Overheidsopdrachten:
twee recente wetswijzigingen onder de loep
Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)
Mr. Elke Casteleyn (Casteleyn Advocaten)
Webinar op dinsdag 2 februari 2027
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker ons jaarabonnement
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Actualia Overheidsopdrachten 2025/2026.
Een overzicht van recente wet- en regelgeving, omzendbrieven en rechtspraak
Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)
Mr. Peter Teerlinck (& De Bandt)
Webinar op vrijdag 4 december 2026
Onderaanneming. Niet-uitvoeringsexceptie veronderstelt een evenredigheid tussen de opgeschorte verbintenis en de wanprestatie van de schuldenaar. Ondernemingsrechtbank Antwerpen 20 juni 2024 (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)
Bij gebreke aan een schriftelijke en ondertekende overeenkomst moet de rechtbank aan de hand van de neergelegde bewijsstukken de wil van de partijen achterhalen, in overeenstemming met de toepasselijke bewijsregels. Tussen ondernemingen is het bewijs vrij, ook wat betreft de toestemming van de partijen bij een overeenkomst. De vrijwillige uitvoering van de overeenkomst door de partijen kan wijzen op de stilzwijgende toestemming ermee van hen beiden. Zo kan een buitengerechtelijke bekentenis voortvloeien uit het gedrag van één van de partijen, zoals de uitvoering van een contract, en kan de rechtbank rekening houden met de briefwisseling tussen de partijen. Wanneer partijen reeds weken in een verhitte discussie zijn over prijsafspraken en vertragingen, kan men niet redelijkerwijze aannemen dat ze alsnog stilzwijgend de inhoud zouden aanvaarden van elkaars briefwisseling. Dergelijk stilzwijgen is niet meer omstandig, noch voor geen andere interpretatie vatbaar dan een toestemming of instemming. Een aanvaarding van een aanbod vereist de uitdrukking in te stemmen met het aanbod, zonder aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen van essentiële of substantiële bestanddelen. Een bepaling in de contracttekst dat de overeenkomst van toepassing is zonder ondertekening, bewijst op zich geen toestemming. De totstandkoming van de (onder)aannemingsovereenkomst vereist een toestemming van de partijen over de uit te voeren werken en een prijs, waarbij die prijs ook later kan worden bepaald.
De prijsbepaling in regie is slechts van toepassing indien de partijen dat overeenkomen. Wanneer er enkel een overeenkomst is dat er een prijs verschuldigd zal zijn, maar geen uitdrukkelijke overeenkomst over die prijs of de prijsbepaling, worden de partijen bij een (onder)aannemingsovereenkomst vermoed de prijsbepaling op voorhand achterwege te laten en beroep te doen op de prijsbepaling door partijbeslissing. De prijs wordt dan in eerste instantie door de (onder)aannemer bepaald, rekening houdend met de door hem nuttig gedane uitgaven en bestede uren, de aangekochte materialen, de kost van de derden op wie hij een beroep deed en het materieel, de waarde van de werken op zich, maar ook de subjectieve waarde voor de opdrachtgever (hoofdaannemer), en de door hem gewoonlijk aangerekende prijzen. De (onder)aannemer moet die bevoegdheid van prijsbepaling te goeder trouw uitvoeren, onder meer door de opdrachtgever (hoofdaannemer) op de hoogte te houden, en met een controlemogelijkheid voor de rechter: de opdrachtgever (hoofdaannemer) kan de afrekening betwisten indien hij kan aantonen dat de afrekening kennelijk onredelijk of onjuist is.
Voor een buitengerechtelijke ontbinding (onder het oude verbintenissenrecht), dient er aan bepaalde voorwaarden te zijn voldaan. De partij die zich erop beroept moet een aan de schuldenaar toerekenbare tekortkoming kunnen bewijzen die voldoende ernstig is om ook de gerechtelijke ontbinding te rechtvaardigen. De schuldeiser moet de schuldenaar in beginsel in gebreke hebben gesteld en daarbij hebben gewezen op zijn tekortkomingen. Als toepassing van de goede trouw bij de uitvoering van de overeenkomst moet die aanmaning een (laatste) termijn verlenen voor uitvoering of herstel. Uitzonderlijk zou er geen ingebrekestelling vereist zijn indien zou vaststaan dat de schuldenaar de verbintenis niet meer kan of niet meer wil nakomen of wanneer de nakoming definitief niet meer kan plaatsvinden. Ten slotte moet de schuldeiser ook een kennisgeving hebben gericht aan de schuldenaar waarin hij zijn ontbindingswil kenbaar maakt.
De uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst veronderstelt bij de toepassing van een niet-uitvoeringsexceptie een evenredigheid tussen de opgeschorte verbintenis en de wanprestatie van de schuldenaar die de grondslag vormt van de opschorting. De schorsing van de werken op de betrokken werf was in deze zaak onevenredig met de eerder beperkte bedragen van de facturen die openstonden voor de andere werven.
» Bekijk alle artikels: Overheid & Aanbesteding













