Bijkomende meldingsplicht inzake anti-witwas (Schoups)

Auteurs: Liesbeth Truyens en Alexandra Henrichs (Schoups)

Publicatiedatum: 02/06/2021

De onderworpen entiteiten, met inbegrip van cijferberoepers, notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten, zullen voortaan incoherenties tussen de gegevens waarover ze beschikken en het UBO-register moeten melden.

Donderdag 27 mei 2021 heeft de Kamer van Volksvertegenwoordigers het wetsontwerp “houdende diverse financiële bepalingen inzake fraudebestrijding” (Parl. St. nr. 55-1900/007) goedgekeurd.

De tekst brengt onder andere aanpassingen aan aan de anti-witwaswet van 18 september 2017. Een belangrijke nieuwigheid is de verplichting voor de onderworpen entiteiten om melding te maken van elke incoherentie die zij vaststellen tussen de informatie over de uiteindelijke begunstigden in het UBO-register en de informatie over uiteindelijke begunstigden waarover zij beschikken. Deze nieuwe verplichting is eveneens van toepassing op cijferberoepers, notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten.

Rekening houdend met de opmerkingen van laatstgenoemde groep voorziet de tekst dat de identiteit van de melder niet zal mogen worden meegedeeld om zo een zekere “anonimiteit” te verzekeren.

Advocaten die een dergelijk verschil of incoherentie met de gegevens in het UBO-register vaststellen, richten zich tot hun Stafhouder en contacteren dus niet rechtstreeks de Administratie van de Thesaurie. De Stafhouder gaat vervolgens na of voldaan is aan de wettelijke voorwaarden en geeft, desgevallend, de informatie en inlichtingen door aan de Administratie van de Thesaurie. Cijferberoepers, notarissen en gerechtsdeurwaarders moeten de Administratie wel rechtstreeks contacteren en kunnen dus geen beroep doen op een gelijkaardige “filter”. 

De uitzondering met betrekking tot “de bepaling van de rechtspositie” van de cliënt is ook van toepassing op deze nieuwe aangifteverplichting. Cijferberoepers, notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten zijn gehouden om eventuele incoherenties te melden, wanneer zij informatie of inlichtingen van één van hun cliënten ontvangen hebben of over één van hun cliënten verkregen hebben tijdens de bepaling van de rechtspositie van deze cliënt, of in de uitoefening van hun opdracht die cliënt in of in verband met een rechtsgeding te verdedigen of te vertegenwoordigen.

De tekst moet nog ter bekrachtiging aan de Koning worden voorgelegd alvorens te worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

Lees hier het originele artikel