Ondernemingsstrafrecht:
wat wijzigt er door boek I en boek II van het Strafwetboek?

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op dinsdag 11 juni 2024


HR-aspecten bij M&A transacties

Mr. Nele Van Kerrebroeck (Linklaters)

Webinar op donderdag 16 mei 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Consumentenbescherming bij de verwerving
van financiële diensten: de laatste ontwikkelingen (optioneel met handboek)

Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Webinar op donderdag 30 mei 2024


Aandeelhoudersovereenkomsten
in het licht van de nieuwe wetgeving

Mr. Michaël Heene (DLA Piper)

Webinar op vrijdag 31 mei 2024


Vereffening-verdeling van nalatenschappen:
16 probleemstellingen

Mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)

Webinar op vrijdag 26 april 2024

Vastgoed in vennootschap. Moet er een link zijn tussen de kosten en de prestaties van de bedrijfsleider? Arrest Hof van beroep Gent van 5 september 2023 (LegalNews)

Auteur: Marc Vandecasteele (LegalNews)

De feiten

De vennootschap werd opgericht op 29 juli 2009 en voert in hoofdzaak een activiteit inzake het verlenen van medische prestaties, meer bepaald inzake hematologie. De bedrijfsleider van de vennootschap is de enige natuurlijke persoon die voor haar werkzaam is en haar enige aandeelhouder. De vennootschap kocht op 29 oktober 2015 de volle eigendom aan van een onroerend goed tegen betaling van 900.000,00 EUR. Ter financiering van deze aankoop ging zij een lening aan van 250.000,00 EUR en werd 18.000,00 EUR (2%) door haar bedrijfsleider betaald, voor het overige financierde de vennootschap de aankoop met eigen middelen.

De vennootschap wendt het onroerend goed deels aan voor de uitbating van een praktijk inzake hematologie — activiteit die zij voor het overige uitoefent in het AZ Delta ziekenhuis in Roeselare — en heeft er ook haar maatschappelijke zetel gevestigd. Voor het overige stelt zij het onroerend goed kosteloos ter beschikking van haar enige bedrijfsleider die er met zijn gezin woont. Voor het aanslagjaar 2016 (balans 30/6) bestaat er geen betwisting over dat de vennootschap het onroerend goed voor 42,48% aanwendde voor de uitoefening van haar beroepsactiviteit en voor 57,52% ter beschikking stelde van haar bedrijfsleider voor bewoning. Naast een vergoeding in speciën van 48.000,00 EUR en een aantal voordelen alle aard kende de vennootschap aan haar bedrijfsleider voor het aanslagjaar 2016 voor het eerst een voordeel in natura toe, voortvloeiend uit de kosteloze terbeschikkingstelling van het onroerend goed. Het voordeel werd vermeld op de individuele fiche 281.20 van haar bedrijfsleider en deze werd op dit voordeel belast in de personenbelasting. In haar aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2016 bracht de vennootschap alle kosten die verband hielden met dit onroerend goed in aftrek van haar belastbare winst.

Bij bericht van wijziging van 14 mei 2019 meldde de belastingadministratie aan de vennootschap appellante dat zij de aftrek van de kosten die betrekking hadden op het woongedeelte van het onroerend goed zou verwerpen aangezien die kosten niet dienden om in hoofde van de vennootschap inkomsten te verkrijgen of te behouden, maar enkel om het onroerend goed gratis ter beschikking te stellen van haar bedrijfsleider en diens gezin. De vennootschap zou de kosten niet gemaakt hebben in haar eigen belang, maar uitsluitend in het belang van haar bedrijfsleider, ten gevolge waarvan ze niet inherent zouden zijn aan de eigenlijke en werkelijke activiteit van de vennootschap en beschouwd moeten worden als een vorm van tenlasteneming van persoonlijke kosten van de bedrijfsleider. Een bedrag van 84.169,25 EUR aan kosten zou aldus verworpen worden, samengesteld uit afschrijvingen op het woongedeelte (aankoop woning en meubilair), kosten voor de aankoop van het terrein (woongedeelte) en 57,52% van een aantal facturen die de globale woning (en dus deels het woongedeelte) betroffen. Tevens zou een belastingverhoging van 10% opgelegd worden, wegens het indienen van een onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken (eerste overtreding).

De vennootschap liet in een schrijven van 13 juni 2019 weten niet akkoord te gaan met deze wijzigingen en verwees daarbij naar de bezoldigingstheorie. Zij wees erop dat haar bedrijfsleider de enige persoon was die in de praktijk de medische activiteiten uitoefende waardoor zij haar omzet realiseerde, zodat elke bezoldiging die de bedrijfsleider van haar ontving, enkel haar oorzaak kon vinden in die activiteiten. De kosten gemaakt om het woongedeelte van de woning als bezoldiging toe te kennen aan haar bedrijfsleider, zouden te haren bate zijn gemaakt en in overeenstemming zijn met de gegenereerde winst. Zij betwistte ook de opgelegde belastingverhoging, omdat er volgens haar geen sprake was van enige onvolledigheid of onjuistheid in de aangifte en er enkel een interpretatiediscussie inzake de aftrekvoorwaarden van artikel 49 WIB92 voorlag. Op 25 juni 2019 richtte de belastingadministratie een kennisgeving van beslissing tot taxatie aan de vennootschap, waarin zij meldde bij haar standpunt te blijven.

Op 27 juni 2019 vestigde de belastingadministratie de bestreden aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2016 in overeenstemming met de kennisgeving van de beslissing tot taxatie. Op 30 december 2019 diende de vennootschap een bezwaarschrift in tegen de bestreden aanslag. Bij administratieve beslissing van 23 juni 2020 wees de belastingadministratie dit bezwaarschrift af als ongegrond. Met een verzoekschrift van 22 september 2020 stelde de vennootschap haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. In het vonnis van 14 maart 2022 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de vordering van de vennootschap toelaatbaar, maar ongegrond verklaard en de appellante veroordeeld tot de gedingkosten. Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

De visie van het Hof van beroep Gent

Gelet op de bewezen bezoldigingsbeslissing alsook de intentie om met behulp van deze bezoldiging belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, kwalificeren de uitgaven die de vennootschap deed om deze bedrijfsleidersbezoldiging te bekostigen en die verband houden met de inkomstenstroom bewerkstelligd door werkelijke prestaties van haar bedrijfsleider, als aftrekbare beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB92. Het hof kan daarbij slechts vaststellen dat de discrepantie tussen de werkelijke kost voor de vennootschap van het door haar toegekende voordeel (en a fortiori de werkelijke waarde voor de genieter ervan, voor de periode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2016 becijferd op 84.169,25 EUR) enerzijds en de bescheiden forfaitaire waardering van dit voordeel voor de belastbaarheid in de personenbelasting bij de genieter ervan (voor de periode van 15 april 2016 tot 30 juni 2016 becijferd op 1.342,25 EUR) anderzijds, een bewuste keuze van de wetgever is die voortvloeit uit de toepassing van artikel 18 KB/WIB92. Het gebruik dat de vennootschap maakt van deze vorm van fiscaal gunstige bezoldiging kan niet doen besluiten dat de vennootschap deze kosten niet zou hebben gemaakt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

De vennootschap moet worden bijgetreden in haar stelling dat de uitgaven die zij deed om haar bedrijfsleider een voordeel alle aard van gratis bewoning te verschaffen voor de werkelijk door hem verrichte prestaties, aftrekbare beroepskosten zijn in de zin van artikel 49, eerste lid WIB92. Haar vordering is gegrond. De bestreden aanslag moet in zijn geheel ontheven worden.

Meer informatie