Conflicten in rechtspersonen: ‘Aandeelhouder uit’ – de vennootschapsrechtelijke echtscheiding (Crivits & Persyn)

Auteurs: Vanessa Ramon en Eveline Lesage (Crivits & Persyn)

In ons vorige artikel over conflicten in rechtspersonen ging het over de voorlopige en bewarende maatregelen onder de noemer ‘Bestuurder uit, voorlopige bewindvoerder in’. In dit artikel gaan we een stap verder met de vennootschapsrechtelijke echtscheiding, waarbij de band tussen aandeelhouder en vennootschap definitief wordt doorgeknipt. Dit kan gebeuren op initiatief van de aandeelhouder zelf, die beslist dat hij uitgekocht wil worden, of die keuze wordt voor hem gemaakt door een andere aandeelhouder of – in bepaalde gevallen – door de vennootschap zelf.

Sinds het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) bestaan er in de besloten vennootschap (BV) twee wettelijke systemen die de exit van de aandeelhouder uit de vennootschap regelen. De eerste weg verloopt obligaat via de rechtbank, met de uittreding en uitsluiting in het kader van de geschillenregeling. Het andere pad is buitengerechtelijk, met de uittreding en uitsluiting lastens het vennootschapsvermogen.

Het resultaat van beide regelingen is hetzelfde: de aandeelhouder verlaat de vennootschap. Niettemin verschillen beide wettelijke regelingen op een aantal cruciale punten van elkaar. Ondanks het conceptuele verschil tussen de twee procedures is het niet ondenkbaar dat er zich situaties voordoen waarbij ze met elkaar in conflict dreigen te komen.

Een schematische analyse

De geschillenregeling is al jarenlang een van de meest succesvolle procedures in het vennootschapsrecht. Deze procedure kan enkel worden toegepast in bepaalde vennootschappen en niet in verenigingen.

Ze biedt enerzijds een aandeelhouder de mogelijkheid om in geval van een conflict uit de vennootschap te treden zonder het voortbestaan van de vennootschap in het gedrang te brengen. Anderzijds laat ze een of meer aandeelhouders (die alleen of samen tenminste 30% van de stemmen of winstrechten vertegenwoordigen) toe om gegronde redenen een aandeelhouder uit de vennootschap te sluiten.

Sinds het WVV kunnen de statuten van de BV daarnaast aandeelhouders ook het recht toekennen om uit te treden of andere aandeelhouders uit te sluiten ten laste van het vennootschapsvermogen. Een exit ten laste van het vennootschapsvermogen betekent dat de ‘prijs’ voor de aandelen, het zogenaamde scheidingsaandeel, betaald wordt door de vennootschap. Dit mechanisme was voorheen enkel mogelijk in de coöperatieve vennootschap. De huidige regelgeving voor de besloten vennootschap is daarop geënt.

Een schematische vergelijking tussen beide regelingen:

tabel

Hier is bovenstaande tabel in een groter formaat te bekijken.

Verhouding tussen beide regelingen in de BV

De wetgever voorziet vandaag in de BV twee exitsystemen – naast overigens de inkoop van aandelen op initiatief van de vennootschap. De vraag stelt zich dan ook of beide regelingen parallel gelden dan wel of de ene voorrang heeft op de andere. Op die vraag heeft het WVV bij de introductie van de nieuwe mogelijkheid tot exit lastens het vennootschapsvermogen geen antwoord voorzien.

De geschillenregeling heeft een dwingend maar tegelijk ook subsidiair karakter. Een consequente doorwerking van het dwingende karakter zou tot gevolg hebben dat te allen tijde een vordering tot uittreding en uitsluiting op grond van de geschillenregeling mogelijk zou moeten zijn, ook al zijn de voorwaarden van een statutair conflictbeschermingsmechanisme vervuld. Met de subsidiariteit van de geschillenregeling in gedachten zou deze procedure maar kunnen worden toegepast als er geen minder ingrijpende actiemiddelen – zoals de buitengerechtelijke procedure lastens het vennootschapsvermogen – kunnen worden aangewend om het conflict op te lossen.

Toch (door)kruisen beide systemen elkaar soms in de praktijk. Enkele voorbeelden:

  • De uitsluitende aandeelhouders kunnen om opportunistische redenen kiezen voor de buitengerechtelijke procedure die statutair is voorzien, omdat de prijs voor de aandelen in dat geval lager uitkomt en de vennootschap de aandelen uitbetaalt, in plaats van de uitsluitende aandeelhouders.
  • De uittredende aandeelhouder die kan aantonen dat er een fundamentele onenigheid is met de medeaandeelhouder en er sprake is van een patsituatie, staat voor een moeilijke keuze. De uittreding via de geschillenregeling voor de rechtbank zou in dat geval wellicht ingewilligd worden en na deskundigenonderzoek een marktconforme prijs opleveren, maar die weegt misschien niet op tegen de jarenlange procedure en de kosten daarvan, inbegrepen die van het deskundigenonderzoek.
  • De aandeelhouder die vreest dat een uitsluitingsprocedure wordt opgestart, kan kiezen voor de vlucht vooruit door zelf nog snel een vordering tot uittreding op basis van de geschillenregeling in te stellen.

Er valt te verwachten dat de rechter geval per geval en afhankelijk van de concrete elementen van het specifieke dossier zal nagaan welke procedure de voorrang geniet. Met andere woorden, er is zeker en vast een twistpunt bijgekomen in conflictueuze situaties.

Mr. Eveline Lesage wijdde haar masterscriptie aan dit onderwerp, met de titel Flexibele modulering van het scheidingsaandeel bij de uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen: een concept verenigbaar met het eigendomsrecht van de aandeelhouder en met de eisen van de goede trouw (KU Leuven academiejaar 2020-2021).

Bron: Crivits & Persyn