Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Overheidsopdrachten:
twee recente wetswijzigingen onder de loep
Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)
Mr. Elke Casteleyn (Casteleyn Advocaten)
Webinar op dinsdag 2 februari 2027
Actualia Overheidsopdrachten 2025/2026.
Een overzicht van recente wet- en regelgeving, omzendbrieven en rechtspraak
Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)
Mr. Peter Teerlinck (& De Bandt)
Webinar op vrijdag 4 december 2026
Het regelmatigheidsonderzoek en vergunningen: hoe ver reikt de verificatieplicht van de aanbestedende overheid? (Everest)
Auteurs: Pieter Cnudde & Anthony Poppe (Everest)
Hoe ver reikt de verplichting van een aanbesteder om te toetsen of een inschrijver daadwerkelijk kan uitvoeren wat hij in de offerte belooft, rekening houdend met de bestekvereisten? In een arrest van 8 oktober 2025, nr. 264.456 in het kader van een vordering tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van een overheidsopdracht voor diensten bevestigt de Raad van State haar eerdere rechtspraak hierover in de context van omgevingsvergunningen: van een aanbestedende overheid kan – in de gegeven concrete omstandigheden – niet worden verwacht dat zij in het kader van het onderzoek van de regelmatigheid van de offertes het toereikend karakter van de voorgelegde omgevingsvergunningen in vraag stelt.
Context van het geschil
Een politiezone schreef een opdracht uit voor het takelen, bergen en stallen van voertuigen. Het bestek voorzag in de gunningscriteria prijs (60%) en kwaliteit (40%) en verplichtte de opdrachtnemer om een 24-urendienst, zeven dagen op zeven, te garanderen.
Na de gunning aan bv M. stelde de bv G. een vordering tot schorsing in. Zij voerde aan dat de offerte van de gekozen inschrijver substantieel onregelmatig was, omdat diens omgevingsvergunning betrekking had op inrichtingen die vallen onder rubriek 15 van de indelingslijst van de sectorale milieuvergunningsvoorwaarden, waaronder ook het stallen van voertuigen bij een garagewerkplaats wordt begrepen. Op dergelijke inrichtingen zijn de sectorale milieuvoorwaarden van hoofdstuk 5.15 Vlarem II van toepassing. Overeenkomstig artikel 5.15.0.6, § 1, Vlarem II zijn rustverstorende activiteiten in beginsel verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur en op zon- en feestdagen, tenzij de omgevingsvergunning uitdrukkelijk anders bepaalt.
Volgens de bv G. bevatte de omgevingsvergunning van de gekozen inschrijver geen afwijking op deze rusttijden, zodat het verzekeren van een 7/7- en 24-urendienst feitelijk onmogelijk was. De gekozen inschrijver zou daardoor niet kunnen voldoen aan een minimale en essentiële bestekvereiste, wat volgens haar aanleiding moest geven tot de vaststelling van een substantiële onregelmatigheid in de zin van artikel 76 KB Plaatsing, aangezien de vereiste vergunningen ontbraken.
Daarnaast verwees de bv G. naar artikel 83 van de Overheidsopdrachtenwet, in samenhang met artikel 76 KB Plaatsing 2017 en het zorgvuldigheidsbeginsel, waaruit volgt dat de aanbestedende overheid gehouden is om de regelmatigheid van de offertes zorgvuldig te onderzoeken, in het bijzonder wat betreft de naleving van essentiële bestekvereisten.
Juridisch kader: substantiële onregelmatigheid en verificatieplicht
De Raad herinnert eerst aan het wettelijk kader. Overeenkomstig artikel 76 van het KB Plaatsing is een offerte substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken.
De niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten worden als substantiële onregelmatigheden beschouwd.
De kernvraag in dit dossier is echter niet of de 24/7-dienst essentieel is (dat is onbetwist), maar hoever de aanbestedende overheid moet gaan in het verifiëren of een inschrijver op basis van zijn vergunningen effectief aan die verplichting kan voldoen.
Artikel 81, § 3, tweede lid, van de Overheidsopdrachtenwet biedt daarop een belangrijk aanknopingspunt.[1] Die bepaling schrijft voor dat de aanbestedende overheid “de juistheid van de door de inschrijvers verstrekte informatie en bewijsmiddelen” controleert “in geval van twijfel”. Daaruit kan worden afgeleid dat een aanbesteder zijn verificatieplicht slechts moet uitoefenen wanneer er twijfel bestaat of moet bestaan over het werkelijkheidsgehalte van de door de inschrijver aangegane verbintenissen.[2] Deze bepaling lijkt de aanbesteder daarbij een aanzienlijke beoordelingsvrijheid te laten.[3]
De aanbestedende overheid is geen vergunningverlenende overheid
De Raad stelt op het eerste gezicht vast dat het bestek niet als voorwaarde bevat voor de regelmatigheid van de offerte dat de inschrijvers bij het indienen van hun offerte over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke vergunningen dienen te beschikken. Nochtans bepaalt artikel III.4 van het bestek dat “de takeldienst beschikt over de nodige vergunningen voor de stalling van geaccidenteerde voertuigen.” De Raad leest dit dus niet als vergunningen die nodig zijn voor het concreet uitvoeren van het takelen (gedurende rusttijden).
Daarbij merkt de Raad op dat geen van de betrokken inschrijvers, inclusief de verzoekende partij zelf, beschikt over een vergunning waarin expliciet werd afgeweken van de sectorale rusttijden van Vlarem II.
De Raad stelt dat op het eerste gezicht van een aanbestedende overheid in de gegeven omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij in het kader van het onderzoek van de regelmatigheid van de offertes het toereikend karakter van die voorgelegde omgevingsvergunningen in vraag stelt.
Zij besluit dan ook dat de verzoekende partij, mede gelet op haar eigen omgevingsvergunning, op het eerste gezicht niet aannemelijk maakt dat de bv M. niet zou kunnen voldoen aan de bestekvereiste om binnen twintig minuten ter plaatse te komen en de takel- en bergingswerkzaamheden aan te vatten, louter omdat haar takelvoertuigen – of die van haar onderaannemers – volgens haar niet zouden mogen in- en uitrijden tijdens de door Vlarem II opgelegde rusttijden.
De Raad van State verwijst ook naar een gelijkaardige zaak in nietigverklaring waarin hij in dezelfde zin geoordeeld heeft.[4]
Besluit
De Raad stelt vast dat het bestek niet vereist dat de inschrijvers bij het indienen van hun offerte reeds beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke vergunningen. Hij benadrukt bovendien dat de aanbestedende overheid in de gegeven omstandigheden niet gehouden is het toereikend karakter van de omgevingsvergunningen te onderzoeken.
De vraag rijst daarom in welke omstandigheden een aanbestedende overheid wél dient over te gaan tot een verregaande verificatie van het toereikend karakter van vergunningen in het kader van het regelmatigheidsonderzoek.
Dit zal in de eerste plaats het geval zijn wanneer het bestek duidelijk bepaalt over welke concrete vergunningen en vergunningsvoorwaarden de inschrijvers moeten beschikken, op straffe van onregelmatigheid van de offertes.
Wanneer het bestek hierover geen specifieke bepalingen bevat, kan uit de arresten en de hoger aangehaalde rechtsleer worden afgeleid dat een dergelijke verplichting slechts ontstaat indien er op het eerste gezicht gegronde twijfels bestaan over het toereikend karakter van de vergunningen voor de uitvoering van de opdracht.
Het komt dus toe aan de verzoekende partij die het toereikend karakter van de vergunning van een concurrerende inschrijver betwist, om aannemelijk te maken dat de vergunning ontoereikend is. Indien dit aannemelijk wordt gemaakt, diende de aanbestedende overheid over te gaan tot een inhoudelijke toetsing van de vergunningen.
Bron: Everest
» Bekijk alle artikels: Overheid & Aanbesteding












