Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024

Gehuwd, of toch net niet voor de fiscus? (Ichiban Consult)

Auteur: Jan Lambrechts (Ichiban Consult)

Inleiding

Het fiscaal recht kent heel wat regels, die er op eerste zicht eenvoudig lijken. Niet zelden blijkt het te gaan om topjes van ijsbergen onder het wateroppervlak.

Twee van dergelijke regels komen de afgelopen jaren steeds meer in het vizier:

  • Artikel 126 § 1 WIB/92: “In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbaar inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.”
  • Artikel 2 § 1, 1° d) derde lid WIB/92: “Voor gehuwden, die zich niet in één van de in artikel 126 § 2 vermelde gevallen wordt de belastingwoonplaats bepaald door de plaats waar het gezin gevestigd is.” Dit is een onweerlegbaar wettelijk vermoeden.

Uit deze twee artikelen leiden we af dat in de personenbelasting de gezamenlijke taxatie de normale gang van zaken is bij gehuwden en wettelijk samenwonenden. Slechts in enkele beperkte uitzonderlijke gevallen is er sprake van een afzonderlijke aanslag. Hoewel het principe van gezamenlijke taxatie voor de meeste Belgen als evidentie wordt aanzien, blijkt dit in wezen niet echt het geval te zijn in vergelijking tot andere landen. Immers de meeste andere Westerse belastingsystemen voorzien in een afzonderlijke taxatie van echtgenoten/partners dan wel in een keuzestelsel, waarbij de belastingplichtigen zelf autonoom mogen kiezen of ze afzonderlijk dan wel gezamenlijk worden belast. Onze wetgeving is hier eerder een buitenbeentje.

De uitzonderingen waarnaar in artikel 126 § 2 verwezen worden zijn de volgende:

  • Jaar van huwelijk of verklaring van wettelijke samenwoning
  • Jaar volgend op het jaar waarin er een feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden
  • Jaar ontbinding huwelijk, van scheiding van tafel en bed of van beëindiging van de wettelijke samenwoning

De wet bevat ook nog een aantal andere uitzonderingsgevallen op de gemeenschappelijke aanslag, zoals bijvoorbeeld de situatie van een koppel, waarvan minstens één partner het fiscaal statuut van internationaal ambtenaar heeft. Ook in de belasting van niet-inwoners is er de uitzondering van de “gehuwde, die als alleenstaande moet worden belast” (een soort hybriede belastingplichtige dus).

Is de gemeenschappelijke aanslag een evidentie?

In het verleden hebben de regels niet zo vaak het voorwerp uitgemaakt van betwistingen. Echter, de afgelopen jaren is er een opmars van het aantal gevallen, waarin de belastingdienst op eigen houtje beslist om gehuwde of wettelijk samenwonende koppels fiscaal uit elkaar te halen. De opmars van de vooraf ingevulde aangifte is hier niet vreemd aan. Ook merken we dat de paragraaf uit de wet, waarin staat dat bij feitelijke scheiding, de afzonderlijke taxatie maar kan aanvangen vanaf het jaar volgend op dat van feitelijke scheiding steeds vaker door de administratie wordt miskend. Tal van technisch foute aanslagen zijn hier het gevolg van, al dan niet met gunstige of schadelijke gevolgen voor de belastingplichtige. Dit laatste is vaak het geval wanneer het gaat over de toepassing van het huwelijksquotiënt en voor de belastingvermindering voor kinderen ten laste.

Het feit dat in de wet bepaald werd dat de gemeenschappelijke aanslag de hoofdregel is, doet geen afbreuk aan het feit dat er geen absolute verplichting bestaat in de zin dat echtgenoten ook altijd een gezamenlijke aangifte zouden moeten doen. Niets belet de administratie om afzonderlijk ingediende aangiftes te aanvaarden en vervolgens samen te leggen en op basis hiervan toch een gemeenschappelijke aanslag te vestigen. Wel is het duidelijk dat het vestigen van een gemeenschappelijke aanslag er alleen maar moeilijker op wordt indien er twee afzonderlijke aangiftes worden ingediend, zeker indien bepaalde rubrieken uit de ene aangifte niet synchroon lopen met rubrieken uit de andere aangifte (onderlinge inconsistentie tussen beide aangiftes).

In deze bijdrage wensen we ook stil te staan bij de combinatie tussen artikel 2 WIB/92 en artikel 126 § 1 WIB/92. Wat immers duidelijk is, is het feit dat een gezamenlijke aanslag alleen maar mogelijk is indien de inkomsten van een koppel verbonden worden aan hetzelfde aanslagjaar en ook aan dezelfde belasting (ofwel de personenbelasting dan wel de belasting van niet-inwoners).

Dit leidt dan tot de prangende vraag of het technisch mogelijk is dat de ene partner wordt belast in de personenbelasting terwijl de andere partner wordt belast in de belasting van niet-inwoners.

Tot niet zo lang geleden werd gedacht dat beide partners onvermijdelijk in dezelfde belasting moesten vallen, tenzij bij internationale ambtenaren of bij koppels met gezinswoning buiten België (de gehuwde, die als alleenstaande wordt belast in de belasting van niet-inwoners).

Dit alles is nu op losse schroeven komen te staan als gevolg van de voorafgaande beslissing nr. 2023.0887 d.d. 19.12.2023. Wij wagen ons aan enkele vrijblijvende commentaren op deze merkwaardige ruling. Een en ander is ongetwijfeld controversieel en voor andere interpretatie dan de onze vatbaar.

De feiten en vraagstelling

Het dossier gaat over een gehuwd koppel, de heer X en mevrouw Y. Het koppel woonde initieel in België, doch in 2023 verhuizen de heer  en mevrouw samen met hun kinderen naar Frankrijk.

Aan de rulingcommissie werd voorgelegd of de heer X vanaf de verhuisdatum niet langer aanzien dient te worden als inwoner van het Koninkrijk overeenkomstig artikel 2, § 1, 1° van het WIB/92. Tevens werd gevraagd of hij vanaf die datum nog als inwoner van België kwalificeerde voor de toepassing van de belasting op beursverrichtingen (artikel 120 van het Wetboek van rechten en belastingen van diverse aard – “C.DTD” en mt betrekking tot de jaarlijkse taks op effectenrekeningen (artikel 201/3, 1°, a) van het C.DTD).

Ook werd gevraagd naar het fiscaal statuut van mevrouw Y. Blijft zij na de verhuis in aanmerking komen voor de personenbelasting, als inwoner van het Koninkrijk en ook voor de taks op beursverrichtingen en de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen?

In de voorafgaande beslissing worden de feiten als volgt beschreven:

  • De heer X is bedrijfsleider, tot voor kort woonachtig in België, doch daarna woonachtig in Frankrijk. Hij heeft de dubbele nationaliteit (Franse en Belgische).  Hij bekleedt een leidinggevende functie binnen een groep met zetel in België en is tevens bestuurder in verschillende vennootschappen. Hij is onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid.
  • Zijn vermogen bestaat voornamelijk uit passieve beleggingen zoals participaties in een Belgische vennootschap en in Luxemburgse vennootschappen, opties op effecten en vastgoed in het buitenland.
  • Voordat hij vanuit België naar Frankrijk verhuisde, verdeelde hij zijn tijd hoofdzakelijk tussen Brussel en Londen.
  • Zijn echtgenote heeft de Belgische nationaliteit en is woonachtig in België. Zij is directeur van verschillende bedrijven en ook zij is onderworpen aan het Belgische socialezekerheidsstelsel.
  • Mevrouw Y blijkt een aanzienlijk vermogen te hebben, waarvan de samenstelling aan de dienst voorafgaande beslissingen werd medegedeeld. Ze bezit ook indirect eigendommen elders in Europa, via vennootschappen, waarover zij zeggenschap heeft. Zo zijn alle activa van mevrouw Y in handen van Belgische vennootschappen.
  • Mevrouw Y is en blijft ingeschreven in het Belgisch Rijksregister.
  • Wanneer zij in België aanwezig is, verblijft zij in haar woning in België. De heer X is doorgehaald in het Nationaal Register van natuurlijke personen in België vanaf de verhuisdatum in september 2023.
  • Het koppel is gehuwd onder het regime van scheiding van goederen.
  • Het koppel heeft verschillende kinderen die ‘bij het gezin’ wonen.
  • Het koppel werd jarenlang beschouwd als fiscale inwoners van België en ze hebben tot aan de aanvraag van de ruling steeds gezamenlijk aangifte gedaan in de personenbelasting.
  • De situatie van het koppel wijzigt vanaf september 2023. Het gezin wil vanaf dan  hoofdzakelijk in Frankrijk gaan wonen. Dit belet hen niet de intentie te hebben om regelmatig naar hun huizen elders te reizen.
  • De heer X zal na de verhuis ten minste 40 % van zijn werktijd in Frankrijk werken, in een filiaal in Parijs. Hij blijft echter ook regelmatig in België werken (ook ongeveer 40 % van zijn werktijd). De uitoefening van de beroepsactiviteit in Frankrijk en de daaruit voortvloeiende afstand tot België moeten niet als tijdelijk worden beschouwd.
  • Mevrouw Y zal eveneens regelmatig (wekelijks of om de twee weken) naar België komen naar een ‘plaats van waaruit ze haar privévermogen zal beheren’ en ‘de vennootschappen waarin ze bestuurder is zal bijhouden’.
  •  Zij blijft ingeschreven in het Rijksregister van natuurlijke personen.
  • Bovendien zal mevrouw Y sterke persoonlijke banden met België blijven onderhouden, in het bijzonder met haar familie, en met haar privérelaties. Zij zal in dit licht regelmatig naar België terugkeren, in het bijzonder voor familiefeesten (kerstmis, verjaardagen, bruiloften, doopfeesten en andere familiebijeenkomsten).
  • Naast haar familiebanden zal mevrouw Y dus belangrijke sociale banden in België onderhouden. De persoonlijke banden van mevrouw Y met België zullen ook worden geconsolideerd door haar voortdurende aanwezigheid in België binnen verschillende verenigingen en organisaties.
  • Het is de bedoeling dat mevrouw om de twee weken 3 of 4 dagen in België doorbrengt.
  • Zij zal ook regelmatig een bezoek brengen aan het Verenigd Koninkrijk.

Uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat het gezin persoonlijke banden heeft met beide staten, maar deze zullen sterker zijn in Frankrijk om gezinsredenen (gewoonlijk verblijf van de ouders met hun kinderen in Frankrijk).

Waarom wordt er eigenlijk een ruling gevraagd?

Het feit dat dit koppel contact heeft opgenomen met de rulingdienst in België is eerder merkwaardig. Immers, in eerste orde zou men verwachten dat hier sprake is van een klassieke emigratie van een geheel gezin van België naar Frankrijk, waardoor de echtgenoten samen overgaan van de Belgische personenbelasting naar de belasting van niet-inwoners. Het is ongebruikelijk dat een belastingplichtige net het omgekeerde vraagt, meer bepaald om hier als inwoner op zijn of haar wereldinkomen te worden belast. Er zijn niet zoveel belastingplichtigen die dermate sterk gehecht zijn aan de hoge Belgische belastingen.

We durven dan ook te vermoeden dat de sleutel van het verhaal eerder in Frankrijk te vinden is en dat mevrouw Y ten allen prijzen wil vermijden fiscaal inwoner van Frankrijk te worden. Het bestaan van een vermogensbelasting in Frankrijk is hier misschien niet vreemd aan. De Belgische rulingdienst geeft de indruk een rol te spelen in een Frans fiscaal verhaal om mevrouw te helpen in Frankrijk geen belasting te moeten betalen op haar vermogen. Indien dit zo mocht blijken te zijn dan lijkt ons dit niet meteen tot haar normale kerntaken te behoren.

Zo verklaart het koppel dat  zowel namens de heer X als namens zijn onderneming verschillende belastingherzieningen bij de Franse belastingautoriteiten zijn aangevraagd om het standpunt van de Franse belastingautoriteiten te verkrijgen over de fiscale gevolgen van de vestiging van de heer X in Frankrijk voor zijn onderneming en over bepaalde elementen van zijn beloning.

Met betrekking tot mevrouw Y is een Frans afschrift verkregen betreffende het behoud van haar fiscale woonplaats in België en de afwezigheid van fiscale gevolgen in Frankrijk, niet in het minst wat haar vermogen betreft.

Meteen menen we te begrijpen waarom het koppel graag een gescheiden fiscaal domicilie wenst te bekomen. Dit zou het vermogen van mevrouw Y misschien kunnen vrijwaren van Franse belastingen. Wij durven de ruling dan ook een beetje te lezen in het licht van deze veronderstelling. Echter, de conclusies, die uit de ruling kunnen getrokken worden zijn wel degelijk universeel en kunnen belangrijke impacten hebben in totaal andere dossiers.

Welke wetsartikelen heeft de rulingdienst bekeken?

De rulingdienst vat aan met het opsommen van een aantal revante Belgische fiscale bepalingen. Hier gaat de aandacht volledig naar artikel 2 WIB/92. Nergens wordt verder in het wetboek gekeken naar andere artikelen, die een rol zouden kunnen spelen (bijvoorbeeld naar artikel 126).

Artikel 2, § 1, 1° WIB 92 bepaalt dat onder inwoners van het Koninkrijk worden verstaan de natuurlijke personen die :

  • ofwel hun woonplaats in België hebben gevestigd
  • ofwel wanneer zij geen woonplaats in België hebben, de zetel van hun vermogen (de wet spreekt van ‘fortuin’ ) in België hebben gevestigd

De fiscale woonplaats wordt vastgesteld op basis van concrete feiten en staat los van het begrip nationaliteit of burgerlijke woonplaats. In het administratieve commentaar (ComIB nr. 3/7) wordt de woonplaats gedefinieerd als de plaats waar een persoon daadwerkelijk en ononderbroken verblijft of waar hij zijn gezinswoning heeft of de plaats waar zijn vitale belangen zijn gecentreerd (sociale, culturele, politieke betrekkingen en bezigheden enz.). Op dit laatste komen we verder nog terug. Er staat ook te lezen (Com IB nr. 3/8) dat de fiscale woonplaats in de eerste plaats de plaats is waar een persoon daadwerkelijk en ononderbroken verblijft, met andere woorden waar de betrokkene hij woont en werkt.

Of de woonplaats of de zetel van het vermogen in België gevestigd is, hangt af van de feiten, doch bij gebrek aan bewijs van het tegendeel door de belastingplichtingen, worden natuurlijke personen die zijn ingeschreven in het Rijksregister wettelijk vermoed hun fiscale woonplaats in België te hebben gevestigd.

Voor gehuwde personen, die zich niet in een van de uitzonderingen (artikel 126, § 2, eerste lid) bevinden, is de fiscale woonplaats volgens de wet gelegen op de plaats waar het gezin (het huishouden) is gevestigd.

