Privaat vastgoed staat gunstregime familiale vennootschappen niet in de weg: hof van beroep Gent bevestigt ! (Sherpa Law)

Auteurs: Fréderic Stynen, Peter Meeuwssen en Dirk De Groot (Sherpa Law)

Publicatiedatum: 08/06/2021

In een eerder artikel van 10 maart 2020 schreven wij al dat de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 4 februari 2020 voor het eerst oordeelde dat aan de belastingplichtige toch moet worden toegelaten het tegenbewijs te leveren van het bestaan van een reële economische activiteit in hoofde van een familiale vennootschap, zelfs indien het vermoeden van gebrek aan reële economische activiteit speelt en de vennootschap ook privaat vastgoed op haar balans heeft staan. In een tussenarrest van 1 juni 2021 bevestigt het hof van beroep van Gent nu ook deze visie.

WAAR GAAT HET OM?

Concreet weigerde de Vlaamse Belastingdienst het gunstregime voor familiale vennootschappen toe te passen omdat de betrokken vennootschap in casu geen reële economische activiteit zou hebben, hetgeen één van de drie voorwaarden is voor de toepassing van de gunstregeling. De wet bevat immers een vermoeden dat er geen reële economische activiteit bestaat indien twee parameters in de jaarrekening cumulatief voldaan zijn. Met name indien de terreinen en gebouwen opgenomen in rekening 22 van de balans, meer bedragen dan 50% van het actief en indien tegelijk de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen, balanspost 62, niet meer bedragen dan 1,5% van het totale actief, wordt de vennootschap uitgesloten van het gunstregime.

Tegelijk laat de wet ook toe om het tegenbewijs te leveren dat de betrokken vennootschap wel degelijk een reële economische activiteit heeft. De Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) stelt in zijn Omzendbrief 2015/2 stelt hij dit tegenbewijs niet zal aanvaarden indien er ook “privaat vastgoed” in de vennootschap aanwezig is. Vlabel is van mening dat het nooit de bedoeling was van de wetgever om “privaat vastgoed” mee onder het gunsttarief te brengen.

De betwisting betrof concreet een vennootschap die op grond van de boekhoudkundige parameters geacht werd geen reële economische activiteit te hebben. Naast velden, loodsen en een winkel, bezat de vennootschap ook een appartementsgebouw en een woonhuis, die als privaat vastgoed beschouwd worden door Vlabel. Toch bestond er geen twijfel over dat de vennootschap wel degelijk een economische activiteit uitoefende. Zij baatte immers een slagerij uit waarvoor zij ook haar eigen dieren kweekte.

HET OORDEEL VAN HET HOF VAN BEROEP

Nadat in eerste aanleg de belastingplichtige gelijk had gekregen, oordeelt nu ook het hof van beroep van Gent in een tussenarrest dat het tegenbewijs wel degelijk geleverd werd. Het hof stelt:

  • Het begrip reële economische activiteit moet in zijn gewone betekenis worden begrepen, bij gebrek aan nadere bepaling.
  • Over een evaluatie van de mate waarin de vaste activa ten dienste staan van de economische activiteit wordt nergens gesproken.
  • De geïntimeerde toont op overtuigende wijze aan dat binnen de vennootschap een reële economische activiteit aanwezig is.

Belangrijk is daarnaast dat het hof ook vastgoedactiviteiten niet uitsluit als economische activiteit. Het hof oordeelt letterlijk: “Zoals hoger gesteld, is het begrip ‘reële economische activiteit’ in de wet niet gedefinieerd zodat het in zijn gewone betekenis moet worden begrepen. Er moet tegen die achtergrond dan ook worden opgemerkt dat de appellant (=Vlabel, nvdr) ten onrechte meent dat het feit dat bijv. (maar niet alleen) voor de btw-wetgeving de (systematische) verhuring van onroerende goederen ook als een economische activiteit wordt beschouwd, hier niet relevant is. Het hof ziet niet in op grond waarvan die beperking bij de invulling van het begrip ‘reële economische activiteit’ zou kunnen gesteund zijn.”

GEVOLGEN?

Na het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en het tussenarrest van het hof van beroep lijkt het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst over het tegenbewijs van de reële economische activiteit niet langer houdbaar. Er bestaat geen wettelijke omschrijving of beperking van het begrip en het tegenbewijs kan niet worden uitgesloten wanneer de betrokken vennootschap “privaat vastgoed” aanhoudt. Het enige criterium is dat de vennootschap een reële economische activiteit heeft, wat in zijn gewone betekenis moet worden begrepen en wat op verschillende manieren kan worden bewezen.

Het hof van beroep heropent evenwel nog de debatten. Het hof wenst na te gaan of er geen discriminatie bestaat tussen familiale vennootschappen en familiale ondernemingen die “privaat vastgoed” aanhouden. In dat laatste geval worden de onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning zijn bestemd immers uitgesloten van het gunstregime.

Wordt dus vervolgd.

Lees hier het originele artikel