Beurstaks & buitenlandse rekeningen : administratieve verduidelijkingen (Sherpa Law)

Auteur: Dirk Coveliers (Sherpa Law)

Publicatiedatum: 23/08/2017

Sinds 1 januari 2017 zijn effectentransacties op buitenlandse rekeningen aangehouden door Belgische inwoners eveneens onderworpen aan Belgische beurstaks (Fisc. 2016, nr. 1502, 1). De Administratie heeft hieromtrent onlangs een aantal verduidelijkingen gepubliceerd.

Schuldenaar van de belasting

De Administratie bevestigt, in antwoord op vraag 1 dat voor transacties op buitenlandse rekeningen, de opdrachtgever in principe schuldenaar is van de beurstaks. De buitenlandse bankiers hebben dus geen nieuwe wettelijke verplichting opgelegd gekregen. Zij kunnen echter wel schuldenaar worden door een (globale) aangifte voor hun Belgische opdrachtgevers in te dienen. Volgens de tekst van deze aangifte verbinden zij zich dan immers contractueel om de bepalingen van de artikelen 120 tot 136 van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen (W.DRT) na te leven.

Welke roerende waarden?

De beurstaks is enkel van toepassing op de verhandeling van ‘openbare fondsen’. De Administratie bevestigt nu dat het moet gaan om ‘roerende waarden’.

De Administratie preciseert dat het om alle effecten gaat ‘die door hun aard kunnen worden verhandeld’.

Zij bevestigt uitdrukkelijk dat opties, swaps, futures en ‘contracts for the differences’ niet onderworpen zijn aan beurstaks (antwoord op vraag 3). Hiermee wordt klaarblijkelijk een punt gezet achter een discussie die al verschillende jaren gevoerd wordt, en waarin de Administratie tot enkele jaren geleden nog volhield, dat opties wel aan beurstaks onderworpen zouden zijn; een standpunt waartegen fel geprotesteerd werd door de Belgische financiële sector.

Enige onzekerheid blijft nog wel bestaan voor gestructureerde producten. Hier zal geval per geval, aan de hand van de prospectus, nagegaan moeten worden of het om een ‘contract’ gaat (niet onderworpen) dan wel om een roerende waarde (wel onderworpen).

Gewone verblijfplaats in België

Wat opdrachtgevers/natuurlijke personen betreft, is een transactie op een buitenlandse rekening aan de beurstaks onderworpen, wanneer hij zijn ‘gewone verblijfplaats’ in België heeft. Tijdens de parlementaire voorbereiding preciseerde de minister van Financiën, dat de notie ‘gewone verblijfplaats’ geïnterpreteerd moet worden overeenkomstig de regels van het internationaal privaat recht (IPR). Volgens het IPR gaat het om de feitelijke verblijfplaats, die verschillend kan zijn van de fiscale woonplaats voor de inkomstenbelastingen.

Mede gelet op het feit dat buitenlandse bankiers de fiscale woonplaats moeten gebruiken voor de uitwisseling van informatie op grond van de Common Reporting Standards, wordt in antwoord op vraag 5 gepreciseerd dat een natuurlijke persoon zijn gewone verblijfplaats in België heeft wanneer hij onderworpen is aan de personenbelasting. In de praktijk aanvaardt de Administratie dus dat de gewone verblijfplaats overeenstemt met de fiscale woonplaats en dat zij in voorkomend geval bepaald wordt volgens de regels van de Common Reporting Standards (CRS).

Belastbare grondslag

Wat de belastbare grondslag betreft bij inkoop van kapitalisatie-aandelen van fondsen, bevat het antwoord op vraag 10 een verrassend standpunt. Belgische tussenpersonen mogen de roerende voorheffing (RV) aftrekken van de belastbare grondslag, indien de gerealiseerde meerwaarde bij uitstap een component bevat die belastbaar is als interesten (bij toepassing van de zogenaamde ‘heffing op het sparen’ bedoeld in artikel 19bis WIB 1992).

Buitenlandse banken kunnen en mogen die RV niet effectief inhouden. De belastingplichtige zal de ‘heffing op het sparen’ moeten voldoen via aangifte van het betreffende inkomen in de personenbelasting. Om ten aanzien van buitenlandse tussenpersonen een gelijke behandeling te verzekeren, aanvaardt de Administratie niettemin dat de ‘heffing op het sparen’ die de opdrachtgever nadien zal moeten betalen, in aftrek kan komen van de belastbare grondslag voor de berekening van de beurstaks.

Meer nog, in het antwoord op vraag 10 wordt de aftrek als een verplichting voorgesteld : “dat bedrag zal bijgevolg in mindering moeten worden gebracht van de belastbare grondslag van de beurstaks”.

Het probleem is evenwel, dat nagenoeg geen enkele buitenlandse financiële instelling in staat is om die vermindering toe te passen. Voor de berekening van de RV moet men immers de juiste aanschaffingsdatum kennen en de waardering van het effect op die datum. Dat vergt het raadplegen van een ander gegevensbestand.

Wellicht kan deze berekening wel gebeuren als de buitenlandse instellingen meer tijd krijgen voor de implementatie. De overgangsperiode van 3 maanden die begin 2017 gold, was absoluut te kort. Vele buitenlandse bankiers stellen zich dan ook de vraag hoe het teveel aan beurstaks dat zij afgedragen hebben, zo snel mogelijk gerecupereerd kan worden. Een soepele en tegelijk snelle vorm van recuperatie bij het aangeven van buitenlandse roerende inkomsten in de aangifte personenbelasting zou een oplossing kunnen zijn. Verschillende buitenlandse banken hebben hierover al vragen gesteld aan de Belgische autoriteiten en wachten op een antwoord.

Wat bij ‘discretionair beheer’?

De beurstaks is verschuldigd wanneer de ordergever een ‘Belgisch inwoner’ is (natuurlijke persoon of rechtspersoon/vennootschap). Het antwoord op vraag 19 bevestigt dat dit ook zo is wanneer de effectenportefeuille in discretionair vermogensbeheer gegeven is bij een buitenlandse bankier. Ook dan “blijft de klant de ordergever”, en is de beurstaks dus verschuldigd “wanneer de klant in België zijn gewone verblijfplaats heeft of er over een zetel beschikt”. Het order wordt dan immers gegeven voor rekening van de Belgische inwoner, ook al gebeurt dit op initiatief van de buitenlandse bankier.

De Administratie geeft daarentegen geen verdere toelichting bij de orders die onrechtstreeks gegeven worden. Aanvankelijk verklaarde de minister van Financiën dat hier de situatie bedoeld wordt waarbij het order gegeven wordt door een ‘juridische constructie’ (in de zin van de ‘kaaimantaks’), waarachter een Belgische inwoner schuilgaat en die daarvan de ‘uiteindelijk gerechtigde’ is (zie ook Verslag, nr. 54-2208/008, 22). Dit komt in feite neer op het invoeren van een specifieke transparantieregel (nu ten behoeve van de beurstaks). In de tot eind vorig jaar bestaande regeling waarbij de beurstaks enkel verschuldigd was als de transacties in België werden aangegaan of uitgevoerd, kwam geen vergelijkbare transparantieregel voor. In antwoord op een parlementaire vraag heeft de minister zijn standpunt inmiddels evenwel substantieel bijgestuurd (Commissie Financiën en Begroting, Integraal Verslag 18 april 2017, nr. 54 COM 636, 7).

De Minister heeft nu bevestigd dat de toepassing van de beurstaks op ‘juridische constructies’ een bijkomende aanpassing van de wettekst nodig maakt.

Momenteel kunnen dus enkel de volgende situaties gevat worden :

l (buitenlandse) juridische constructies die geveinsd zijn en waarvan de oprichter een inwoner van België is;

l (buitenlandse) juridische constructies waarvan de werkelijke zetel zich in België bevindt.

Wat bij onverdeeldheid?

Wanneer de effecten in onverdeeldheid aangehouden worden, wordt de beurstaks volgens het antwoord op vraag 21 toegepast per co-titularis of deelgenoot. Stel een belegging ter waarde van 400.000 EUR, die aangehouden wordt door vier Belgische inwoners (elk voor ¼). De beurstaks moet dan bij verkoop berekend worden alsof elke deelgenoot apart voor 100.000 EUR verkoopt. Bij toepassing van een tarief van 1,32 % betekent dit dat elke deelgenoot 1.320 EUR verschuldigd is en dat de hele verkoop een beurstaks van 5.280 EUR genereert. Dit is dus meer dan het plafond van 4.000 EUR, dat van toepassing is wanneer men die uitsplitsing per deelgenoot niet zou maken. Is een deelgenoot een niet-inwoner, dan kan hij wel volledig vrijgesteld worden voor zijn deel in de verrichting.

Deze regel van onverdeeldheid zou naar verluidt ook van toepassing zijn op een effectenrekening die aangehouden wordt door twee echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen.

Wat bij vruchtgebruik?

Voor effecten die gesplitst aangehouden worden in blote eigendom en vruchtgebruik, is de beurstaks verschuldigd door de blote eigenaar (antwoord op vraag 22). Dit lijkt logisch vermits een effectentransactie in principe hoofdzakelijk betrekking heeft op het kapitaal.

Bevrijding persoonlijke verplichtingen

Volgens de wettekst wordt de opdrachtgever enkel van zijn aangifte- en betalingsverplichtingen bevrijd, indien hij kan aantonen dat de taks werd betaald. Volgens het antwoord op vraag 23 impliceert dit, dat de ordergever :

l een borderel op zijn naam kan voorleggen waarop de naam van de tussenpersoon van beroep vermeld staat, evenals de aard van de verrichtingen, het bedrag of de waarde van de verrichtingen en de waarde van de verschuldigde taks; en

l hij het bewijs voorlegt dat hij die taks heeft betaald aan zijn tussenpersoon van beroep.

Deze bevrijdingsverplichtingen zorgen in de praktijk voor problemen. In veel gevallen houden de buitenlandse bankiers de belasting zelf niet in en zal deze zeker niet op een borderel worden vermeld. Dit is onder meer het geval voor Zwitserse bankiers. Volgens Zwitsers recht plegen zij een strafrechtelijke inbreuk als zij een belasting inhouden voor een buitenlandse autoriteit. Veel buitenlandse bankiers beperken zich tot het toezenden van informatie over belastbare verrichtingen en de taks die daarop verschuldigd is. De beurstaks kan dan eventueel via een permanente opdracht maandelijks of tweemaandelijks gedebiteerd worden van de buitenlandse rekening. Maar in die situatie kan er evenmin een bewijs voorgelegd worden dat de taks betaald werd aan de buitenlandse tussenpersoon van beroep.

Conclusie

De gepubliceerde toelichting bevat nuttige informatie. Zij werd evenwel al opgesteld begin 2017 toen er nog veel onduidelijkheden waren rond de praktische implementatie door de buitenlandse bankiers. Er is dus dringend behoefte aan een bijwerking om beter rekening te houden met de praktijk.

Gelet op tal van onduidelijkheden en de te korte implementatieperiode, lijkt een bijkomende tolerantie op vlak van boetes en nalatigheidsinteresten ook aangewezen.

Ten slotte zou het voor het Belgische imago naar buitenlandse bankiers toe ook aangewezen zijn om deze verduidelijkingen eveneens in het Engels ter beschikking te stellen.

Lees hier het originele artikel