Consumentenbescherming bij de verwerving
van financiële diensten: de laatste ontwikkelingen (optioneel met handboek)

Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Webinar op donderdag 30 mei 2024


Vereffening-verdeling van nalatenschappen:
16 probleemstellingen

Mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)

Webinar op vrijdag 26 april 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024

Bronheffing op dividenden, interesten en royalty’s onder het nieuw Belgisch-Nederlands Dubbelbelastingverdrag: belangrijkste wijzigingen (Tiberghien)

Auteurs: Griet Vanden Abeele, Maryll Callari en Rik Smet (Tiberghien)

De heffingsbevoegdheid van de bronstaat wordt zoals voorheen beperkt tot 15% voor dividenden. Er mag geen bronheffing (meer) worden ingehouden bij uitkering van dividenden door dochtervennootschappen aan moedervennootschappen (onder voorwaarden).

Voor interesten wordt de heffingsbevoegdheid van de bronstaat geschrapt (op heden bedraagt deze 10%).

Voor royalty’s zijn er geen wijzigingen.

De bijzonderheden die specifiek van toepassing zijn op naar België geïmmigreerde Nederlanders worden in een afzonderlijk artikel toegelicht.

Van beperking inhouding bronheffing naar vrijstelling

De beperking tot inhouding van bronheffing tot 5% ingeval van uitkering van dividenden door een dochtervennootschap aan haar moedervennootschap wordt vervangen door een vrijstelling. Onder het nieuwe verdrag is de bronstaat niet langer heffingsbevoegd ingeval van uitkering aan een moedervennootschap:

  • die de uiteindelijk gerechtigde is tot het dividend; en
  • die inwoner is van de andere Staat; en
  • een kapitaal heeft dat ‘geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld’; en
  • “onmiddellijk” een deelneming heeft van ten minste 10 % in de uitkerende vennootschap en deze deelneming ten minste 365 dagen aanhoudt.

Eigenaardig is wel dat de moedervennootschap een kapitaal dient te hebben dat ‘geheel of gedeeltelijk’ in aandelen is verdeeld. In beginsel is dat problematisch voor de Belgische BV (die geen in aandelen verdeeld kapitaal (meer) heeft sedert de inwerkingtreding van het WVV). De vraag is nog of hiervoor een praktische oplossing gevonden kan worden ter gelegenheid van de goedkeuring van het verdrag. De bepaling dat de 10% deelneming gedurende 365 dagen dient te worden aangehouden lijkt op het eerste gezicht nieuw, maar is dat niet: ingevolgde de toepassing van het MLI op het huidige verdrag, is deze regeling op heden reeds van toepassing. Eventuele fusies of splitsingen doorbreken daarenboven de 365 dagen termijn niet.

Merk overigens op dat ook de forfaitaire voordelen (op heden 6,17%) uit een vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) uitdrukkelijk als dividenden worden aangemerkt in de zin van het verdrag (daar waar de VBI zélf niet verdragsgerechtigd is). Een in België wonende aandeelhouder van een VBI dient bovendien rekening te houden met de toepassing van de kaaimantaks: in beginsel worden de inkomsten van de VBI aan hem toegerekend en in België belast. De combinatie van beide systemen is complex: jaarlijks wordt aldus best bekeken of de effectieve uitkering van een dividend opportuun is (in welk geval Nederland de heffing over het regulier voordeel achterwege laat), en zo ja wat de beste timing daarvan is vanuit Belgisch perspectief: immers, deze dividenden zijn ook in België belastbaar, tenzij kan worden aangetoond dat het gaat om een uitkering van door de VBI ontvangen inkomsten die reeds in België werden belast (in een vorig belastbaar tijdperk) met toepassing van de kaaimantaks. De relevantie van deze problematiek zal afnemen nu Nederland heeft aangekondigd het regime vanaf 2025 te beperken.

Verder blijven inkomsten verkregen bij liquidatie van een vennootschap of ingeval van inkoop van eigen aandelen aan te merken als dividend (behoudens ingeval de bijzondere regeling van toepassing is op naar België geïmmigreerde natuurlijke persoon). Ook onder het huidige verdrag is dat het geval.

Heffingsbevoegdheid interesten

Ook voor interesten blijft de woonstaat heffingsbevoegd. De heffingsbevoegdheid van de bronstaat wordt geschrapt onder het nieuwe verdrag. Onder het huidige verdrag kan de bronstaat tot 10% bronheffing inhouden. Wel zijn onder het huidige verdrag een aantal verdragsvrijstellingen voorzien zoals de vrijstelling van bronheffing bij betaling van interesten aan een onderneming. Nederland kent momenteel geen bronheffing op interesten, zodat deze schrapping vanuit Nederlands oogpunt op heden geen praktische relevantie heeft. Wat België betreft is de schrapping bijvoorbeeld relevant in situaties waarbij rente wordt betaald aan een Nederlands inwoner die niet als onderneming kwalificeert (bvb een Nederlandse particulier), en die momenteel niet van de vrijstelling van bronheffing kan genieten onder het huidige verdrag. Wat in de praktijk geregeld voorkomt is de jaarlijkse betaling van rente door in België wonende ouders aan hun in Nederland wonende kinderen over schenkingen onder schuldigerkenning (een Nederlandse planningstechniek die geregeld voorkomt bij naar België geïmmigreerde Nederlanders). Ook is de vrijstelling onder het nieuwe verdrag niet gekoppeld aan voorwaarden (wat bijvoorbeeld wel het geval is onder de interest-en royalty richtlijn).

Conclusie

De wijzigingen op het vlak van roerende inkomsten zijn op het eerste gezicht relatief beperkt. Voor naar België geïmmigreerde Nederlanders zijn er evenwel een aantal bijzonderheden die we in een volgend artikel toelichten.

Bron: Tiberghien

» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen