Lening op interest of kredietopening? (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

Auteur: Régine Feltkamp (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

In een arrest van 14 juni 2021 heeft het Hof van Cassatie zich opnieuw uitgesproken over de kwalificatie van een overeenkomst als kredietopening dan wel een lening op interest.

De kwalificatie is onder meer van belang voor de bepaling van de omvang van de wederbeleggingsvergoeding.

Een wederbeleggingsvergoeding is de vergoeding die verschuldigd is bij vervroegde terugbetaling van een krediet of lening. Overeenkomstig artikel 1907bis oud BW kan de wederbeleggingsvergoeding nooit hoger zijn dan 6 maanden interest wanneer het gaat om leningen op interest. Aangenomen wordt dat deze bepaling niet geldt voor kredietopeningen.

In de zaak waarover het Hof van Cassatie moest oordelen sloot de bank op 9 juli 2011 een overeenkomst met een onderneming voor de financiering van de aankoop van een vruchtgebruik van een woning. De overeenkomst werd door de bank gekwalificeerd als een kredietopening die werd aangegaan voor een periode van 19 jaar. De kredietovereenkomst voorzag in de mogelijkheid tot vervroegde beëindiging tegen betaling van een wederbeleggingsvergoeding.

Op 2 september 2011 heeft de onderneming het bedrag in één keer opgenomen.

In 2016 uitte de onderneming de wens het krediet vervroegd terug te betalen. De bank heeft daarop een afrekening overgemaakt, waarbij zij de contractueel bepaalde wederbeleggingsvergoeding heeft aangerekend ten bedrage van 62.285,00 euro, na aftrek van een commerciële tegemoetkoming. De onderneming meende echter dat niet meer dan 6 maanden interest kon worden gevraagd als wederbeleggingsvergoeding en ging in 2018 over tot dagvaarding van de bank.

De ondernemingsrechtbank te Antwerpen oordeelde in 2018 dat, aangezien het bedrag in één keer werd opgenomen, het om een lening op interest ging waardoor de wederbeleggingsvergoeding tot een bedrag gelijk aan 6 maanden interest moest worden beperkt. Het Hof van Beroep te Antwerpen bevestigde dit vonnis.

De kwestie werd vervolgens aan het Hof van Cassatie voorgelegd waarbij de bank argumenteerde dat de raadsheren van het Hof van Beroep het zakelijk karakter van de lening op interest miskenden aangezien de lening ontstaat door de afgifte van het geldbedrag wat in deze zaak pas 2 maanden na het afsluiten van de overeenkomst plaatsvond.

In het arrest brengt het Hof van Cassatie opnieuw eerst het onderscheid tussen de geldlening (= een lening op interest) en de kredietopening in herinnering.

De geldlening is volgens het Hof van Cassatie “een overeenkomst waarbij de uitlener aan de lener een bepaald geldbedrag ter beschikking stelt onder de verplichting dit bedrag terug te geven, vermeerderd met interest indien die is bedongen. Het is een zakelijke overeenkomst die ontstaat door de afgifte van het geldbedrag”. Volgens het Hof van Cassatie verhindert het verloop van een zekere periode tussen de ondertekening van de kredietovereenkomst en de overmaking van het kredietbedrag dus niet dat het om een lening op interest gaat.

Het Hof van Cassatie gaf ook aan dat een kredietopening een consensuele en wederkerige overeenkomst is waarbij de kredietgever aan de kredietnemer tijdelijk en tot beloop van een bepaald bedrag hetzij geld hetzij kredietwaardigheid ter beschikking stelt zonder dat de kredietnemer verplicht is om van het krediet gebruik te maken. Of de kredietnemer in werkelijkheid over de vrijheid beschikt om het krediet al dan niet op te nemen, moet volgens het Hof door de feitenrechter worden beoordeeld.

Het Hof van Cassatie stelt vervolgens vast dat het Hof van Beroep de volgende feitelijke vaststellingen heeft gedaan :

  1. blijkens de “overeenkomst van kredietopening” was het krediet uitsluitend bestemd ter financiering van een eenmalige transactie,
  2. het krediet zo “is gestructureerd […] dat onmiddellijk een voorafbepaalde som aan de kredietnemer wordt overhandigd”,
  3. het voor de kredietnemer in werkelijkheid niet mogelijk was om “de benodigde geldsommen [af te roepen] naar haar behoeften en in functie daarvan de inbezitstelling van het kredietbedrag [uit te stellen]” zodat de “zogenaamde vrijheid van de kredietnemer een louter fictief karakter heeft”.

Rekening houdend met deze vaststellingen besluit het Hof van Cassatie dat het Hof van Beroep de overeenkomst tussen de partijen wettig heeft geherkwalificeerd als een lening op interest.

Bron: Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht