Het nieuwe Frans-Belgische dubbelbelastingverdrag en de meerwaardebelasting op aandelen in een Frans-Belgische context (Tiberghien)

Auteurs: Emilie Van GoidsenhovenAhmed El Jilali en Olivia Herbert (Tiberghien)

Onder het oude Frans-Belgische dubbelbelastingverdrag (“DBV”) van 1964, behoorde de heffingsbevoegdheid inzake meerwaarden op aandelen gerealiseerd door een Belgisch fiscaal inwoner (natuurlijke persoon of vennootschap) in principe exclusief aan België toe.

Het nieuwe Frans-Belgische DBV, die het DBV van 1964 zal vervangen, bevestigt dat de heffingsbevoegdheid inzake meerwaarden op aandelen gerealiseerd door een Belgisch fiscaal inwoner aan België toekomt, doch brengt hier echter verandering op minstens twee vlakken. Zo kent het DBV de heffingsbevoegdheid voortaan toe aan Frankrijk, enerzijds wat betreft meerwaarden op aandelen van zgn. “sociétés à prépondérance immobilière française”, en anderzijds wat betreft meerwaarden gerealiseerd op belangrijke Franse deelnemingen.

Meerwaarden op aandelen van zogenaamde “sociétés à prépondérance immobilière”

In het verleden regelde het verdrag de hypothese van een meerwaarde gerealiseerd door een Belgisch inwoner op aandelen van Franse “sociétés à prépondérance immobilière” (onroerend goed-vennootschappen) niet expliciet. Volgens de traditionele opvatting was in dergelijk geval artikel 18 van het DBV (het restartikel) van toepassing. Op basis daarvan kwam de heffingsbevoegdheid exclusief toe aan België (woonstaat van de aandeelhouder).

In zijn beslissing van 24 februari 2020[1] had de Franse Raad van State de meerwaarde gerealiseerd door een Belgische ingezetene naar aanleiding van de vervreemding van aandelen van vennootschappen of organismen “à prépondérance immobilière” echter gelijkgesteld met een “onroerend” inkomen in de zin van het verdrag. Deze door de rechtsleer fel bekritiseerde kwalificatie van “onroerend goed” was relevant aangezien deze impliceerde dat de meerwaarden op aandelen van Franse onroerend goed-vennootschappen niet onder artikel 18 van het verdrag (dat de heffingsbevoegdheid aan België toekent) vielen, maar eerder onder artikel 3 van het verdrag (dat de heffingsbevoegdheid aan Frankrijk toekent).

Navolgend op deze beslissing, heeft de Franse fiscale administratie diverse Belgische aandeelhouders (zowel natuurlijke personen als vennootschappen) in gebreke gesteld met het verzoek om alsnog een fiscale aangifte in te dienen aangaande in het verleden (sinds 2017) gerealiseerde meerwaarden op aandelen van Franse onroerend goed-vennootschappen.

Artikel 13 van het nieuwe verdrag kent de heffingsbevoegdheid aangaande voordelen verkregen uit de vervreemding van aandelen, bewijzen van deelneming of andere rechten in een (Franse of buitenlandse) vennootschap waarvan meer dan 50 percent van de waarde van de activa onmiddellijk of middellijk bestaat uit onroerende goederen die in Frankrijk gelegen zijn en die door zulke vennootschap niet worden aangewend voor het uitoefenen van haar bedrijf, voortaan expliciet toe aan Frankrijk, indien ze volgens de Franse wetgeving worden belast zoals voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende goederen. Er wordt echter geen rekening gehouden met de voordelen die verkregen zijn uit de vervreemding van aandelen die genoteerd zijn op een gereglementeerde beurs van de EER.

In principe is de Franse belasting alsdan als volgt:

  • Een natuurlijke persoon wordt op de meerwaarde belast in de inkomstenbelasting aan het tarief van 19% en aan het tarief van 7,5% aan zogenaamde “prélèvements sociaux”[2];
  • Een vennootschap zal Franse vennootschapsbelasting verschuldigd zijn aan, in principe, 25%.
Meerwaarden naar aanleiding van de vervreemding van een belangrijke deelneming in een Franse vennootschap

Het nieuwe DBV introduceert een andere belangrijke nieuwigheid, dat meer bepaald de belasting betreft van de door een Belgische inwoner gerealiseerde meerwaarde op de vervreemding van aandelen of bewijzen van deelneming die deel uitmaken, of deel uitmaakten, van een belangrijke deelneming in het kapitaal van een Franse vennootschap (ongeacht of deze vennootschap Frans onroerend goed aanhoudt of niet).

Onder bepaalde voorwaarden is het inderdaad zo dat een meerwaarde gerealiseerd door een Belgisch inwoner onder het nieuwe verdrag belastbaar wordt in Frankrijk, terwijl België de meerwaarde op aandelen gerealiseerd door haar belastingplichtigen in het kader van het normaal beheer van hun privévermogen niet belast.

De voorwaarden voor de toekenning van de heffingsbevoegdheid aan Frankrijk zijn de volgende:

  • De Belgische belastingplichtige moet Frans inwoner zijn geweest gedurende ten minste zes jaar in de loop van de tien jaar onmiddellijk voorafgaandelijk aan de datum waarop deze Belgisch inwoner is geworden;
  • De belastingplichtige moet de belangrijke deelneming gehad hebben op enig tijdstip in de loop van vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de datum waarop deze Belgisch inwoner is geworden;
  • De vervreemding moet zich hebben voorgedaan binnen zeven jaar na de datum waarop hij Belgisch inwoner is geworden en moet betrekking hebben gehad op aandelen of bewijzen van deelneming die reeds in zijn bezit waren op de datum waarop hij Belgisch inwoner is geworden;
  • Er is sprake van een belangrijke deelneming als een persoon, alleen of samen met verwanten, direct of indirect, beschikt over aandelen of bewijzen van deelneming waarvan het totaal recht geeft op 25 percent of meer van de winst van de vennootschap.

Daarnaast zal dit mechanisme onder bepaalde voorwaarden ook van toepassing zijn wanneer de belangrijke deelneming niet rechtstreeks door de Belgische belastingplichtige wordt aangehouden, maar via een Belgische vennootschap. In dat geval zal de Belgische vennootschap zelf in Frankrijk belast worden op de gerealiseerde meerwaarde (in verhouding tot de deelneming van de natuurlijke persoon in deze vennootschap).

Deze bepaling zou van toepassing zijn op vervreemdingen die aan bovenvermelde voorwaarden voldoen en die zich voordoen na de inwerkingtreding van het nieuwe DBV (ten vroegste op 1 januari 2023). Ze zou aldus mogelijks ook gevolgen kunnen hebben voor Belgische inwoners die zich reeds een paar jaar geleden in België hebben gevestigd.

Daarnaast lijkt de verhouding van deze nieuwe bepaling met de Franse exit taks die reeds voor bepaalde Franse inwoners gevolgen kan hebben ingevolge hun vertrek uit Frankrijk ons op zijn minst complex.

[1] Raad van State, 24 februari 2020, nr. 436392.

[2] Abattementen worden toegekend in functie van de duur dat het onroerend goed werd aangehouden. Na 22 jaar wordt een vrijstelling bekomen op vlak van de inkomstenbelasting en na 30 jaar op vlak van de “prélèvements sociaux”.

Bron: Tiberghien