Recht op nieuwsgierigheid tussen echtgenoten: wat als u een curieuzeneuzemosterdpot bent? (Reyns Advocaten)

Auteur: Eva Weterings (Reyns Advocaten)

Publicatiedatum: 26/04/2021

Heeft u weleens zitten “snuisteren” in de telefoon van uw partner? U bent zeker en vast niet de enige.

In de digitale wereld waarin wij leven komt het immers steeds vaker voor dat echtgenoten in elkaars telefoon of laptop op zoek gaan naar e-mails en sms-berichten die niet voor hun ogen bestemd zijn. Maar kan dit zomaar?

In deze nieuwsbrief staan we kort stil bij de vraag of het recht op nieuwsgierigheid tussen echtgenoten voor een vrijgeleide zorgt om volop te gaan snuisteren, dan wel of het recht op briefgeheim hier een stokje voor steekt.

I. Recht op briefgeheim

Het recht op briefgeheim kent een stevige verankering in onze grondrechten en omvat zowel de onschendbaarheid van het briefgeheim, als het recht tot niet-openbaarmaking van vertrouwelijke briefwisseling. Concreet betekent dit dat het verboden is om kennis te nemen van een onder gesloten omslag verstuurde brief, alsook dat het verboden is om zulke briefwisseling bekend te maken aan derden. Uiteraard geldt dit verbod niet enkel voor traditionele briefwisseling maar ook voor e-mails, sms-berichten en chatberichten.

Wat juist onder “vertrouwelijke” briefwisseling valt is een feitenkwestie, waarbij vertrouwelijkheid de regel vormt. Het spreekt voor zich dat brieven in verband met iemands privéleven als vertrouwelijk moeten worden beschouwd en dus in beginsel beschermd worden door het recht op geheimhouding.

Op basis van deze eerste vaststellingen zou kunnen worden afgeleid dat er grenzen zijn aan uw mogelijkheden om te snuisteren, of toch niet?

II. Of recht op nieuwsgierigheid?

Het loutere feit dat men de hoedanigheid van echtgenoot heeft, doet geen afbreuk aan bovenvermeld fundamenteel recht op briefgeheim. Hierdoor zou een echtgenoot een aan de andere echtgenoot gerichte brief, e-mail of sms-bericht niet mogen openen, noch lezen, zonder elkaars toestemming.

Evenwel wordt thans algemeen aanvaard dat echtgenoten een “recht op nieuwsgierigheid” hebben, hetgeen een inmenging in elkaars vertrouwelijke briefwisseling kan rechtvaardigen, voor zover het om een gezonde vorm van nieuwsgierigheid gaat die niet obsessief of onevenredig is.

Wie in het huwelijksbootje stapt weet immers dat hieraan plichten gekoppeld zijn, zoals de plicht tot getrouwheid. Vanuit deze optiek wordt verdedigd dat iedere echtgenoot het recht heeft om na te gaan of de huwelijksplichten worden nageleefd, en in geval van tekortkoming het bewijs hiervan te leveren.

Concreet heeft dit tot (verregaand) gevolg dat een echtgenoot een onder gesloten omslag verzonden brief in principe wél mag openen zonder toestemming van de andere echtgenoot en diens ongeopende e-mails of sms-berichten mag openen en lezen. Het recht op briefgeheim wordt aldus sterk afgezwakt door het recht op nieuwsgierigheid tussen echtgenoten.

De volgende vraag die zich nu stelt, is in welke mate een echtgenoot deze vertrouwelijke briefwisseling mag aanwenden in het kader van een echtscheidingsprocedure of een procedure voorlopige maatregelen.

III. Gebruik van vertrouwelijke brieven in juridische procedures

Traditioneel was de rechtspraak van oordeel dat vertrouwelijke briefwisseling slechts in het kader van een procedure tussen echtgenoten kon worden aangewend in de mate dat deze briefwisseling niet onder het beroepsgeheim viel én op rechtmatige wijze door de echtgenoot werd verkregen.

Toegespitst op echtgenoten zou immers kunnen worden verdedigd dat wanneer een echtgenoot via list of kunstgrepen vertrouwelijke briefwisseling verkrijgt, de betrouwbaarheid ervan is aangetast en de rechter derhalve de vertrouwelijke briefwisseling uit de debatten mag weren.

Eveneens zou kunnen worden verdedigd dat wanneer een echtgenoot op onrechtmatige wijze vertrouwelijke briefwisseling van de andere echtgenoot in zijn bezit heeft gekregen, hij een deloyaal procesgedrag vertoont en derhalve het recht op een eerlijk proces heeft geschonden.

Thans is deze zienswijze voorbijgestreefd en wordt algemeen aanvaard dat, zelfs wanneer echtgenoten zich in één van bovenstaande hypotheses bevinden, de rechter niet verplicht is om de onrechtmatig verkregen briefwisseling te weren uit de debatten. De rechter kan dit doen, maar is daartoe geenszins verplicht. Als alternatieve sanctie kan de rechter de bewijswaarde van de onrechtmatige verkregen briefwisseling herleiden, of nog, oordelen dat, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, een sanctie niet gerechtvaardigd is.

IV. Besluit

We komen tot het verrassend besluit dat, ondanks de sterke verankering van het recht op briefgeheim in onze grondrechten, algemeen aanvaard wordt dat een echtgenoot vertrouwelijke brieven in rechte mag aanwenden wanneer dit zijn zaak ten goede kan komen.

Zelfs wanneer een echtgenoot de vertrouwelijke briefwisseling onrechtmatig verkregen heeft, vloeit hieruit niet langer automatisch voort dat dergelijk bewijsmiddel uit de debatten moet worden geweerd. Dit is afhankelijk van de rechter die de toelaatbaarheid van zulke briefwisseling op soevereine wijze, in het licht van de concrete omstandigheden, beoordeelt.

Haal uw innerlijke Sherlock Holmes dus maar naar boven?

Lees hier het originele artikel