Alternatieve financieringsvormen
voor ondernemingen:
een waaier aan mogelijkheden
Mr. Carl Clottens, mr. Ivan Peeters en mr. Ken Lioen
(NautaDutilh)
Webinar op dinsdag 19 mei 2026
Onderhoudsuitkeringen:
de impact van de ingrijpende fiscale wijzigingen
Mr. Steven Brouwers, advocaat-bemiddelaar
Webinar op vrijdag 3 juli 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker ons jaarabonnement
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Oude successieplanningen onder de loep:
wat bij gewijzigde omstandigheden?
Mr. Rinse Elsermans (Cazimir)
Webinar op donderdag 8 oktober 2026
‘Zorgkind’ en erfbelasting: rechtbank geeft Vlabel ongelijk inzake de weigering van het tarief in rechte lijn (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)
In een beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 3 september 2025 (gepubliceerd op de website van Vlabel) krijgt Vlabel ongelijk inzake de weigering van het tarief in rechte lijn.
Het tarief van de verkrijging in rechte lijn zoals voorzien in artikel 2.7.4.1.1, §1, tabel I VCF, is, sedert het Vlaams decreet van 20 december 2002, ook van toepassing voor personen die zich in een ‘zorgrelatie’ bevinden/bevonden hebben. Een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat, of heeft bestaan, wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn, indien aan drie voorwaarden voldaan is (zie artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, c) VCF):
- het zorgkind moet vóór de leeftijd van 21 jaar bij de zorgouder-erflater hebben ingewoond;
- gedurende een periode van drie achtereenvolgende jaren;
- tijdens die periode van inwoning hoofdzakelijk van de zorgouder-erflater, eventueel met diens levenspartner tezamen, de hulp en verzorging hebben gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen.
In voorliggend geval oordeelt de rechtbank dat belastingplichtige het vereiste bewijs levert. Belastingplichtige maakt terecht aanspraak op het tarief geldend voor personen die zich in een zorgrelatie bevinden of bevonden hebben. De rechtbank komt tot dit besluit op grond van de voorgelegde stukken en het geheel van de hiernavolgende overwegingen samen, gezien het bewijs van de zorgrelatie hoofdzakelijk bestaat uit twee componenten: de driejarige inwoning en de verkregen hulp en verzorging. :
- Over het vervuld zijn van de eerste component (‘de driejarige inwoning’) is er geen betwisting tussen partijen. Ter zake legt belastingplichtige een attest van de gemeente voor. Daaruit blijkt dat belastingplichtige ingeschreven was op het adres van de erflaatster en diens echtgenoot (zijnde de grootvader van belastingplichtige) van 7 oktober 1980 tot 6 februari 1984 (en ook van 31 augustus 1987 tot 13 september 1989). Vlabel betwist dit niet.
- Ook aangaande de tweede component (‘hulp en verzorging’) levert belastingplichtige naar het oordeel van de rechtbank afdoende bewijs. Belastingplichtige stelt met reden dat, toen zij destijds inwoonde bij de erflaatster en diens echtgenoot (periode 7 oktober 1980 tot 6 februari 1984) er nog geen sprake was van een wettelijke regeling op basis waarvan een erfrechtelijke verkrijging door belastingplichtige uit de nalatenschap van de erflaatster als een verkrijging in rechte lijn kon worden beschouwd. Noch belastingplichtige, noch de erflaatster, noch iemand anders, konden er destijds (in de periode van 1980-1984) derhalve rekening mee houden dat er voldoende bewijs zou moeten voorgelegd worden om de zorgrelatie aan te tonen. De wettelijke regeling voor zorgkinderen werd in het Vlaamse Gewest ingevoerd ongeveer 20 jaar na de inwoning door de belastingplichtige bij erflaatster. De verschillende verklaringen van familieleden en buren, en foto’s tonen, alles samengenomen, afdoende aan dat belastingplichtige in de betrokken periode verzorgd werd door de erflaatster (en diens echtgenoot). Belastingplichtige kan worden bijgetreden dat het niet evident is om documenten te verkrijgen die meer dan 40 jaar oud zijn en bovendien is het niet doorslaggevend wie het kindergeld kreeg of bij wie belastingplichtige ten laste was als kind. Dit zijn elementen die kunnen bijdragen tot het bewijs van zorgouderschap, maar deze zijn op zichzelf niet voldoende. Anders dan Vlabel meent, vormt de omstandigheid dat de vader van belastingplichtige destijds ook inwoonde bij de erflaatster en diens echtgenoot, op zich geen hinderpaal om aan te nemen dat belastingplichtige de vereiste ‘hulp en verzorging’ hoofdzakelijk kreeg van de erflaatster (en diens echtgenoot). De tussengekomen echtscheiding en de (lange) werkuren van de vader van belastingplichtige doen aannemen dat het voor hem niet mogelijk was om in de betrokken periode hoofdzakelijk in te staan voor de ‘hulp en verzorging’ van zijn dochter.
Uit het door belastingplichtige voorgelegde bewijs blijkt met een redelijke mate van zekerheid dat zij door de erflaatster (en diens echtgenoot) werd opgevoed en verzorgd als een eigen kind, zodat zij gekwalificeerd kan worden als een zorgkind van de erflaatster in de zin van artikel 1.1.0.2, zesde lid, 5°, c) VCF.
Omwille van deze redenen dient de betwiste aanslag volgens de rechtbank herberekend te worden volgens het tarief van de verkrijging in rechte lijn, en ontheven te worden in de mate dat daarmee geen rekening werd gehouden.
» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen











