Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Overheidsopdrachten:
twee recente wetswijzigingen onder de loep
Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)
Mr. Elke Casteleyn (Casteleyn Advocaten)
Webinar op dinsdag 2 februari 2027
Actualia Overheidsopdrachten 2025/2026.
Een overzicht van recente wet- en regelgeving, omzendbrieven en rechtspraak
Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)
Mr. Peter Teerlinck (& De Bandt)
Webinar op vrijdag 4 december 2026
Wanneer is een opdracht voor werken écht complex? (KPMG Law)
Auteur: Tugce Altintas en Marlies Martin (KPMG Law)
Recente rechtspraak van de Raad van State toont dat inschrijvers doorgaans niet de vernietiging van een gunningsbeslissing bekomen wanneer zij aanvoeren dat een overheidsopdracht ten onrechte op basis van een bepaalde erkenning aan een concurrent werd gegund. Daarbij duiken in essentie twee, nauw verbonden vragen op. Vooreerst rijst de vraag of het om een “complexe opdracht” in de zin van het Ministerieel Besluit gaat. Vervolgens is de vraag onder welke categorie of ondercategorie van erkenning de opdracht moet worden ondergebracht. In deze bijdrage bekijken we hoe de Raad van State met die argumenten omgaat en welke aandachtspunten dat oplevert voor zowel aanbestedende overheden als inschrijvers.
Bij overheidsopdrachten voor werken moet een inschrijver, om in aanmerking te komen voor gunning, aantonen dat hij beschikt over de vereiste erkenning als aannemer. Deze erkenning creëert een algemeen vermoeden van financiële en technische geschiktheid, zodat de aanbestedende overheid kan beoordelen of de aannemer in staat is de opgedragen werken naar behoren uit te voeren.
De erkenning wordt toegekend in een bepaalde categorie (aangeduid met een kenletter) of ondercategorie (kenletter met cijfer) van werken. De kwalificatie van de opdracht als al dan niet een “complexe opdracht” is daarbij essentieel: de categorieën hebben betrekking op opdrachten die als “complex” worden beschouwd, met name wanneer werken van verschillende aard moeten worden uitgevoerd die coördinatie vergen of wanneer de werken geen voorwerp uitmaken van een specifieke ondercategorie. De ondercategorieën hebben betrekking op werken van een bepaalde specialiteit of op werken die – wanneer zij afzonderlijk worden aanbesteed – deel uitmaken van een ruimere categorie. Zowel categorieën als ondercategorieën worden vervolgens onderverdeeld in klassen, die het maximale bedrag aangeven van de werken dat aan de betrokken aannemer mag worden gegund.
De complexiteit van een opdracht in de zin van artikel 1, het eerste lid van het Ministerieel Besluit van 27 september 1991[1], heeft dus niet alleen te maken met de technische moeilijkheidsgraad van de werken, maar ook met de nood aan coördinatie tussen verschillende soorten werken en met de samenstelling van de opdracht uit diverse specialiteiten.
Een illustratief voorbeeld is arrest nr. 264.723 van 31 oktober 2025 van de Raad van State. In die zaak voerde een inschrijver aan dat de erkenningsvereisten waren geschonden. Volgens het bestek volstond een erkenning in ondercategorie F2, die in hoofdzaak betrekking heeft op het monteren van metalen draagstructuren. De inschrijver stelde dat dit de opdracht onvoldoende weergaf: volgens hem ging het om een “complexe opdracht”, met uiteenlopende expertisedomeinen en belangrijke werfcoördinatie. In zijn visie had de opdracht dan ook eerder onder categorie D of minstens F moeten worden ingedeeld, omdat de algemene bouwwerken een groter aandeel vertegenwoordigden dan de ondercategorie F2-werken.
Uit dit arrest, en vele andere, blijkt dat het voor de Raad niet volstaat om louter in abstracto te stellen dat de door de aanbestedende overheid gekozen (onder)categorie onjuist is, omdat het om een complexe opdracht zou gaan. Er moet concreet worden onderbouwd waarom de keuze niet klopt: welke onderdelen van de opdracht onder welke (onder)categorie vallen, welke werken in omvang en waarde doorwegen en waarom het zwaartepunt in dit geval in een andere categorie zou moeten liggen, bijvoorbeeld categorie D of minstens categorie F in plaats van ondercategorie F2.
In de voorliggende zaak stelt de Raad vast dat de verzoekende partij niet concreet aantoont waarom de opdracht in werkelijkheid werken omvat die een erkenning in categorie D of minstens F vergen. De verwerende partij had daarentegen gemotiveerd uiteengezet dat een erkenning in categorie F in de gegeven context te verregaand zou zijn en dat een erkenning in ondercategorie F2 een redelijke en correcte keuze was. De Raad volgt die redenering.
Een ander belangrijk aandachtspunt is dat de Raad zich in dit soort zaken niet in de plaats van het bestuur mag stellen. Het werkelijke voorwerp en de werkelijke omvang van de opdracht zijn bepalend voor welke erkenningsregels en erkenningsvereisten gelden. Binnen dat kader beschikt de aanbestedende overheid over een zekere, zij het beperkte, appreciatieruimte bij het bepalen van de juiste (onder)categorie voor de opdracht, op voorwaarde dat die keuze degelijk gemotiveerd is.
Het komt er dus op aan uw standpunt over categorisering en erkenning zo concreet en technisch onderbouwd mogelijk te formuleren. Twijfelt u over de juiste (onder)categorie of klasse voor een geplande opdracht, of wilt u nagaan of een bepaalde erkenning volstaat voor de voorziene werken? Heeft u vragen over de kwalificatie als “complexe opdracht” of over de erkenningsvereisten voor (potentiële) inschrijvers? Neem dan gerust contact op met ons!
[1] Ministerieel besluit van 27 september 1991 tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in categorieën en ondercategorieën met betrekking tot de erkenning van de aannemers, B.S., 18 oktober 1991.
Bron: KPMG Law
» Bekijk alle artikels: Overheid & Aanbesteding











