Oude successieplanningen onder de loep:
wat bij gewijzigde omstandigheden?
Mr. Rinse Elsermans (Cazimir)
Webinar op donderdag 8 oktober 2026
Successieplanning anno 2027
Mr. Olivier De Keukelaere en mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)
Webinar op donderdag 4 maart 2027
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Corporate Governance
voor familiebedrijven
Mr. Sofie Lerut (advocaat)
Webinar op donderdag 8 oktober 2026
Afstand erfenis en pauliaanse vordering van de Belgische Staat. Rechtbank Eerste Aanleg Namen 5 maart 2026 (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc vandecasteele (Recht op zaterdag)
Feiten
De heer H. P. had tegenover de Belgische Staat een openstaande schuld van 36.017,44 euro, bestaande uit:
- 15.433,74 euro aan achterstallige personenbelasting;
- 20.583,70 euro aan door de SECAL ingevorderde onderhoudsbijdragen.
Zijn moeder, mevrouw G. B., overleed en liet een nettoactief van 114.768,79 euro na. Zij had haar zoon H. P. bij holografisch testament onterfd en het gedeelte dat hem normaal zou toekomen, gelegateerd aan drie kleinkinderen:
- M. P.: 60%;
- E. D.: 20%;
- N. P.: 20%.
P. stemde in met het testament en verklaarde uitdrukkelijk afstand te doen van zijn erfrechtelijke reserve. Daardoor kwam zijn potentiële erfdeel rechtstreeks ten goede aan de drie kleinkinderen.
De Belgische Staat was al schuldeiser vóór zowel het testament als de verklaring van afstand.
Twee begunstigden waren bereid vrijwillig een bedrag aan de fiscus te betalen, maar N. P. weigerde. Daarop dagvaardde de Belgische Staat H. P. en N. P. Beiden verschenen niet en werden bij verstek veroordeeld.
Rechtsvraag
De rechtbank moest beoordelen of de Belgische Staat:
- de nalatenschap in de plaats van H. P. mocht aanvaarden;
- de afstand van diens erfrecht tegenover de Staat buiten toepassing mocht laten;
- in zijn plaats de inkorting van de testamentaire legaten mocht vorderen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank baseert zich op artikel 788 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 4.46 Burgerlijk Wetboek. Die bepaling laat schuldeisers toe om, wanneer een erfgenaam afstand doet ten nadele van hun rechten, gerechtelijk gemachtigd te worden om de nalatenschap in diens plaats te aanvaarden.
Volgens de rechtbank gaat het om een bijzondere toepassing van de pauliana. Daarvoor moeten in essentie de volgende voorwaarden vervuld zijn:
- de schuldeiser lijdt nadeel door de afstand;
- de schuldenaar heeft frauduleus gehandeld, namelijk met de bedoeling zijn vermogen en algemene waarborg voor schuldeisers niet te laten toenemen;
- bij een kosteloze handeling is geen medeplichtigheid van de begunstigden vereist.
De rechtbank achtte die voorwaarden vervuld omdat:
- de nalatenschap duidelijk positief was, met een nettoactief van 114.768,79 euro;
- H. P. in beginsel recht had op een erfrechtelijke reserve, volgens het vonnis theoretisch één achtste van de nalatenschap;
- de Belgische Staat reeds schuldeiser was;
- H. P. geen gevolg had gegeven aan de verzoeken van zijn schuldeiser;
- er geen aannemelijke reden was voor zijn afstand ten voordele van zijn kinderen.
De rechtbank besluit daarom dat H. P. bewust en frauduleus afstand heeft gedaan van een batige nalatenschap, waardoor hij zijn schuldeisers benadeelde.
Actie tot inkorting
De rechtbank verduidelijkt verder dat de Belgische Staat niet alleen de nalatenschap in de plaats van H. P. mag aanvaarden, maar ook diens recht op inkorting mag uitoefenen.
De afstand had immers tot gevolg dat H. P. zijn hoedanigheid van reservataire erfgenaam en het daaraan verbonden recht om inkorting te vorderen, verloor. Volgens de rechtbank kan de schuldeiser dat recht via de zijdelingse vordering uitoefenen.
De drie voorwaarden voor die zijdelingse vordering waren vervuld:
- de Belgische Staat had belang bij de vordering wegens de precaire solvabiliteit van H. P.;
- de schuldvordering van de Staat was zeker en opeisbaar;
- H. P. had zelf nagelaten de inkorting van de legaten te vragen.
Artikel 4.151 Burgerlijk Wetboek verhinderde volgens de rechtbank dus niet dat de Belgische Staat de inkorting vorderde.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de vorderingen ontvankelijk en grotendeels gegrond;
- verklaart de afstand van de nalatenschap door H. P. niet-tegenwerpelijk aan de Belgische Staat, tot beloop van diens schuld in hoofdsom, interesten en kosten;
- machtigt de Belgische Staat om in de plaats van H. P. de inkorting te vorderen van de testamentaire legaten voor zover die de erfrechtelijke reserve overschrijden;
- beperkt dit optreden tot het bedrag van de schuld van H. P. aan de Belgische Staat;
- veroordeelt H. P. tot de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, waarvan het bedrag niet werd begroot;
- verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ondanks een eventueel rechtsmiddel.
Juridische betekenis
Het vonnis bevestigt dat een schuldenaar zich niet aan verhaal kan onttrekken door afstand te doen van een batige nalatenschap. Een schuldeiser kan in dat geval:
- de afstand via de pauliana laten neutraliseren;
- de nalatenschap in de plaats van de schuldenaar laten aanvaarden;
- vervolgens via een zijdelingse vordering de inkorting van bovenmatige legaten nastreven.
De afstand wordt daarbij niet algemeen vernietigd. Zij wordt enkel niet-tegenwerpelijk aan de schuldeiser verklaard en slechts tot beloop van diens schuld. Een eventueel overschot blijft dus buiten het verhaal van de betrokken schuldeiser.
» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen











