De koop-verkoopovereenkomst van aandelen
(Share Purchase Agreement)

Webinar op 20 oktober 2022

Cryptomunten:
een stand van zaken

Webinar on demand

Consumentenbescherming in de financiële sector

Webinar on demand

Successieplanning van vastgoed en aandelen via vruchtgebruik

Webinar on demand

Het beslagrecht anders belicht

Webinar on demand

Beleggingsfiscaliteit anno 2021

Webinar on demand

Vlabel velt een voorafgaande beslissing in verband met een beding van aanwas m.b.t. aandelen van een maatschap (ECGB Advocaten)

Auteur: Nicolas Geelhand de Merxem (ECGB Advocaten)

In een recente voorafgaande beslissing (VB 22029 van 15 juli 2022, “Beding van aanwas m.b.t. aandelen maatschap”, gepubliceerd op 29 augustus 2022), spreekt Vlabel zich voor het eerst uit in verband met een beding van aanwas dat betrekking heeft op aandelen van een maatschap.

In casu wensten twee van goederen gescheiden echtgenoten (zonder kinderen) een aantal onverdeelde roerende goederen (tien spaar- en effectenrekeningen) in te brengen in een maatschap en vervolgens de aandelen die zij daarvoor (ten titel van wederbelegging) in ruil zouden krijgen (in onverdeeldheid), te betrekken in een overeenkomst van aanwas.

Zij wensten te laten bevestigen dat deze verrichtingen niet vallen onder de toepassing van artikel 2.8.1.0.1. VCF i.o. artikel 2.8.4.1.1. §2 VCF, zodat er bijgevolg geen schenkbelasting verschuldigd zou zijn, dat op het ogenblik van aanbieding ter registratie, respectievelijk bij het overlijden van één van de aanvragers – evenmin de artikelen 2.7.1.0.3, 3° VCF en artikel 2.7.1.0.5. VCF van toepassing zouden zijn, zodat er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn, en dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.

Vlabel bevestigt dit inderdaad. In dat opzicht is er niets nieuws.

Waar de voorafgaande beslissing wel iets nieuws bijbrengt, is dat Vlabel duidelijk aangeeft hoe de beoordeling geschiedt wanneer aandelen van een maatschap in een overeenkomst van aanwas worden betrokken (A). Bovendien wordt ook iets gezegd over de geldigheidsduur van de beslissing (B).

A. Overeenkomst van aanwas en aandelen van een maatschap

Vlabel vangt aan met de door haar aanvaarde kwalificatie van een maatschap:

“*56. Een maatschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (art. 1:5, §1, WVV) en is fiscaal transparant. De burgerlijke maatschap heeft geen afgescheiden vermogen en de achterliggende maten kunnen vanuit juridisch oogpunt beschouwd worden als (onverdeeld) eigenaar van de goederen.

57. Wanneer er een overdracht van deelgerechtigdheden in een burgerlijke maatschap is, is er sprake van een overdracht van de achterliggende goederen die tot de maatschap behoren. De Vlaamse Belastingdienst beoordeelt de overdracht van deelgerechtigdheden in een burgerlijke maatschap in het kader van de registratie- en erfbelasting als een overdracht van de respectievelijke goederen die in de maatschap werden ingebracht waarbij de aard van die goederen de belastbaarheid bepaalt“.

Concreet betekent dit dat, wanneer wordt nagegaan of voldaan is aan de voorwaarden voor de kwalificatie als geldige overeenkomst van aanwas, rekening moet gehouden worden met de goederen die tot het onderliggend vermogen van de maatschap behoren.

Gaat het om onroerende goederen, dan zal verkooprecht verschuldigd zijn.

Gaat het om roerende goederen dan dient eerst te worden nagegaan of het een overeenkomst onder bijzondere titel gaat.

61. Het beding is in casu onder bijzondere titel aangezien het betrekking heeft op de goederen die specifiek in de overeenkomst wordt omschreven : de aandelen van de maatschap die de tien ingebrachte spaar- en effectenrekeningen vertegenwoordigen. Gelet op de transparantie van de maatschap is het van belang dat de aandelen van de maatschap niet de algemeenheid van goederen of een evenredig deel betreft van de goederen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel er van. Indien de aandelen van de maatschap andere goederen zouden vertegenwoordigen dan degene genoemd in huidige aanvraag, dient, gelet op de transparantie van de maatschap, telkens nagegaan te worden of er nog sprake is van een beschikking onder bijzondere titel“.

De vraag is of überhaupt een “algemeenheid van goederen of een evenredig deel betreft van de goederen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel er van” in een maatschap kan ingebracht worden.

Ook wat de zaakvervanging betreft, zal moeten gekeken worden naar de (vervanging van de) goederen die deel uitmaken van het vermogen van de maatschap, en niet de aandelen zelf. Belangrijk daarbij is dat de traceerbaarheid van de aandelen, derhalve niet voldoende is. Ook de traceerbaarheid van het onderliggend vermogen zal moeten nageleefd worden.

Het besluit luidt als volgt:

72. Gelet op de fiscale transparantie van de maatschap zal de aanwas van de aandelen van de maatschap in het kader van de registratie- en erfbelasting beoordeeld worden als een overdracht van de achterliggende goederen die tot de maatschap behoren, waarbij de aard van die goederen de belastbaarheid bepaalt. Gelet op het bezwarend karakter van het aanwasbeding zal de overgang van de onverdeelde rechten in onroerende goederen principieel het verkooprecht ondergaan. Voor de aanwas van roerende goederen is er in beginsel geen registratiebelasting verschuldigd“.

Daaraan kan worden toegevoegd dat, gelet op het bezwarend en het gemeenrechtelijk (niet huwelijksvermogensrechtelijk) karakter van de overeenkomst, er ook geen fictiebepalingen in de erfbelasting van toepassing zullen zijn.

Ten onrechte stelt de beslissing in fine dat zij enkel betrekking heeft op de registratiebelasting (“Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen”). Immers in de aanvraag was ook duidelijk gevraagd te bevestigen dat de art. 2.7.1.0.3, 3° en art. 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing zouden zijn.

B. De geldigheidsduur van de voorafgaande beslissing

De geldigheidsduur van een voorafgaande beslissing is in principe 5 jaar (art. 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF: “§ 4. Behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt, wordt de beslissing getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar”.

Welnu wanneer de aanvraag tot voorafgaande beslissing betrekking heeft op de vraag of een bepaalde registratiebelasting van toepassing is, is deze termijn van 5 jaar ruim voldoende.
Het is immers in principe de bedoeling om kort na het bekomen van de voorafgaande beslissing de overeenkomst te sluiten die al dan niet onderworpen is aan de registratiebelasting. Maar dat is niet helemaal juist. Overeenkomsten onder opschortende voorwaarde vallen uiteen in twee momenten, waarbij het tweede moment zich buiten de vijf jaar kan bevinden (het vervullen van de voorwaarde).

Bij vragen over de toepassing van de erfbelasting, en meer bepaald wanneer de voorafgaande beslissing betrekking heeft op de vraag of een bepaalde fictiebepaling van toepassing is, is dat helemaal anders. De termijn van 5 jaar is dan ontoereikend. Het is wellicht in principe wel de bedoeling om kort na het bekomen van de voorafgaande beslissing de rechtshandeling te stellen (schenking, huwelijksvoordeel, levensverzekeringsovereenkomst, gesplitste aankoop of inschrijving, enz.), maar de al dan niet verschuldigde erfbelasting wordt niet op dat ogenblik geheven, maar pas bij het overlijden. Dat is meestal meer dan 5 jaar later. Het zou logisch zijn geweest om in art. 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF een uitzondering te maken voor de erfbelasting. Het zou opportuun geweest zijn te stellen dat, inzake erfbelasting, de beslissing geldig zou zijn tot aan het overlijden van de aanvrager, en, bij echtgenoten, tot aan het overlijden van de eerst overleden echtgenoot.

Dat is echter de lege lata niet het geval. Er is dus geen andere oplossing om “in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt”, en dus ingeval van een vraag over erfbelasting, aan Vlabel een afwijking te vragen van de wettelijke beperking van de geldigheidsduur.

In casu hadden de echtgenoten dat ook gedaan:

2. De aanvragers verzoeken uitdrukkelijk, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1, VCF, dat, gelet op het voorwerp van de aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen, langer zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoeken zij om een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het overlijden van de eerststervende van de echtgenoten, de heer X of mevrouw Y”.

Terecht wordt deze verlengde geldigheidsduur toegestaan:

76. De beslissing geldt, overeenkomstig art. 3.22.0.0.1, §4, lid 1, VCF, gelet op haar voorwerp, tot en met het overlijden van de eerststervende van de echtgenoten X – Y ongeacht wanneer dit plaatsvindt, met dien verstande dat de voorgenomen verrichtingen zelf binnen de vijf jaar moet worden gesteld”.

Vlabel “interpreteert” art. 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF bij aanvragen over erfbelasting, en meer bepaald bij aanvragen over fictiebepalingen, als volgt:

  • Gelet op het voorwerp van de vraag” d.w.z. inzake erfbelasting en meer bepaald inzake fictiebepalingen, geldt de beslissing tot en met het overlijden van de eerststervende van de echtgenoten X – Y ongeacht wanneer dit plaatsvindt;
  • Maar de voorgenomen verrichting (de rechtshandeling die later al dan niet in de erfbelasting zal belast worden) moet wel binnen de vijf jaar gesteld worden.

Dat is een redelijke interpretatie die m.i. in het algemeen geldt voor alle aanvragen inzake fictiebepalingen in de erfbelasting. M.i. moet deze interpretatie ook gelden voor alle gevallen waarin gevraagd wordt of een voorgenomen rechtshandeling een fiscaal misbruik uitmaakt op grond van art. 3.17.0.0.2 VCF. Denk aan de gevallen waarin een fictiebepaling wordt “ontweken”.

Het punt is wel dat in vele eerdere aanvragen tot voorafgaande beslissing met betrekking tot de al dan niet toepassing van fictiebepalingen (en fiscaal misbruik) in de erfbelasting, deze verlenging van de geldigheidsduur van de beslissing uitdrukkelijk gevraagd wordt, maar dat er in de beslissing nooit op geantwoord wordt.

Dit is geen blijk van goed bestuur. De vraag is dan wat, in dergelijke gevallen, de geldigheidsduur is. M.i. is de geldigheidsduur het overlijden van de erflater of van de eerst overleden echtgenoot. M.i. geldt hetzelfde wanneer een verlengde geldigheidsduur niet uitdrukkelijk zou gevraagd worden. De zinsnede “gelet op haar voorwerp” rechtvaardigt dit standpunt.

Maar de lege ferenda zou een aanpassing van art. 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF welgekomen zijn. Minstens zou Vlabel, wanneer het gevraagd wordt, zich over de verlenging van de termijn moeten uitspreken.

Bron: ECGB Advocaten