSCHAPSVERMOGEN

Maar er is meer. Het nieuwe WVV creëert een bijkomende mogelijkheid om – via een buitengerechtelijke weg – een ‘vennootschapsrechtelijke scheiding’ van de aandeelhouders te regelen, m.n. door de uittreding en uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen. Dit betreft een concept dat op vandaag al bestaat voor de coöperatieve vennootschappen, maar dat nu ook wordt ingevoerd voor de nieuwe BV (oude BVBA). De nieuwe wet bepaalt dat in de statuten van een BV kan worden voorzien in de mogelijkheid van een uittreding of uitsluiting van vennoten ten laste van het vennootschapsvermogen. Bij een uittreding of uitsluiting is de financiering van de overname door de overblijvende aandeelhouder(s) immers vaak een probleem.

Indien gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid, zal een vennoot dus ook kunnen uittreden of kunnen worden uitgesloten zonder dat een procedure dient gevoerd te worden en zonder dat zijn aandelen dienen te worden overgenomen door de overige vennoten. Tenzij de statuten anders zouden bepalen, krijgt de uittredende of uitgesloten aandeelhouder immers recht op een scheidingsaandeel (dat maximaal gelijk is aan de netto-actiefwaarde van de aandelen volgens de laatst goedgekeurde jaarrekening) dat betaald wordt vanuit het vennootschapsvermogen, voor zover de vennootschap over voldoende vermogen beschikt om deze uitbetaling door te voeren (balanstest + liquiditeitstest dient te worden doorgevoerd). De aandelen van de uittredende of uitgesloten aandeelhouder worden voorts vernietigd door de vennootschap, zodat een statutenwijziging bij notariële akte vereist zal zijn.

Een nadeel van deze wettelijk voorziene uitstap- of uitsluitingsregeling is wel dat de netto-actiefwaarde van de aandelen de bovengrens is, zodat geen rekening zal worden gehouden met de eventuele rendementswaarde bij de overname van de aandelen. In sterk winstgevende vennootschappen met een laag eigen vermogen zal deze uitstapmogelijkheid vaak weinig billijk zijn. In dergelijk geval zullen andere conventionele exit-mechanismen in een aandeelhoudersovereenkomst mogelijk tot een beter (meer gewenst) resultaat kunnen leiden voor de betrokken aandeelhouder.

IV. BESLUIT

Onze ervaring leert dat bij aanvang van de vennootschap te weinig aandacht wordt besteed aan de exit-mogelijkheden voor vennoten, hetgeen vaak pijnlijke gevolgen met zich meebrengt in een later stadium.

Waar de wetgever zich duidelijk heeft ingespannen om de vereiste verbeteringen aan de geschillenregeling door te voeren, lijkt het ons toch sterk aangewezen om deze exit-mogelijkheden reeds conventioneel te bepalen hetzij in de statuten, hetzij in een aandeelhoudersovereenkomst.

Lees hier het originele artikel