Zakelijke subrogatie: Vlabel legt voorwaarde op (Greenille by Laga)

Auteur: Greenille by Laga

Publicatiedatum: 22/01/2019

Zaakvervanging, of zakelijke subrogatie, is een voor vermogensplanning veel gebruikte rechtsfiguur. Er is zaakvervanging wanneer een zaak een andere vervangt in haar juridische functie in het vermogen. Het bestaand recht, of de bestaande verplichtingen, op initiële goederen gevestigd, worden dus voortgezet op de vervangende goederen of surrogaatgoederen.

Waar oorspronkelijk slechts sprake was van zakelijke subrogatie in de gevallen waarin de wet daarin voorzag, wordt nu al enige tijd algemeen aanvaard dat er ook sprake kan zijn van zakelijke subrogatie omdat partijen ze conventioneel bedongen hebben.

Clausule van conventionele zaakvervanging

Zo wordt algemeen aangenomen dat schenker en begiftigde een clausule van conventionele zaakvervanging in een schenkingsakte kunnen opnemen. Door deze clausule zijn de modaliteiten, voorwaarden en lasten die aan de schenking verbonden werden, niet alleen toepasselijk op de initieel geschonken goederen, maar ook op goederen die daarvoor in de plaats zouden treden. Zo bijvoorbeeld als vader oorspronkelijk aan zijn kinderen geld heeft gegeven, met voorbehoud van vruchtgebruik en met een uitsluitingsclausule en ontbindende voorwaarden bijvoorbeeld. Dan gelden al die modaliteiten, voorwaarden en lasten ook als schenker en begiftigde vervolgens het geschonken geld aanwenden om aandelen of onroerende goederen aan te kopen, in dezelfde zakenrechtelijke verhouding: voor het vruchtgebruik op naam van vader, voor de blote eigendom op naam van de kinderen.

Opdat er sprake kan zijn van een geldige clausule van conventionele zaakvervanging moet er echter aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet er een oorspronkelijk goed zijn dat materieel of juridisch verloren is gegaan – van een dergelijk juridisch verlies is er bijvoorbeeld sprake als het goed afgestaan is of omgezet of voor een nieuwe verkrijging aangewend. En uiteraard moet er een nieuw goed zijn, dat het eerste feitelijk of juridisch ‘vervangt’. Tussen het verloren en het vervangende goed moet er een verband zijn. Beide verrichtingen moeten gelieerd zijn. Het vervangende goed moet rechtstreeks of onrechtstreeks de economische tegenwaarde vormen van het oorspronkelijke goed, en in het vermogen van de verkrijger de ‘plaats innemen’ van het initieel goed. Zo zijn aandelen die gekocht worden met geschonken gelden rechtstreeks de economische tegenwaarde van de geschonken gelden waarmee de prijs voor die aandelen is betaald, als een clausule van conventionele zaakvervanging in de schenkingsakte was opgenomen. Alle modaliteiten, voorwaarde en lasten van de oorspronkelijke schenking blijven dus verder ook voor die aandelen gelden, zoals ze oorspronkelijk voor de geschonken gelden afgesproken waren.

Fiscale implicaties

Zaakvervanging heeft ook fiscale implicaties. Indien de fiscale administratie de zaakvervanging aanvaardt, neemt het nieuwe goed in het vermogen de plaats in van het oorspronkelijke goed. Er is een voortzetting van de eerder gecreëerde situatie en van het eerder gecreëerde recht. Er is maar één schenking geweest, en de gevolgen daarvan, inclusief de fiscale gevolgen daarvan, wegen op de nieuw verkregen goederen zoals ze op de initieel geschonken goederen wogen. Wordt de zaakvervanging niet aanvaard, dan zou sprake zijn van een nieuwe rechtshandeling tussen schenker en begiftigde op het tijdstip waarop het vervangende goed wordt aangekocht – volledig in strijd met de bedoelingen van partijen.

Wat zegt Vlabel?

De zaakvervanging wordt principieel aanvaard. Dat lezen we bijvoorbeeld in de voorafgaande beslissing (VB) nr. 18053 en in het standpunt (SP) nr. 17044 van de Vlaamse Belastingdienst (“Vlabel”), maar niet op dezelfde wijze verwoord.

Wat valt af te leiden uit de VB nr. 18053?

Die beslissing is genomen met betrekking tot volgend geval. In 2004 schonk een vader aandelen van een holding en certificaten van een stichting administratiekantoor aan zijn kinderen met voorbehoud van vruchtgebruik. De schenkingsakte bevatte een clausule van conventionele zaakvervanging.

Vervolgens worden deze aandelen en certificaten in een nieuwe holding ingebracht, in ruil voor aandelen van deze nieuwe holding. Deze nieuwe aandelen zullen in dezelfde gesplitste verhouding vruchtgebruik-blote eigendom op naam van vader en kinderen worden ingeschreven. Speelt de conventionele zaakvervanging hierop, zodat sprake is van goederen die in het vermogen van vader en kinderen gewoon ‘de plaats innemen’ van de oorspronkelijk geschonken goederen?

Vlabel aanvaardt principieel de toepassing van conventionele zaakvervanging, omdat ze in de oorspronkelijke schenkingsakte was bedongen. Maar Vlabel voegt daaraan toe dat zal moeten bewezen worden dat de nieuwe gesplitste inschrijving een effectieve voortzetting is van de gesplitste toestand die reeds voordien bestond. Het louter voorleggen van de zaakvervangingsclausule voorzien in de schenkingsakte
van 2004 is hiervoor onvoldoende.

Als het bewijs van die effectieve voortzetting niet kan geleverd worden, lopen de kinderen het risico van heffing van erfbelasting op de volle eigendom van de nieuwe aandelen, als gevolg van een ‘nieuwe’ inschrijving waarop artikel 2.7.1.0.7 VCF toegepast zou worden (wat betreft de gesplitste inschrijving verwijzen wij naar onze newsflash van 15 juni 2018).

Wat Vlabel hier beslist, is dus een loutere bevestiging van de algemeen aanvaarde civiele analyse van de zakelijke subrogatie.

Wat valt af te leiden uit SP nr. 17044?

Hier gaat het over het beding van aanwas. Vlabel zelf definieert het beding van aanwas als een overeenkomst tussen twee partijen die onverdeelde eigenaars zijn van een bepaald goed en afspreken dat bij het overlijden van een van hen, zijn deel aan de andere zal aanwassen. Dit is een overeenkomst onder bezwarende titel – een ruil van kansen; geen schenking. Ook hier rijst de vraag naar de mogelijke toepassing van zaakvervanging. Stel dat de aanwas oorspronkelijk is bedongen voor een kunstwerkencollectie, en dat vervolgens partijen die collectie verkopen en de opbrengst besteden aan de aankoop van effecten. Geldt het beding van aanwas dan ook voor deze effecten?

Een eerste voorwaarde is, zo stelt Vlabel, dat er een conventionele zaakvervangingsclausule bij het oorspronkelijk beding van aanwas is opgenomen.

Een tweede voorwaarde echter is hier, dat de zaakvervanging bevestigd moet worden op het moment van de verkrijging van het vervangend goed. Dat is dus meer dan louter het bewijs leveren van de band tussen het oorspronkelijk voorwerp van het beding van aanwas en het nieuw verkregen goed.

Die band zal er wel moeten zijn, minstens om civiele redenen, maar Vlabel voegt een vereiste toe. Die band moet bij de verkrijging van het vervangende goed ook bevestigd worden. Hiervoor is bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring nodig, zo luidt het SP nog. Het gaat dus om een soort ‘verklaring van zaakvervanging’ zoals men in het huwelijksvermogensrecht voor onroerende goederen ook een ‘verklaring van wederbelegging’ vereist (art. 1402 BW). Alleen is dit hier geen wettelijke vereiste, maar een vereiste die de Vlaamse belastingdienst oplegt.

Lees hier het originele artikel