Afkoop van het vruchtgebruik (Desdalex)

Auteur: Desdalex

Het blijft voor velen onduidelijk wat de juridische gevolgen zijn bij een overlijden binnen de familie. Vooral in het geval de overledene mede-eigenaar was van een gezinswoning.

Aan wie komt die woning toe na het overlijden? Zijn er meerdere erfgenamen die daarop aanspraak kunnen maken? Dit zijn maar enkele van de vragen waarmee veel mensen blijven zitten.

In dit artikel lichten we u kort toe aan welke erfgenamen de gezinswoning kan toekomen en welke mogelijkheden er bestaan voor die erfgenamen om over de volle eigendom van de woning te beschikken.

DE GEZINSWONING ERVEN

Wanneer een persoon sterft erft de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de integrale nalatenschap, met inbegrip van de gezinswoning.

Indien de overledene kinderen had, erven zij op hun beurt de blote eigendom van de gezinswoning. De langstlevende mag in de gezinswoning blijven of de gezinswoning verhuren en de huuropbrengsten ontvangen.

Noch de langstlevende echtgenoot, noch de kinderen kunnen de gezinswoning zomaar verkopen. In de beschreven situatie zijn de vruchtgebruiker en blote eigenaars afhankelijk van elkaar. Zowel voor het beheer als voor het beschikken over het onroerend goed.

Om deze problemen van onderlinge afhankelijkheid praktisch te regelen voorziet de wet de “omzetting van het vruchtgebruik”.

AFKOOP OF OMZETTING VAN HET VRUCHTGEBRUIK OF DE BLOTE EIGENDOM

Door afkoop of omzetting van het vruchtgebruik eindigt het vruchtgebruik. Het vruchtgebruik wordt omgezet in volle eigendom, een geldsom of een rente.

Bijvoorbeeld: 

  1. De vruchtgebruiker koopt de blote eigendom af en wordt volle eigenaar van de gezinswoning
  2. De blote eigenaars kopen het vruchtgebruik af tegen een som geld en worden zij volle eigenaars
  3. Het vruchtgebruik wordt omgezet in een geïndexeerde lijfrente die gefinancierd wordt door de blote eigenaars om volle eigenaars te kunnen zijn.

De eerste twee mogelijkheden blijken in de praktijk het meest aantrekkelijk.

De concrete omzetting gebeurt aan de hand van wettelijke tabellen die de waarde van het vruchtgebruik of de blote eigendom simuleren. Hierbij houdt men rekening met de leeftijd, het geslacht en de levensverwachting van de langstlevende vruchtgebruiker of blote eigenaars.

Partijen zijn niet gebonden door de waarde die volgt uit de berekening op basis van de wettelijke tabel.  Ze kunnen onderling een ander bedrag overeenkomen waartegen de afkoop geschiedt.

De langstlevende echtgenoot of de kinderen kunnen de omzetting te allen tijde aanvragen.

De kinderen zijn echter niet gerechtigd om de omzetting van het vruchtgebruik op de gezinswoning af te dwingen zonder het akkoord van de langstlevende. De langstlevende kan zich namelijk verzetten tegen de omzetting van het vruchtgebruik van de gezinswoning en de aanwezige huisraad.

Enkel in het geval dat de langstlevende ook zou komen te overlijden wordt het eigendomsrecht van de kinderen “vol” en mogen zij de woning vervreemden.

Bron: Desdalex