Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Corporate Governance
voor familiebedrijven
Mr. Sofie Lerut (advocaat)
Webinar op donderdag 8 oktober 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Faillissementsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak
Mr. Ilse Van de Mierop en mr. Charlotte Sas
(DLA Piper)
Webinar op donderdag 26 november 2026
Vennootschapsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak
Mr. Joris De Vos en mr. Laurens Engelen (Dentons)
Webinar op vrijdag 23 oktober 2026
Zekerheden anno 2026:
een update aan de hand van wetgeving en rechtspraak
Mr. Ivan Peeters (NautaDutilh)
Mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)
Webinar op donderdag 19 november 2026
Bestuurders-aansprakelijkheid voor het niet-doorstorten van bedrijfsvoorheffing gedurende 24 maanden. Ondernemingsrechtbank Antwerpen 2 april 2026 (Eric B.)
Auteur: Eric B.
Samenvatting gemaakt met behulp van AI
Feiten
De Belgische Staat vorderde de hoofdelijke veroordeling van een bestuurder van een orthopedische medische BV tot betaling van € 319.873,16 aan achterstallige bedrijfsvoorheffing. De vennootschap liet na om gedurende 24 opeenvolgende maanden (oktober 2022 t.e.m. november 2024) bedrijfsvoorheffing door te storten aan de Schatkist. De bestuurder argumenteerde dat vertragingen in de commercialisatie door Corona en echtelijke problemen tot de insolventie leidden.
Verweermiddelen
De bestuurder voerde aan dat hij toelating had gekregen tot een gerechtelijke reorganisatie (GHR) en dat hij als goed bestuurder absolute prioriteit wilde geven aan het uitbetalen van het personeelsloon. Hij stelde dat het herstelplan in beroep gehomologeerd was en dat hij miljoenen euro’s aan eigen middelen in de vennootschap had gepompt.
Principes
Het niet-doorstorten van bedrijfsvoorheffing voor ten minste drie maandelijkse vervaldagen per jaar vestigt een wettelijk vermoeden van fout in hoofde van de bestuurder (art. 51 §2 WMGI).
De uitzondering van financiële moeilijkheden (art. 51 §3 WMGI) vereist dat de moeilijkheden acute, plotse en onvoorziene oorzaken hadden die rechtstreeks tot de GHR of het faillissement leidden.
Het doelbewust niet-doorstorten van ingehouden bedrijfsvoorheffing om de bedrijfsexploitatie te financieren vormt een onrechtmatige kredietverschaffing ten koste van de staat.
Besluit
De rechtbank oordeelt dat de jarenlange achterstand het geplande herstelplan en de uitzondering van financiële moeilijkheden uitsluit. De bestuurder wordt hoofdelijk veroordeeld tot de volledige som van € 319.873,16 verhoogd met fiscale nalatigheidsintresten.
» Bekijk alle artikels: Vennootschappen & Verenigingen, Insolventie & Faillissement
















