Consumentenbescherming bij de verwerving
van financiële diensten: de laatste ontwikkelingen (optioneel met handboek)

Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Webinar op donderdag 30 mei 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024

Schenking met last en Beding van aanwas. Twee Voorafgaande Beslissingen Vlabel van 17 juli 2023 gepubliceerd op 30 augustus 2023 (LegalNews)

Auteur: Marc Vandecasteele (LegalNews)

VB 23021 – Schenking met last

Ouders willen onroerende goederen schenken aan hun zoon, die als enige van hun kinderen landbouwactiviteiten wenst uit te oefenen. In het voordeel van de secundaire begiftigden, hun twee andere kinderen, bedingen zij een last van […] euro, elk. De hoofdbegiftigde houdt na uitkering van de lasten een waarde van […] euro over. Er is duidelijk sprake van begiftigingsinzicht bij de schenkers, die met deze schenking de gelijke behandeling van de kinderen voor ogen hebben.

Uit het geheel van de feiten blijkt dat naast de verarming van de schenkers en de verrijking van de begiftigde ook het begiftigingsinzicht bij de schenkers aanwezig is zodat de voorgenomen verrichting voor zover de waardering van de te schenken goederen met de werkelijkheid overeenstemt een schenking is en geen overdracht onder bezwarende titel.

Dat de hoofdbegiftigde voor de betaling van de last hem opgelegd bij de schenking een financiering (win-winlening) moet aangaan heeft geen invloed op deze beoordeling.

Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. De overdracht van een van de onroerende goederen bij schenking met last gevolgd door de inbreng van onroerende goederen door de zoon in hetzij een TIGV, hetzij in het gemeenschappelijk vermogen maakt geen fiscaal misbruik uit. Aan deze rechtshandelingen liggen immers ook niet-fiscale motieven ten grondslag liggen die voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Lees hier de VB 23021

VB 23017 – Beding van aanwas

Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat de inleg van de aanvragers op het ogenblik van het afsluiten van het contract gelijkwaardig is, nl. de overdeelde helft volle eigendom van de onroerende goederen. Op basis van de elementen en feiten vermeld in de aanvraag tot voorafgaande beslissing en haar bijlage kan worden besloten dat het in casu om een kanscontract gaat en er bijgevolg geen schenkbelasting geheven zal worden in toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF. Een optioneel beding van aanwas is een beding onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van één van de echtgenoten en van het lichten van de optie door de langstlevende echtgenoot. Een beding onder opschortende voorwaarde heeft, als het is opgesteld na 1 januari 2023, bij vervulling van de voorwaarde uitwerking voor de toekomst (art. 5.147 van het Burgerlijk Wetboek). Het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van het optioneel beding van aanwas waarbij de optie wordt gelicht na het overlijden is bijgevolg onderworpen aan de erfbelasting bij gebrek aan terugwerkende kracht van het optioneel beding van aanwas.
Indien het kanscontract evenwel voorziet in een terugwerking tot op het ogenblik van overlijden van de eerststervende zal er bij dit overlijden geen erfbelasting, geheven worden in toepassing van de artikelen 2.7.1.0.3 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, maar wel verkooprecht.

In casu wordt vermeld: De kopers komen met name overeen dat, bij het overlijden van de eerststervende…

Hieruit blijkt duidelijk de bedoeling van de partijen is om er voor te zorgen dat het beding van aanwas met terugwerkende kracht uitwerking heeft op het ogenblik van het overlijden.

Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. Het contract maakt in casu geen fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er ook niet-fiscale motieven aan het contract ten grondslag liggen, tenzij uit de feiten blijkt dat de kansen uiteindelijk niet gelijkwaardig waren omdat één van de partijen kort na het sluiten van het contract niet onverwacht is komen te overlijden.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratie- en erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3°, VCF spreekt deze beslissing zich niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.

Lees hier de VB 23017

» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen