Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Vereffening-verdeling van nalatenschappen:
16 probleemstellingen

Mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)

Webinar op vrijdag 26 april 2024


Consumentenbescherming bij de verwerving
van financiële diensten: de laatste ontwikkelingen (optioneel met handboek)

Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Webinar op donderdag 30 mei 2024

Geen aangiftetermijn in het belastingreglement? Dan geen belasting oordeelt het Hof van Cassatie! (GD&A Advocaten)

Auteurs: Nathalie Wouters en Pauline Van Beurden (GD&A Advocaten)

Een recent arrest van het Hof van Cassatie van 9 november 2023 brengt duidelijkheid inzake de gevolgen van aangiftebepalingen in belastingreglementen die niet voorzien in een termijnregeling en aldus in strijd zijn met artikel 7 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. (Cass. 9 november 2023, F.22.0155.N, www.juportal.be)

In de rechtspraak heerst al geruime tijd onverdeeldheid over de juridische gevolgen die moeten worden gekoppeld aan een bepaling inzake de aangifteplicht in belastingreglementen, wanneer de bepaling zelf niet voorziet in een concrete aangiftetermijn.

Het komt bijvoorbeeld wel eens voor dat in een belastingreglement inzake de aangifteplicht wordt voorzien dat een aangifteformulier moet worden teruggestuurd voor de erin vermelde vervaldatum. Dit impliceert dat de uiterste aangiftetermijn niet concreet wordt bepaald in het belastingreglement zelf, doch louter op het aangifteformulier wordt vermeld.

Nochtans bepaalt artikel 7 van het Decreet van 30 mei 2008 dat, indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, de belasting ambtshalve kan gevestigd worden bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige.

De vraag stelt zich aldus of in dit geval, waarin de aangiftetermijn niet in de bepalingen van het belastingreglement zelf is opgenomen, een (ambtshalve) aanslag kan worden gevestigd.

De Raad van State oordeelde dienaangaande – in een geschil omtrent de Waalse tegenhanger van het Decreet – in het verleden dat het ontbreken van een aangiftetermijn in een belastingreglement zelf leidt tot de onwettigheid van het gehele belastingreglement. De Raad van State achtte de aangifteplicht immers onsplitsbaar van het belastingreglement zelf. (RvS 13 april 2021, nr. 250.321)

Hoewel de Raad van State besloot tot de gehele onwettigheid en buiten-toepassing verklaring van het belastingreglement, was de (Vlaamse) lagere rechtspraak veel milder.

Het merendeel van de Nederlandstalige rechtbanken en hoven oordeelt dat de niet-toepasbaarheid van het artikel met betrekking tot de ambtshalve aanslag in het belastingreglement, enkel tot gevolg zou kunnen hebben dat geen aanslag van ambtswege (desgevallend met oplegging van een belastingverhoging) zou kunnen worden gevestigd.

Het Hof van Cassatie heeft met haar arrest van 9 november 2023 echter komaf gemaakt met deze milde interpretatie van het merendeel van de hoven en rechtbanken.

Volgens het Hof verplicht het Decreet van 30 mei 2008 in artikel 7 het gemeentebestuur om een minimumtermijn vast te stellen waarbinnen de aangifte door de belastingplichtige moet worden ingediend.

Aangezien artikel 7 expliciet stelt dat de aangifte “binnen de in de verordening gestelde termijn” moet worden ingediend, dient hieruit te worden afgeleid dat de bepaling (uit de belastingverordening) moet worden gestemd door een democratisch verkozen orgaan. Wanneer geen aangiftetermijn wordt voorzien in het belastingreglement zelf, kan de aangifteplicht niet worden nageleefd en kan er dus geen belasting worden gevestigd aldus het Hof.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat het Hof hiermee ingaat tegen het advies van de advocaat-generaal omtrent deze kwestie. Volgens de conclusie van de advocaat-generaal leidt de onwettige bepaling in verband met de aangifteplicht, niet zonder meer tot de onwettigheid van het gehele belastingreglement. Het Hof heeft deze visie echter niet gevolgd.

De lokale besturen zijn derhalve gewaarschuwd: in belastingreglementen, die een aangifteplicht voorzien, dient steeds een (redelijke) aangiftetermijn te zijn bepaald, zowel in het geval waarbij de belastingplichtige een aangifteformulier heeft ontvangen van het gemeentebestuur, als in het geval waarbij de belastingplichtige geen aangifteformulier heeft ontvangen. Bij gebrek aan een concrete aangiftetermijn kan het belastingreglement geen toepassing vinden.

Het is aangewezen om de bestaande belastingreglementen te onderwerpen aan een controle op dit punt en desgevallend een wijziging door te voeren.

Bron: GD&A Advocaten

» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen