Oude successieplanningen onder de loep:
wat bij gewijzigde omstandigheden?
Mr. Rinse Elsermans (Cazimir)
Webinar op donderdag 8 oktober 2026
Corporate Governance
voor familiebedrijven
Mr. Sofie Lerut (advocaat)
Webinar op donderdag 8 oktober 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
De nieuwe fiscale spelregels voor onderhoudsuitkeringen onder de loep (Blog Privaatrecht)
Auteur: Dra. Yana Mertens (Blog Privaatrecht)
Met de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen (BS 30 december 2025) heeft de wetgever een spectrum aan maatregelen inzake gezinsfiscaliteit doorgevoerd. Vooral de artikelen 34 tot 37 verdienen daarbij bijzondere aandacht: zij hervormen de fiscale spelregels van onderhoudsuitkeringen in de inkomstenbelastingen. Onder het vroegere fiscale regime waren onderhoudsuitkeringen voor 80 procent aftrekbaar bij de betaler en in dezelfde mate belastbaar bij de ontvanger. Dat systeem wordt nu verlaten. Vanaf inkomstenjaar 2025 (AJ 2026) wordt dit percentage trapsgewijs afgebouwd tot 50 procent. Tegelijk worden de fiscale gevolgen van onderhoudsuitkeringen voortaan beperkt tot inwoners van de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland.
Deze hervorming reikt verder dan een zuiver budgettaire ingreep. Ze kan immers gevolgen hebben voor zowel bestaande als toekomstige alimentatieovereenkomsten en rechterlijke beslissingen. In deze blogpost lichten we toe waarom deze hervorming werd doorgevoerd, wat er precies verandert en welke praktische impact dit kan hebben voor zowel betaler als ontvanger. Tevens staan we stil bij enkele bedenkingen die deze hervorming oproept.
Budgettaire en billijkheidsoverwegingen als drijfveer voor de hervorming
Tot voor kort kon wie verplicht was om op regelmatige basis onderhoudsuitkeringen te betalen, 80 procent van dat bedrag in mindering brengen van zijn totale netto-inkomen. Betaalde een belastingplichtige bijvoorbeeld jaarlijks 6.000 EUR aan onderhoudsgelden, dan kon hij 4.800 EUR (80%) aftrekken van zijn belastbaar inkomen. Aangezien men in België relatief snel in de hoogste belastingschijf van 50 procent terechtkomt, kon dit resulteren in een belastingbesparing van 2.400 EUR. Voor de ontvanger was datzelfde bedrag – in dit voorbeeld 6.000 EUR – voor 80 procent belastbaar.
Dit systeem weerspiegelt het klassieke principe van de communicerende vaten in de inkomstenbelasting: wat bij de ene wordt afgetrokken, wordt bij de andere belast, zodat de operatie in principe neutraal blijft voor de schatkist. In de praktijk bleek dit evenwel vaak niet het geval. Wanneer onderhoudsuitkeringen worden betaald ten behoeve van een (al dan niet meerderjarig) kind, zijn deze immers belastbaar in hoofde van het kind (Com.IB. nr. 126/79).
Omdat deze inkomsten doorgaans onder de belastingvrije som blijven, volgt meestal geen effectieve belastingheffing.
Gelet op deze asymmetrie zijn de regeringspartijen binnen de regering-De Wever overeengekomen om zowel de aftrekbaarheid als de belastbaarheid van de onderhoudsuitkering te beperken, en dat in dezelfde mate. Aangezien de fiscale aftrek de schatkist meer kost dan de belastbaarheid opbrengt, dragen de nieuwe maatregelen bij tot de sanering van het begrotingstekort.
Daarnaast wijst de memorie van toelichting op een gebrek aan rechtvaardigheid. Samenwonende ouders kunnen de kosten voor het onderhoud en de opvoeding van hun kinderen immers niet fiscaal in rekening brengen. Gescheiden of niet-samenwonende ouders kunnen daarentegen cumulatief genieten van een fiscaal voordeel: enerzijds via de aftrek van onderhoudsuitkeringen bij de betalende ouder, en anderzijds via een toeslag op de belastingvrije som voor het kind ten laste voor de ouder bij wie het kind inwoont.
Tot slot benadrukken de opstellers van het voorontwerp dat de techniek van de aftrekbare besteding voor onderhoudsuitkeringen een zogenaamd Mattheuseffect veroorzaakt. Aftrekbare bestedingen leveren immers een voordeel op tegen het hoogste marginale tarief van de belastingplichtige, waardoor hogere inkomens relatief meer voordeel genieten dan lagere inkomens.
Maatregel 1: geleidelijke beperking van aftrekbaarheid en belastbaarheid
Tegen deze achtergrond introduceert de nieuwe wet een geleidelijke beperking van zowel de aftrekbaarheid als de belastbaarheid van onderhoudsuitkeringen. Daartoe worden de artikelen 99 en 104 WIB 92 aangepast. Het percentage van 80 procent wordt vanaf inkomstenjaar 2025 (AJ 2026) gedurende drie opeenvolgende jaren telkens met 10 procent verlaagd, tot 50 procent.
De eerste beperking tot 70 procent geldt voor onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2025 werden betaald of toegekend, en verbonden zijn met een belastbaar tijdperk dat eindigt na 30 december 2025. De tweede beperking tot 60 procent geldt voor onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2026 worden betaald of toegekend. In 2027 bereikt de hervorming haar eindpunt: de aftrekbaarheid en belastbaarheid bedragen dan nog slechts 50 procent. Deze regeling geldt voor onderhoudsgelden ten voordele van zowel ex-partners als kinderen.
Terugkerend naar het eerder geschetste voorbeeld: waar de onderhoudsplichtige voor inkomstenjaar 2024 (AJ 2025) nog een belastingbesparing van 2.400 EUR genoot, daalt dit voordeel voor inkomstenjaar 2025 (AJ 2026) tot 2.100 EUR. Voor inkomstenjaar 2027 (AJ 2028) zal dit nog slechts 1.500 EUR zijn.
Maatregel 2: afschaffing van de fiscale aftrekbaarheid en belastbaarheid voor inwoners buiten de EER en Zwitserland
Daarnaast beperkt de wet de fiscale gevolgen van onderhoudsuitkeringen tot situaties waarin de schuldenaar of de begunstigde inwoner is van een EER-lidstaat of van Zwitserland. Daartoe wordt artikel 228, §2, 9° WIB 92 aangevuld met de zinsnede “wanneer de verkrijger inwoner is van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland”. Parallel hieraan worden de woorden “aan personen” in artikel 104, 1° WIB 92 vervangen door de zinsnede “aan de inwoners van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland”. Deze maatregel is in werking getreden op 31 december 2025 en geldt voor belastbare tijdperken die eindigen na die datum.
Het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel onder druk?
De parlementaire behandeling van het wetsontwerp verliep niet zonder discussie. De fiscale hervorming inzake onderhoudsuitkeringen riep vooral vragen op over de praktische gevolgen, zoals de mogelijke extra belasting van de familierechtbanken en het verhoogd beroep op de DAVO. Tal van amendementen werden dan ook ingediend. Ook de Raad van State uitte in haar advies kritische kanttekeningen. Een belangrijk aandachtspunt betrof de vraag of de nieuwe regeling verenigbaar is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
Opvallend is immers dat de hervorming zonder overgangsregeling werd ingevoerd. De eerste vermindering van 10 procent geldt al voor onderhoudsuitkeringen die in 2025 werden betaald of ontvangen. Ook de beperking van de fiscale gevolgen tot inwoners van een EER-lidstaat en Zwitserland treedt zonder overgangsmaatregel in werking. Indien destijds bij de vaststelling van de onderhoudsuitkering rekening werd gehouden met de fiscale impact, kan deze plotse koerswijziging voor een onaangename financiële verrassing zorgen.
Hoewel het Grondwettelijk Hof erkent dat de wetgever in fiscale aangelegenheden over een ruime beoordelingsmarge beschikt – ook wanneer hij beslist een fiscaal voordeel af te schaffen zonder overgangsregeling – kan het vertrouwensbeginsel worden geschonden. Dat is met name het geval wanneer op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die de ontstentenis van een overgangsregeling kan verantwoorden.
De regeringspartijen werpen in dat verband op dat de verlaging van de aftrekbaarheid geen betrekking heeft op reeds afgesloten belastbare tijdperken, zodat de maatregel niet retroactief is. Bovendien worden onderhoudsuitkeringen betaald op grond van een burgerrechtelijke verplichting. De verplichting tot betaling van onderhoudsgeld is aldus in beginsel niet fiscaal ingegeven, zodat het fiscale stelsel geen sturend effect behoort te hebben. Of deze argumenten, samen met de eerder aangehaalde asymmetrie, het gebrek aan neutraliteit inzake samenlevingsvormen en het Mattheuseffect, voldoende zijn om het gebrek aan een overgangsregeling te rechtvaardigen, blijft echter twijfelachtig.
Het is immers niet ondenkbaar dat alimentatieovereenkomsten of rechterlijke beslissingen opnieuw ter discussie zullen worden gesteld om de uitkering aan te passen aan het gewijzigde fiscale kader. Verder kan de fiscale hervorming ook voelbaar zijn bij toekomstige afspraken of beslissingen over onderhoudsuitkeringen, nu de verminderde aftrekbaarheid zou kunnen leiden tot lagere onderhoudsuitkeringen.
Professor fiscaal recht Michel Maus waarschuwde dan ook dat deze maatregelen “de beerput van de echtscheidingen” zou kunnen openen. Kamerlid Vincent Van Quickenborne noemde de hervorming zelfs een “echtscheidingstaks”. Nu de nieuwe regeling al van toepassing is op onderhoudsuitkeringen die in 2025 zijn betaald en ontvangen, rijst niet alleen de vraag of dit zal leiden tot nieuwe of hernieuwde discussies tussen ex-partners, maar evenzeer of deze hervorming in haar huidige vorm een toetsing door het Grondwettelijk Hof zal kunnen doorstaan.
Bron: Blog Privaatrecht
» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen











