Wat als een tuchtfeit wordt bewezen met schending van de privacyregels? (Publius)

Auteur: Dirk Van Heuven (Publius)

Publicatiedatum: 31/07/2018

Blijkens het arrest van de Raad van State nr. 238.717 van 29 juni 2017 vermag de tuchtoverheid de beoordeling van de tuchtfeiten niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, waarbij rekening mag gehouden worden met onregelmatig bekomen bewijzen, tenzij (a) een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden ofwel (b) de betrouwbaarheid van het bewijs werd aangetast, ofwel (c) het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.  Een loutere schending van de privacyregels maakt niet dat het tuchtbewijs moet gediskwalificeerd worden:

‘De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

Het feit dat het bewijs van het tuchtfeit zou zijn verkregen met (door verzoeker veronderstelde) schending van het recht op eerbieding van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 EVRM en artikel 2 van de privacywet houdt niet noodzakelijk in dat de feitenvinding door de tuchtoverheid onwettig is en derhalve ook de gevoerde tuchtprocedure. Het feit dat de niet-nageleefde bepalingen de bescherming van het privéleven beogen, doen hieraan geen afbreuk.

Een onwettig of onregelmatig verkregen bewijs is slechts ongeldig en dient bijgevolg te worden uitgesloten als bewijselement, indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de overige oormelde voorwaarden, worden niet uit het bewijs geweerd noch maken ze de gevoerde tuchtprocedure op zich onwettig. Dat geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht.

Geen van de door verzoeker aangehaalde verdragsrechtelijke, of grondwettelijke bepalingen die het recht op privacy en eerbiediging van het privéleven waarborgen, bevatten een uitdrukkelijke nietigheid als sanctie bij de schending van de voorwaarden ervan. Hetzelfde geldt wat de door verzoeker geschonden geachte vormvoorwaarden betreft vervat in de privacywet. De omstandigheid dat die voorwaarden strafrechtelijk zijn gesanctioneerd en volgens verzoeker de openbare orde raken, doet hieraan geen afbreuk.

(…)

Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, hij niet aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid in verband met de waardering van het bewijs van de tuchtfeiten, tot een onwettige conclusie is gekomen door zich inzonderheid op die ingewonnen bewijzen te steunen ter motivering van het bewijs van het tuchtvergrijp’.

Lees hier het originele artikel