Overheidsopdrachten:
de meest voorkomende fouten
die Belgische ondernemingen maken

Mr. Elke Casteleyn (Casteleyn Advocaten)

Webinar op donderdag 7 mei 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker ons jaarabonnement 

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille

Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) bij nationale overheidsopdrachten? Niet zonder risico (Gevaco Advocaten)

Auteur: Stefano Geebelen (Gevaco Advocaten)

Hoewel het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (afgekort “het UEA”) ondertussen vrijwel gekend is, merken wij in de praktijk op dat deze figuur soms aanleiding geeft tot discussie/rechtsonzekerheid.

Het UEA werd in 2016 ingevoerd om de administratie lasten te verminderen voor zowel de overheden als de ondernemingen betrokken bij de plaatsing van overheidsopdrachten. In essentie gaat het om een formulier die de onderneming aan haar offerte toevoegt en waarmee zij op eer verklaart te voldoen aan de eisen die overheid stelt op vlak van bijvoorbeeld de financiële toestand, de ervaring of de bekwaamheid.

De administratieve lastenverlaging volgt uit de omstandigheid dat de onderneming in beginsel niet verplicht is om de verklaringen te onderbouwen met bewijsstukken. Evenmin zal de overheid de geschiktheid van al de deelnemers inhoudelijk moeten controleren. Zij dient hen in eerste instantie louter voorlopig te beoordelen op grond van het UEA.

De daadwerkelijke controle van de geschiktheid van de onderneming vindt op het einde van het traject plaats en kan de aanbestedende overheid beperken tot de onderneming die de ‘best beoordeelde offerte’ heeft ingediend.

In het kader van deze controle kan de aanbestedende overheid de bewijsstukken die ze zelf niet kan raadplegen via de publieke databanken – denk bijvoorbeeld aan het attest van de verzekering tegen beroepsrisico’s of de lijst met referenties en attesten van goede uitvoering – alsnog opvragen van de onderneming. Het ontbreken van deze bewijsstukken bij de indiening van de offerte vormt dan in principe geen reden om de offerte niet te selecteren. Het gebrek aan UEA zal daarentegen wel verregaande gevolgen kunnen hebben. In principe leidt dit gebrek tot de onregelmatigheid van de offerte.

Belangrijk is dat de overheid het UEA enkel moet vragen bij de plaatsing van  ‘Europese overheidsopdrachten’. Voor de klassieke sectoren zijn dit de opdrachten met een geraamde waarde van minstens 5.538.000 euro, 221.000,00 euro en 221.000,00 euro voor respectievelijk de opdrachten voor werken, leveringen en diensten.

Bij de ‘nationale overheidsopdrachten’, dit zijn de overheidsopdrachten die de drempelwaarde niet bereiken, is het voor de overheid zelfs verboden om een UEA te vragen (artikel 39, §1, vierde lid KB Plaatsing, RvS ). Bij deze opdrachten zal zij moeten werken met de impliciete verklaring op erewoord. Het gaat om een verklaring van de onderneming die geformuleerd wordt door de loutere indiening van haar offerte en die een beperktere draagwijdte heeft dan het UEA. Door deze beperkte draagwijdte zal de overheid in principe de onderneming moeten verzoeken de bewijsstukken voor de geschiktheid en selectie reeds in te dienen samen met haar offerte. Gebeurt dit niet, dan zal dit – anders dan bij de hoger genoemde regeling – aanleiding kunnen geven tot de niet-selectie van de onderneming.

In de praktijk gebeurt het wel eens dat de overheid ook bij dergelijke opdrachten werkt met het systeem van het UEA.

Dit is echter niet zonder risico.

Zo is het mogelijk dat de onderneming die de opdracht niet heeft binnengehaald de gehele plaatsingsprocedure zal kunnen doen kelderen op grond van het argument dat de overheid ten onrechte een UEA heeft geëist. In dat geval zal de overheid de plaatsingsprocedure moeten stopzetten en mogelijk herbeginnen.

Ook sluiten wij niet uit dat de onderneming – die de bewijsstukken reeds samen met haar offerte heeft ingediend –de gunning op succesvolle wijze zal kunnen aanvechten wanneer deze gebeurt aan een onderneming die de bewijsstukken pas achteraf heeft ingediend (in de veronderstelling dat het UEA volstond).

Tot slot zal de overheid de offerte van de onderneming niet kunnen weren omwille van het ontbreken van het UEA. Er kan in dat kader worden verwezen naar het arrest van 6 maart 2019 van de Franstalige kamer van de Raad van State (nr. 243.894) waarin de Raad in essentie oordeelde dat het gebrek aan UEA enkel een grond tot wering kan uitmaken bij ‘’Europese overheidsopdrachten’.

Een en ander toont aan dat er niet  lichtzinnig mag worden omgegaan met het UEA.

Bron: Gevaco Advocaten

» Bekijk alle artikels: Overheid & Aanbesteding

Boeken in de kijker: