Weigering van bankdiensten: misbruik van economische onafhankelijkheid? (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

Auteurs: Régine Feltkamp en Nicolas Michiels (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

De Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel zetelend zoals in kort geding oordeelde op 16 maart 2021 dat de weigering door een bank om bepaalde bankdiensten te verlenen, gelet op de concrete omstandigheden, misbruik uitmaakt van de economische afhankelijkheid van een onderneming en derhalve een inbreuk was op de artikelen IV. 2/1 WER en VI.104 WER.

Het geschil betrof een onderneming actief in de diamantsector die met een bank in 2018 een overeenkomst had gesloten om een rekening te openen teneinde betalingen te kunnen verrichten en te ontvangen. In 2020 werd de overeenkomst eenzijdig en zonder opzeg onmiddellijk stopgezet. Als gevolg hiervan werd het betalingsverkeer voor de onderneming stopgezet gezien andere banken de dienstverlening aan ondernemingen in de diamantsector weigeren. Ondanks bevestiging van bepaalde betalingsopdrachten werden de betalingstransacties niet uitgevoerd. De rekening werd uiteindelijk door de bank afgesloten.

Misbruik van economische afhankelijkheid wordt door art. IV.2/1 WER verboden onder de volgende voorwaarden : “Het is verboden in hoofde van één of meer ondernemingen misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid waarin één of meerdere ondernemingen zich bevindt, waardoor de mededinging kan worden aangetast op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan.

Er kan sprake zijn van misbruik bij:

  1. het weigeren van een verkoop, een aankoop of van andere transactievoorwaarden;
  2. het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
  3. het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;
  4. het toepassen ten opzichte van economische partners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
  5. het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de economische partners van bijkomende prestaties, die naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten”.

Een positie van economische afhankelijkheid is een “Positie van onderworpenheid van een onderneming ten aanzien van één of meerdere andere ondernemingen gekenmerkt door de afwezigheid van een redelijk equivalent alternatief, beschikbaar binnen een redelijke termijn, en onder redelijke voorwaarden en kosten, die deze of elk van deze ondernemingen toelaten om prestaties of voorwaarden op te leggen die niet kunnen verkregen worden in normale marktomstandigheden” (artikel I.6, 12°bis WER).

De rechter onderzocht in casu achtereenvolgens (i) het bestaan van een positie van economische afhankelijkheid; (ii) het bestaan van een misbruik van deze positie; en (iii) de aantasting van de mededinging op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan.

De rechter stelt vooreerst vast dat de onderneming heeft aangetoond dat zij minstens door twee andere banken werd geweigerd als klant en dat zij het aannemelijk maakt dat zij met de betrokken bank een overeenkomst sloot omdat zij bij geen andere bank of financiële instelling terecht kon voor de betrokken diensten. Volgens de rechter is “het enige en redelijk equivalent alternatief” waarover de onderneming op dat moment beschikte de daadwerkelijke inwerkingtreding van de Basisbankdienstwet. Er was derhalve voor de onderneming geen redelijk equivalent alternatief voorhanden, dat actueel beschikbaar was en waarop binnen een redelijke termijn onder redelijke voorwaarden beroep kon worden gedaan door de onderneming om aan de wettelijke verplichting inzake het houden van een bankrekening te kunnen voldoen.

De rechter stelt verder vast dat de bank de mogelijkheid kreeg om prestaties of voorwaarden op te leggen die zij in normale marktomstandigheden niet zou hebben kunnen krijgen, bestaande in het de facto bevriezen van uitgaande betalingsopdrachten en het aflsuiten van bankrekeningen.

Om die redenen is er volgens de rechter sprake van een positie van economische afhankelijkheid.

De rechtbank meent dat de bank die positie van economische afhankelijkheid heeft misbruikt omdat zij een bedrijfsstrategie van opschorting van financiële dienstverlening voerde die zij nooit met succes zou kunnen toepassen indien het betrokken cliënteel gemakkelijk van bank zou kunnen veranderen.

Tot slot meent de rechter dat doordat de bank ongestoord kon kiezen welke onderneming wel en welke niet aan het economisch verkeer kan en mag deelnemen, de beslissingen van de bank een impact hebben op de mededinging die op de markt van deze onderneming (de diamantsector) heerst. Ook de keuze om de relatie met bepaalde ondernemingen uit de betrokken sector te beëindigen en met anderen niet kan een impact hebben op de mededinging tussen de ondernemingen uit die sector.

De rechter legde aan de bank het bevel op om deze inbreuken te staken en dit tot daadwerkelijke inwerkingtreding van de Basisbankdienstwet.

Bron: Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht