Art. 2.7.3.2.5 VCF (art. 108 oud W.Succ.) en de Vlaamse minister van Financiën (HCGB Advocaten)

Auteur: Nicolas Geelhand de Merxem (HCGB Advocaten)

Publicatiedatum: 07/02/2021

Een oude kinderloze tante verkoopt een onroerend goed voor 400.000 euro. Twee jaar en half later overlijdt zij zonder een testament te hebben opgemaakt. Haar neven en nichten zijn de wettelijke erfgenamen. Zij informeren bij de bank hoeveel geld er op de rekening staat, en dat blijkt slechts 100.000 euro te zijn. De rest van het geld heeft de tante blijkbaar tijdens die twee jaar in cash afgehaald. Wat er met die gelden is gebeurd mag Joost weten.

Ingevolge de toepassing van art. 2.7.3.2.5 VCF mag de fiscale administratie (Vlabel) er vanuit gaan dat deze gelden nog aanwezig waren in het vermogen van de tante op de dag van haar overlijden. In dat geval worden ook de verdwenen gelden (300.000 euro) belast in de erfbelasting, en dit aan het toptarief van 55%. Kortom, de neven en nichten zouden slechts 100.000 euro erven en op 400.000 euro ( x 25%/55% of 205.500 euro) erfbelasting moeten betalen. Zij zouden meer moeten betalen dan wat zij krijgen.

De wet laat wel toe dat de neven en nichten het bewijs leveren dat deze gelden (300.000 euro) zich niet meer in de nalatenschap bevonden op het tijdstip van het overlijden (ze werden geschonken bv.), maar meestal is dat heel moeilijk aan te tonen, zeker wanneer de gelden cash zijn afgehaald en van hand tot hand zijn geschonken aan derden.

Wat moeten de neven en nichten in dergelijk geval doen?

Volgens de Vlaamse minister van Financiën (interview in de Zondagskrant van 7/2/21) kunnen de neven en nichten best de nalatenschap van hun tante aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. In dat geval zijn de erfgenamen maximaal ten belope van het actief van de nalatenschap gehouden tot betaling van de schulden van de nalatenschap. Zij kunnen dus nooit verplicht zijn de schulden van de nalatenschap met hun eigen vermogen te betalen. Dit is echter enkel juist wanneer het om schulden van de erflater gaat. De erfbelasting verschuldigd door de neven en nichten is echter geen schuld van de nalatenschap van de tante, maar een eigen schuld van de erfgenamen. Daartegen beschermt de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving niet. Indien de neven en nichten aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving en nadien vaststellen dat hun erfbelasting meer bedraagt dan het netto actief van de nalatenschap, zitten ze in de val. Een erfgenaam die een nalatenschap aanvaardt, zelfs onder voorrecht van boedelbeschrijving, kan immers die nalatenschap niet meer verwerpen.

De enige oplossing in dit geval is de nalatenschap te verwerpen.

In de praktijk wordt aangeraden aan de neven en nichten om twee dingen te doen:

  • De aangifte van nalatenschap indienen onder voorbehoud van de uitoefening van hun erfrechtelijk optierecht; het indienen van een aangifte is immers geen daad van aanvaarding; indien de tante een onroerend goed binnen de 3 jaar voor het overlijden zou hebben verkocht (met een toepassing van art. 2.7.3.2.5 VCF als gevolg), dan zal Vlabel dat signaleren, zij het na enige tijd (Vlabel voert een grondige controle soms pas na meer dan een jaar door);
  • De rekeninguittreksels van de bankrekeningen van de tante voor de periode van 3 jaar voor het overlijden controleren; blijkt daaruit dat er veel geld verdwenen is waarvan de bestemming onbekend is, dan kan er een probleem zijn en kan alleen een verwerping soelaas bieden. Uiteraard wordt dan ook niets (ook niet de 100.000 euro op de bankrekening) geërfd.

Nog iets.

Weten de neven en nichten aan wie de tante de 300.000 euro heeft geschonken, dan is die begiftigde ertoe gehouden de erfbelasting daarop te betalen. Indien die begiftigde onvermogend is, dan kan Vlabel geen verhaal uitoefenen tegen de neven en nichten.

Weten de neven en nichten niet aan wie de tante de 300.000 euro heeft geschonken, dan kan Vlabel wel een verhaal uitoefenen tegen de neven en nichten.

Onlangs werd aan het Grondwettelijk Hof gevraagd of dit geen ongeoorloofde discriminatie is en het Hof antwoordde ontkennend, wat merkwaardig is (zie eerder nieuwsbericht). Volgens het Hof schendt artikel 2.7.3.2.5 VCF evenmin het eigendomsrecht dat beschermd is door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, wat evenzeer bekritiseerbaar is.

Lees hier het originele artikel