Een persoon, die is ingeschreven in het nationale register van natuurlijke personen wordt, zoals reeds werd vermeld, bij gebreke van bewijs van het tegendeel, geacht te kwalificeren als ingezetene van het Koninkrijk. De heffingsambtenaar mag zonder verder onderzoek erkennen dat de persoon een ingezetene van het Koninkrijk is wanneer hij ingeschreven is in het bevolkingsregister van zijn gemeente (Circulaire Ci.RH.241/585.607 (AFER 19/2007) van 12 juli 2007, punt 13).

Dit vermoeden (artikel 2, § 1, 1°, tweede alinea, WIB/92) is echter weerlegbaar. Zo kan een belastingplichtige bewijzen dat hij toch geen inwoner van het land is, indien hij aan de hand van concrete bewijzen (alle bewijsmiddelen van gemeen recht zijn hier toegelaten met uitzondering van de eed) aan kan tonen dat hij, hoewel hij in het bevolkingsregister is ingeschreven, toch geen inwoner van het Koninkrijk is (Zie ook Circ. AFER 19/2007 van 12 juli 2007, punt 25; Com IR. nr. 3/20).

Wel bepaalt artikel 2, § 1, 1°, derde alinea, van het WIB/92 dat de fiscale woonplaats van gehuwden of wettelijk samenwonenden (buiten de uitzonderingsgevallen) wordt vastgesteld volgens de plaats waar het gezin (huishouden) is gevestigd. We merken op dat het hier gaat om een onweerlegbaar vermoeden. Zodra de vestigingsplaats van een gezin in België gevestigd is, zullen de leden van dit gezin onweerlegbaar vermoed worden inwoners van het land te zijn.

In het geval van gehuwde personen is de fiscale woonplaats (behalve in bepaalde bijzondere situaties) de plaats waar het huishouden is gevestigd, dat wil zeggen de zetel van de gezinswoning (woning van het gezin) (Circulaire Ci.RH.241/585.607 (AFER 19/2007) van 12 juli 2007, punt 29). Dit is een onweerlegbaar vermoeden dat geen bewijs van het tegendeel toelaat. Het is wel mogelijk hier overheen te stappen bij de toepassing van een belastingverdrag omdat men daar slechts in één land een fiscale woonplaats kan hebben opdat dubbele taxatie zou kunnen worden vermeden  (ruling nr. 2022.0711 van 13.12.2022, punt 596).

Zou het kunnen dat artikel 2 van het wetboek een beetje schizofreen is? Er is aan de ene kant het onweerlegbaar vermoeden voor gehuwden op basis van de gezinswoonplaats. Aan de andere kant is er de basisregel in het begin van het artikel waar men zowel spreekt over de woonplaats als over de zetel van fortuin. Wij zouden eerder denken dat het vermoeden voor de gehuwden een autonome uitzonderingsregel is, die primeert op de basisregel en dat voor hen niet verder moet gekeken worden naar de zetel van fortuin van elk der echtgenoten afzonderlijk. De wettekst op zich is op dit vlak voor ons niet zo duidelijk.

Woonplaats en zetel van fortuin

Op basis van het bovenstaande zou men in eerste instantie verwachten dat zowel de heer X als mevrouw Y, samen met de inwonende kinderen, inwoners van Frankrijk zijn. De inschrijving in het bevolkingsregister van België van mevrouw Y is duidelijk ondergeschikt aan de plaats van de gezinswoning in Frankrijk.

Niets blijkt echter minder waar te zijn. De rulingdienst gaat immers verder met de analyse van het dossier op basis van het criterium van de zetel van fortuin. Een persoon met woonplaats buiten België kan immers toch nog als inwoner van het Koninkrijk worden aangemerkt indien hij er de zetel van zijn fortuin (vermogen) heeft gevestigd.

De fiscale woonplaats en de zetel van de activa zijn inderdaad twee alternatieve criteria om de woonplaats  vast te stellen. Elk van deze criteria vormt op zichzelf een onafhankelijk en toereikend criterium, dat als doorslaggevend criterium kan gelden. Zo kan bijvoorbeeld de zetel van fortuin het belangrijkste criterium vormen in  die gevallen waarin het centrum van zakelijke en beroepsactiviteiten van een persoon niet op dezelfde plaats is gelegen als het centrum van het gezinsleven.

De rulingdienst behandelt woonplaats en zetel van fortuin als volkomen gelijkwaardige criteria. Hier zouden we toch enige nuance aan willen toevoegen. De praktijk toont duidelijk aan dat de woonplaats doorgaans het eerste criterium is waar men naar kijkt en dat de zetel van fortuin pas opduikt als de woonplaats niet duidelijk bepaald kan worden. Dit laat aan de administratie toe om toch nog personen in België te blijven belasten, nadat ze duidelijk metterwoon het land verlaten hebben.

In de jurisprudentie en het administratieve commentaar wordt de zetel van de activa gedefinieerd als de natuurlijk door een zekere eenheid gekenmerkte plaats van waaruit de eigenaar van de activa of van het goed dat deel uitmaakt van deze activa, deze beheert of het beheer ervan controleert (Cass. 7 februari 1979, Bull. 611, p. 26297). Het is dus de plaats van waaruit men zijn vermogen beheert.

Er wordt verder gepreciseerd dat de plaats waar de vermogensbestanddelen die het kapitaal vormen, zich bevinden, niet in aanmerking mag worden genomen. Er kan dus sprake zijn van een zetel van het vermogen in België indien, op basis van een geheel van bevestigende elementen, blijkt dat de natuurlijke persoon niet langer fysiek aanwezig is in België maar dat zijn economisch (en sociaal) leven wel degelijk verankerd is gebleven op Belgisch grondgebied (ruling nr. 2021.0794 van 21.09.2021, punt 288).

Het komt ons voor dat het niet zo eenvoudig is om te bepalen waar iemands zetel van fortuin gelegen is. De plaats van vermogensbestanddelen op zich speelt geen rol, maar wel de plaats waar men zich bevindt op het moment waarop men beheersdaden stelt. In het steeds verder ontwikkelend digitaal tijdperk, waar handelingen minder en minder plaatsgebonden worden, zal het van jaar op jaar enkel maar moeilijker worden om objectief vast te stellen waar iemand zich bevindt op het moment waarop men een daad van beheer van vermogen stelt. Voor ons is het hierdoor evident dat de zetel van fortuin slechts de rol speelt van een reddingsboei om in extreme gevallen de fiscale woonplaats te bepalen, maar dat dit criterium veel te vaag en moeilijk te bewijzen is voor dagelijks gebruik. Is de ruling dan eigenlijk al niet achterhaald door de voortsnellende digitalisering van de samenleving?

De rulingdienst  blijkt bovendien enkele zaken door elkaar te mengen. Immers men moet kijken naar de plaats van waaruit vermogensbestanddelen worden beheerd. De rulingdienst schuift het verhaal echter door naar de plaats waar het economisch en sociaal leven van iemand is verankerd. Dit is iets totaal anders dan het beheren van een vermogen.

We durven zelfs te stellen dat de rulingdienst hier een kleine uitschuiver maakt: maakt de plaats van de sociale, culturele, politieke betrekkingen en bezigheden enz. immers geen onderdeel uit van het begrip ‘woonplaats’ en niet van het begrip ‘zetel van fortuin’. Dit lazen we hierboven immers in de administratieve commentaar (ComIB nr. 3/7).  We lazen immers dat de woonplaats gedefinieerd wordt als de plaats waar een persoon daadwerkelijk en ononderbroken verblijft of waar hij zijn gezinswoning heeft of de plaats waar zijn vitale belangen zijn gecentreerd (sociale, culturele, politieke betrekkingen en bezigheden enz).  In de ruling worden deze laatste zaken echter beschouwd als waren het kenmerken van de zetel van fortuin. De administratie is hier intern in tegenspraak met zichzelf en gooit hier zelf de begrippen woonplaats en zetel van fortuin door elkaar.

Eenheid van gezin

Wat het fiscale woonplaatscriterium betreft, stelt de administratieve toelichting dat met betrekking tot echtgenoten de hoedanigheid van ingezetene of niet-ingezetene van de twee echtgenoten globaal en gezamenlijk moet worden beoordeeld. De echtgenoten zijn ofwel beiden inwoners van het Koninkrijk ofwel beiden niet-ingezetenen van het Koninkrijk. Twee gehuwde personen moeten, zoals we in onze inleiding reeds hebben gesteld, in principe aan dezelfde belasting worden onderworpen (personenbelasting dan wel de belasting van niet-inwoners (ComIR nr. 3/15.4; circulaire Ci.RH.241/585.607 (AFER 19/2007) van 12.07.2007, punten 26 tot 28). De eenheid van gezin is nochtans essentieel bij de toepassing van artikel 126 WIB/92. Jammer genoeg is de rulingdienst niet tot zover in de lezing van het wetboek geraakt en werd er ook niet gekeken naar de interne consistentie tussen de wetsartikelen binnen het wetboek.

De rulingdienst stelt dat de eenheid van fiscale woonplaats tussen echtgenoten enkel gekoppeld is aan het criterium van de fiscale woonplaats. Er zou volgens de dienst geen eenheid zijn wat betreft de zetel van fortuin.

De rulingdienst komt tot deze stelling op basis van een letterlijke lezing van een deel van de wettekst: “voor gehuwden is de fiscale woonplaats de plaats waar het gezin is gevestigd”.

Wat de zetel van fortuin betreft zou er geen sprake zijn van fiscale eenheid. Inderdaad, in de wet leest men: indien zij geen woonplaats in België hebben wordt gekeken naar de zetel van het vermogen in België. Dit zou dan voor gehuwden wel apart per partner kunnen bekeken worden. De rulingdienst vindt het logisch dat voor de zetel van fortuin enkel wordt gekeken naar de individuele situatie van de persoon die de tegoeden bezit en beheert, daar waar men de woonplaats wel geconsolideerd op gezinsniveau bekijkt. Voor ons is dit nochtans geen evidentie.

Er wordt hiervoor verwezen naar de voorbereidende werken van de wet inzake de fiscale woonplaats, doch naar onze mening heeft de rulingdienst de context van de invoering van de wettekst niet juist/volledig weergegeven.

Er was in de jaren 80 van vorige eeuw immers een duidelijke evolutie in de rechtspraak ontstaan, waarbij aanvaard werd dat koppels een apart fiscaal domicilie konden hebben, waarbij de ene partner inwoner was en de andere niet-inwoner.

Deze situatie werd door de administratie in die tijd fel bestreden, meer bepaald met het oog op het belasten van het inkomen van partners, die buiten België woonden en werkten (vaak in landen zonder berlastingverdrag met België), waarbij het gezin (vaak een niet werkende partner en kinderen) in België bleven wonen.

Het is juist om deze rechtspraak te neutraliseren en om toch het inkomen van de buitenlandse partner te kunnen blijven belasten dat de huidige versie van artikel 2 WIB/92 is ingevoerd, gebaseerd op het concept van de fiscale eenheid van een gezin. Zo was het juist de bedoeling om de fiscale eenheid van het gezin in de wettekst te verankeren.

De rulingdienst verwijst ook naar een eerder onduidelijke toelichting bij de stand van zaken, geformuleerd door minister Koen Geens in het kader van de parlementaire werkzaamheden, die leidden tot de aanpassing van het WIB/92 aan de 6de staatshervorming. In deze context werd de tekst van artikel 2, §1, 1° gewijzigd om duidelijk te maken dat indien de woonplaats in België is, de Belgische verblijfplaats het gevolg is. Is de woonplaats niet in België, dan komt het tweede criterium hier opnieuw om de hoek kijken, namelijk de zetel van het vermogen.

De wat wankele zetel van fortuin van mevrouw

De rulingdienst analyseert vervolgens het gedrag van mevrouw Y in een poging om te bepalen waar de zetel van haar fortuin zich zou kunnen bevinden.

Zo moet zij volgens de rulingdienst naar België komen om al haar activa te beheren, omdat de structuur voor het houden en organiseren van haar activa, volledig Belgisch is en zich in België bevindt.

In het huidige digitale tijdperk kunnen we moeilijk bevatten dat iemand zich constant vanuit Parijs naar België zou moeten begeven om hier ter plaatse allerhande beheersdaden ivm vermogen te komen stellen, die men net zo gemakkelijk van thuis uit kan verrichten. Een beleggingsportefeuille kan zonder moeite digitaal vanuit het buitenland opgevolgd en beheerd worden. Dit is ook het geval voor veel zaken, die onroerende goederen aanbelangen. Ook deelname aan bijeenkomsten van vennootschappen kan tegenwoordig perfect vanop afstand. Over welke kritische beheersdaden er dan nog regelmatig op Belgisch grondgebied zouden moeten worden verricht om in aanmerking te komen als onderdelen van de zetel van fortuin wordt met geen woord gerept.

Mevrouw Y is lid van de raad van bestuur van de vennootschappen, waarin ze rechtstreeks of onrechtstreeks belangrijke participaties heeft. Volgens de rulingcommissie vereist dit haar  regelmatige aanwezigheid in België om zo de rol van beheerder van haar vermogen op zich te nemen. Of ook deze stelling nog stand kan houden in het kader van het huidige wetboek van vennootschappen en verenigingen is nochtans niet evident. Ook hier kan men perfect veel zaken, zoniet zelfs alles vanop afstand regelen.

Ze heeft een verblijfplaats in België waar ze (slechts) om de twee weken 3 tot 4 dagen doorbrengt. Dus een aanwezigheid van zo’n 6 tot 8 dagen per maand in België, wellicht voornamelijk om persoonlijke redenen of om hier te komen werken (wat niets te maken hoeft te hebben met het beheer van haar vermogen) wordt hier aanzien als element om aan te tonen dat mevrouw op die dagen haar vermogen vanuit België zou beheren.

Uit het dossier blijkt dat een groot deel van de familie- en sociale relaties van mevrouw Y zich in België zal blijven bevinden. Dit lijkt ons niet ongewoon en volkomen in lijn met alle andere Belgen, die het land verlaten en zich metterwoon in het buitenland gaan vestigen. Ook hun familie en vrienden zullen hen doorgaans niet naar het buitenland volgen. Dit element uit de ruling heeft niet meteen enige relevantie, zo lijkt ons.

De rulingdienst heeft zich moeten verdiepen in het huwelijksstelsel van het koppel om tot de eindconclusie te komen. Dit heeft uiteraard wel te maken met het beheer van het vermogen der partners. Zo bleek dat ze gehuwd zijn onder het regime van scheiding van goederen. Enkel op die manier kan gesteld worden dat mevrouw Y in de mogelijkheid is om een aparte zetel van fortuin te hebben. Bij een gemeenschap van goederen zou het vermogen onherroepelijk gemeenschappelijk geweest zijn in hoofde van beide echtgenoten en kon er onmogelijk een aparte zetel van fortuin zijn in hoofde van mevrouw Y.

Ons inziens  riskeert de rulingdienst hiermee op glad ijs terecht te komen. Immers, de samenlevingsvormen zouden fiscaal neutraal moeten zijn. In dit dossier wordt voor de inkomstenbelasting een belangrijk onderscheid gemaakt tussen gehuwden met een gemeenschap van goederen enerzijds en gehuwden en wettelijk samenwonenden zonder gemeenschap. Hiermee heeft ze het moeilijke onderwerp van de mogelijke discriminatie in fiscale zaken aangesneden.

Vraag is wat de rulingdienst zou gedaan hebben indien het koppel met een wettelijk stelsel zou gehuwd geweest zijn, waarbij vooral het zwaartepunt van het sociaal leven van mevrouw in België zou zijn gesitueerd. We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat het huwelijksvermogensstelsel van het koppel de enige echte hoeksteen van het dossier is, waaraan de rulingdienst haar conclusies heeft kunnen vastmaken.

De mening van Frankrijk

Het feit dat de Franse belastingdienst akkoord was met de fiscale behandeling van de heer X als Frans inwoner en van mevrouw Y als niet inwoner van Frankrijk lijkt ons niet meteen relevant in de hele discussie, die enkel de Belgische fiscaliteit betreft. Deze houding van de Franse fiscus is trouwens in lijn met die van de meeste andere Westerse landen, waar de gezamenlijke taxatie van gehuwden allerminst tot de normale geplogenheden behoort.

In dit licht is het perfect mogelijk dat personen in fiscale zin inwoner zijn van meerdere landen tegelijk in toepassing van hun respectievelijke interne fiscale recht. Het is juist om die reden dat de belastingverdragen specifieke regels bevatten om dergelijke situaties (dubbel inwonerschap) uit te klaren. Er bestaat geen enkele noodzaak dat het inwonerschap van individuen of gezinnen over landen heen gelijk zou moeten lopen.

Conclusies rulingdienst en praktische bedenkingen

Op basis van al het bovenstaande komt de rulingdienst uiteindelijk tot het wat moeizame besluit dat de zetel van fortuin van mevrouw Y in België gelegen is.  Dit leidt tot de conclusie dat mevrouw Y, ondanks de nieuwe gezinsorganisatie in Frankrijk, haar status van ingezetene van het Koninkrijk behoudt.

Gaat de rulingdienst hier niet wat kort door de bocht? De analyse is immers blijven steken bij artikel 2 van het WIB/92. Geen aandacht werd besteed aan andere artikelen uit het wetboek, waaronder ook  artikel 126 § 1 WIB/92, dat nochtans voorziet in het toch wel fundamentele principe van de gemeenschappelijke aanslag op naam van gehuwden en wettelijk samenwonenden. De vraag kan gesteld worden of de opinie van de rulingdienst wel voldoende consistent is binnen de totale context van het wetboek.

De enige theoretische oplossing om de gezamenlijke aanslag af te wenden lijkt ons er eerder erin te bestaan om het koppel als feitelijk gescheiden te beschouwen (en dit pas vanaf het jaar volgend op de verhuizing). Dit is de aanpak, die we tegenwoordig met de regelmaat van de klok op het terrein vaststellen. De belastingdienst heeft er geen enkel probleem mee om koppels als feitelijk gescheiden te behandelen, zodra één van hen om welke reden dan ook niet meer op hetzelfde adres in de gemeente is ingeschreven. Erger nog, er zijn ons zelfs recente gevallen bekend waarbij partners als feitelijk gescheiden worden behandeld en er twee aparte belastingaangiftes worden uitgereikt op eenzelfde adres!

Het scenario van de feitelijke scheiding zou in voorliggend dossier om vrij evidente redenen nooit stand hebben kunnen houden. Dit komt omdat mevrouw Y de meeste dagen van het jaar bij het gezin in Frankrijk verbleef en duidelijk enkel in België over een tweede verblijf beschikte. De rulingcommissie had dan ook geen alternatief voorhanden, dan zich te gaan steunen op het eerder wankele begrip ‘zetel van fortuin’ in combinatie met het huwelijksvermogensstelsel om de echtgenoten fiscaal toch nog gescheiden te krijgen.

Kan je de ruling ook concreet in een aangite toepassen?

We keken een keer naar vak II van de belastingaangifte. De rulingcommissie zegt niets over hoe mevrouw Y dit moet invullen:

  • code 1001: ongehuwd en niet wettelijk samenwonend, uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden: dit is zeker niet van toepassing. Dit lijkt nochtans de enige code, die de gezamenlijke aanslag hier kan afwenden.
  • code 1002: gehuwd of wettelijk samenwonend: inderdaad, maar blijkt dat men dit vak  op dit moment enkel kan aankruisen op een papieren aangifte of indien er een gezamenlijke aangifte op Tax-on-Web is ingeladen. We verwachten dat mevrouw Y bij een digitale aangifte niet in de mogelijkheid zal verkeren deze, nochtans technisch juiste rubriek, alleen aan te vinken.

We zijn benieuwd hoe mevrouw Y dit jaar haar aangifte in de personenbelasting voor aanslagjaar 2024 gaat ingevuld krijgen.

We stellen ons ook de vraag naar wat de administratie gaat doen met de kinderen ten laste? Zal men de belastingvermindering hiervoor zonder probleem aan mevrouw Y toekennen? De kinderen maken immers deel uit van het gezin en in de personenbelasting maakt het al lang niets meer uit welke van beide ouders het hoogste inkomen heeft. Enkel in de belasting van niet -inwoners wordt hier (al dan niet terecht) nog naar gekeken. Mevrouw Y zou probleemloos de belastingvermindering voor de kinderen ten laste moeten kunnen claimen, hopelijk hierin gevolgd door de lokale controledienst.

En wat te doen als ook meneer X in België aangifte moet doen, dit maal in de belasting van niet-inwoners? Hij zou dan wel de rubriek van de ‘gehuwde, die als alleenstaande moet worden belast’ kunnen invullen. Deze rubriek bestaat enkel in de belasting van niet-inwoners. Kan hij dan ook de kinderen allemaal of enkele ervan fiscaal ten laste nemen? Zeker niet in samenloop met mevrouw, maar omdat zij in de personenbelasting aangeeft is misschien niet meteen duidelijk dat er hier mogelijks dubbel gebruik van een belastingvermindering zou kunnen optreden.

Wat de kinderen ten laste betreft komen de personenbelasting (PB) en de belasting van niet-inwoners (BNI) met elkaar in aanvaring. In de PB mogen kinderen vrij aan een ouder worden toegewezen om de laagst mogelijke belasting te bekomen. In de BNI zou men de vermindering enkel mogen aanrekenen aan de ouder met het hoogste belastbaar inkomen, zelfs in die gevallen waarin dit voor het koppel minder voordelig zou zijn. De inkomstenregel is om onduidelijke redenen in de BNI blijven staan op het moment waarop deze in de PB werd afgeschaft. Een vergetelheid?

Hoe gaat het nu verder?

Wat de gevolgen van deze ruling betreft is het niet meteen mogelijk om tot duidelijke conclusies te komen. Eigenlijk zitten we nu met nog meer vragen dan ooit voorheen. We vrezen immers dat het hek nu helemaal van de dam is omdat aanvaard wordt dat een gehuwd koppel, zelfs met een duidelijke plaats van de gezinswoning, toch een gescheiden fiscaal domicilie kan hebben.

Opent dit niet de weg naar een arbitrair beleid, waarbij de belastingdienst koppels of individuele gezinsleden als inwoners of als personen met apart domicilie gaat beschouwen in al die gevallen, waar het voor de schatkist het meest gunstige resultaat oplevert? Dit hoeft niet enkel over de grenzen heen te gebeuren. Zo kan een koppel verblijfplaatsen in meerdere gemeentes binnen België hebben, zonder duidelijke gezinswoonplaats, en zou de ene partner op een eerder absurde wijze aan de ene gemeente gekoppeld kunnen worden en de andere aan een andere gemeente, dit alles op basis van hun respectievelijke zetel van fortuin. En wat indien dit over gewesten heen begint te lopen, waarbij de ene partner in het zuiden van het land zetelt en de andere in het noorden?

Wat zal men internationaal gaan doen indien partner A gaat wonen en werken in een land zonder belastingverdrag of in de Verenigde Arabische Emiraten? Gaat de belastingdienst dan aanvaarden dat betrokkene niet langer in België woont en enkel partner B in België belasten? Te verwachten valt dat de administratie in dergelijke gevallen zal blijven terugvallen op het principe van de fiscale eenheid van een gezin en op het onweerlegbaar vermoeden van artikel 2 WIB/92 in combinatie met artikel 126 WIB/92. En wat te zeggen over de impact van  het huwelijksvermogensstelsel van een koppel in het licht van deze hele problematiek? Gaat men koppels dan anders behandelen op basis van hun huwelijksvermogensstelsel?

Kortom, de vraag naar een aanpassing van artikel 2 WIB/92 aan de moderne manier van wonen, leven en digitaal handelen dringt zich steeds verder op. Hierbij komt het principe van de fiscale eenheid van een gezin steeds meer onder druk te staan, zeker als we vaststellen dat de afzonderlijke taxatie van koppels in tal van ons omringende landen in wezen een evidentie vormt. Zou het niet veel gemakkelijker zijn om de keuze gewoon aan de belastingplichtigen te laten om te bepalen of ze apart of gezamenlijk zullen worden getaxeerd? Momenteel zit de administratie hier zelf steeds vaker aan de stuurknuppel, maar het gevolgde traject is niet meteen rechtlijnig te noemen. Wij pleiten alvast voor enkele grondige aanpassingen in het wetboek en om meer inspraak in hoofde van de belastingplichtige om in zijn eigen dossier zelf de nodige beslissingen te nemen.

Met de ruling werd ongetwijfeld een nieuw hoofdstuk ingezet in het complexe vervolgverhaal van het fiscaal domicilie.

Bron: Ichiban Consult

» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen