Valse contracten? Kanttekeningen inzake contracten en simulatie in fiscalibus

Webinar op 8 december 2022

De uitbreiding van de fiscale
aanslag- en onderzoekstermijnen

Webinar op 26 januari 2023

Voordeelpakket
‘Beslag, borgstelling en zekerheden’

 4 webinars on demand

Cryptomunten:
een stand van zaken

Webinar on demand

Consumentenbescherming in de financiële sector

Webinar on demand

Successieplanning van vastgoed en aandelen via vruchtgebruik

Webinar on demand

De onontvankelijkheid van een rulingaanvraag (ECGB Advocaten)

Auteur: Ayfer Aydogan (ECGB Advocaten)

Niet elke bepaling van de Vlaamse Codex Fiscaliteit is glashelder waardoor het soms moeilijk is om de fiscale gevolgen van een situatie of een rechtshandeling correct in te schatten. Daarbij komt nog dat sommige concepten in de codex een doelbewuste vaagheid inhouden, zoals het fiscaal misbruik dat in artikel 3.17.0.0.2 VCF is bepaald.

Net om achteraf fiscale verrassingen en (gerechtelijke) betwistingen te vermijden, is in de VCF ook de mogelijkheid gecreëerd om een voorafgaande beslissing te vragen aan de Vlaamse Belastingdienst, ook wel een ruling genoemd. Zo kan men een verrichting, voordat deze is gesteld, laten toetsen aan één of meerdere bepalingen in de VCF en de visie van VLABEL te weten komen. Valt de verrichting in het toepassingsgebied van een welbepaald artikel of niet, dat is de vraag waarop men een antwoord vraagt.

Een voorafgaande beslissing zorgt voor rechtszekerheid. De mogelijkheid om een voorafgaande beslissing te verkrijgen, zou dan ook principieel niet bemoeilijkt mogen worden door VLABEL zelf. Het enige dat VLABEL mag doen, is nagaan of de decretale voorwaarden om een beslissing te nemen verenigd zijn.

Welke zijn de voorwaarden waarmee men rekening moet houden wanneer een ruling wordt aangevraagd? Uit artikel 3.22.0.0.1 VCF volgt dat:

  • de aanvraag schriftelijk moet worden ingediend;
  • de aanvraag gemotiveerd moet zijn;
  • de identiteit van de aanvrager en andere betrokken partijen en derden moet worden vermeld;
  • de situatie of verrichting volledig moet beschreven worden;
  • er moet worden verwezen naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet betrekking hebben;
  • een kopie van aanvragen/beslissingen voor hetzelfde onderwerp bij bepaalde buitenlandse fiscale overheden moet worden toegevoegd;
  • de aanvraag met elk nieuw element over de voorgenomen situatie/verrichting moet worden aangevuld zolang er geen beslissing is genomen;
  • er slechts een voorafgaande beslissing wordt genomen als de voorgenomen situaties of verrichtingen niet het voorwerp uitmaken van een bezwaarprocedure of van een gerechtelijke handeling tussen de aanvrager en VLABEL;
  • er slechts een voorafgaande beslissing wordt genomen wanneer dit aangewezen is of niet zonder uitwerking is op grond van de aangevoerde wettelijke of reglementaire bepalingen. Meer bepaald wordt er geen voorafgaande beslissing genomen over de tarieven, de aangifte, het onderzoek en de controle, het gebruik van bewijsmiddelen, …

Hoewel niet zo genoemd in de VCF, zou men de hiervoor vermelde voorwaarden kunnen omschrijven als ontvankelijkheidsvoorwaarden. Zijn deze niet vervuld, dan gaat VLABEL immers niet over tot de aangevraagde toetsing en zal er geen beslissing ten gronde worden genomen.

De hiervoor opgelijste voorwaarden zijn -behalve de laatst vermelde die zeer onduidelijk is- op zich redelijk en hebben bij mijn weten in de praktijk tot dusver nooit tot problemen geleid bij de aanvraag van een ruling. Degenen die de gepubliceerde rulings opvolgen, zullen hebben vastgesteld dat VLABEL wel al eens weigert om een ruling af te leveren omdat de aanvraag betrekking zou hebben op een bewijskwestie. Los van of dat laatste steeds correct is, valt het wel op dat VLABEL zelfs in die beslissingen duidelijk aangeeft dat er geen voorafgaande beslissing kan worden genomen omdat in artikel 3.22.0.0.1 VCF is bepaald in welke gevallen VLABEL niet mag beslissen en de concrete aanvraag onder één van die gevallen valt.

Wanneer VLABEL weigert om een ruling af te leveren, zou men de reden daarvan dus steeds moeten kunnen herleiden tot iets dat in artikel 3.22.0.0.1 VCF is vermeld.

Eigenaardig genoeg blijkt dat in een recent dossier niet het geval te zijn. Nadat VLABEL eerst een voorafgaande beslissing had genomen waarin werd beslist dat de voorgenomen verrichting op grond van artikel x VCF tot schenkbelasting zou leiden, werd er een nieuwe aanvraag ingediend. De omschreven voorgenomen verrichting in de tweede aanvraag was niet dezelfde als in de eerste aanvraag. Dat bleek genoegzaam uit het feit dat de ontwerpteksten die bij de tweede aanvraag werden gevoegd, in grote mate verschilden van de teksten bij de eerste aanvraag. De reactie van VLABEL op de tweede aanvraag luidt: “Uw aanvraag tot voorafgaandelijke beslissing overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) is onontvankelijk. Over de voorgenomen verrichting(en) in uw schrijven van (datum) werd door het besluitvormingsorgaan op (datum) reeds een voorafgaande beslissing afgeleverd. Ik verwijs u dan ook naar deze beslissing die het nummer x draagt.

VLABEL werpt de onontvankelijkheid van de aanvraag op, en weigert dus een inhoudelijke beslissing te nemen, omdat er over de in de aanvraag omschreven voorgenomen verrichting reeds een voorafgaande beslissing is afgeleverd (quod non). Deze benadering door VLABEL is problematisch om verschillende redenen:

  • uit artikel 3.22.0.0.1 VCF blijkt niet dat de aanvraag om een voorafgaande beslissing onontvankelijk is wanneer er over de in die aanvraag omschreven verrichting reeds een voorafgaande beslissing is afgeleverd; a fortiori is dat niet het geval wanneer er een substantieel verschil is tussen de eerste en de tweede voorgenomen verrichting;
  • a fortiori bepaalt artikel 3.22.0.0.1 VCF niet dat er een wachttermijn zou zijn wanneer men over een voorgenomen verrichting waarover VLABEL een voorafgaande beslissing heeft afgeleverd, een nieuwe aanvraag wil indienen; a fortiori is dat niet het geval wanneer er een substantieel verschil is tussen de eerste en de tweede voorgenomen verrichting;
  • wanneer men in de eerste aanvraag belangrijke motieven of argumenten (vb. ten gevolge van later verschenen rechtspraak) niet heeft aangehaald, zou VLABEL kunnen weigeren om te antwoorden op de tweede aanvraag waarin deze wel zijn verwerkt; welnu, er is minstens één geval bekend waarin VLABEL met betrekking tot eenzelfde voorgenomen verrichting een tweede beslissing heeft genomen, omdat de motivering gewijzigd was;
  • wanneer blijkt dat een voorafgaande beslissing niet overeenstemt met de fiscale gevolgen die de aanvrager verwachtte, wordt niet zelden een nieuwe aanvraag ingediend om te remediëren aan bepaalde pijnpunten (bv. nadat de initieel vooropgestelde mate van controle die de schenker via een controlevehikel houdt op de geschonken goederen door VLABEL als fiscaal misbruik van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF is beschouwd, wordt een nieuwe aanvraag ingediend met een gemilderde controle voor de schenker). An sich blijft de voorgenomen verrichting dezelfde als die omschreven in de eerste aanvraag (bv. inbreng in controlevehikel, gevolgd door een schenking), hoewel de concrete modaliteiten zoals die blijken uit de ontwerpteksten gewijzigd zijn. Uit het hiervoor vermelde dossier lijkt te volgen dat ook in dergelijke gevallen VLABEL de onontvankelijkheid van de tweede aanvraag zou kunnen opwerpen;
  • in een recent geval zijn er over één welbepaalde verrichting (verwerping van een algemeen legaat, gevolgd door een schenking aan de verwerper) niet minder dan drie voorafgaande beslissingen door Vlabel afgeleverd.

Niet alleen is er voor de weigering door VLABEL om een voorafgaande beslissing af te leveren omdat er over de voorgenomen verrichting eerder al is beslist, geen grondslag in de VCF te vinden, het is ook bijzonder ongelukkig dat VLABEL op deze manier de toegang tot een systeem in het teken van de rechtszekerheid bemoeilijkt. Dit terwijl VLABEL zich eigenlijk al genoeg vrijheid toe-eigent in dat systeem. Laat ons immers niet vergeten dat VLABEL zich bijvoorbeeld niet altijd houdt aan de antwoordtermijn van drie maanden die de VCF bepaalt. Ook over de samenstelling van de instantie bij VLABEL die oordeelt over de aanvraag -het zogenaamde ‘besluitvormingsorgaan’- (hoeveel leden waren aanwezig?) en de wijze van besluitvorming (met welke meerderheid werd beslist?) wordt de aanvrager in de praktijk in het ongewisse gelaten, terwijl dit voor hem/haar toch essentieel is om na te kunnen gaan of hij effectief kan vertrouwen op de afgeleverde beslissing en bijvoorbeeld geen discussie ontstaat omdat het besluitvormingsorgaan niet geldig was samengesteld.

Voorts is het betreurenswaardig dat de beslissingen die een aanvraag onontvankelijk verklaren, niet worden gepubliceerd. Dit voldoet niet aan de eis van transparantie.

Dat de aanvrager daarnaast ook rekening zou moeten houden met het feit dat hij maar één kans krijgt op een voorafgaande beslissing is een brug te ver en dit zonder rechtsgrond, daargelaten de vaststelling dat sommigen wel een tweede (of derde) kans krijgen en anderen niet, wat tot willekeur kan leiden. Dat laatste zou strijdig zijn met één van de essentiële doelstellingen van VLABEL, met name alle belastingplichtigen op gelijke wijze behandelen.

Bron: ECGB Advocaten