Overheidsopdrachten
anno 2022

Webinar on demand

Overheidscontracten: de impact van het nieuw Burgerlijk Wetboek

Webinar on demand

Overheidsopdrachten:
10 knelpunten onder de loep

Webinar on demand

Privaat versus publiek bouwrecht

Webinar on demand

Publiek- en privaatrechtelijke overeenkomsten

Webinar on demand

Overheidsopdrachten: 3 praktijkgerichte topics

3 Webinars on demand

De omvang van het begrip samenwerking in het licht van artikel 12, lid 4 van Richtlijn 2014/24/EU – artikel 31 van de Overheidsopdrachtenwet van 17 juni 2016. Hof van Justitie 22 december 2022 (Equator)

Auteur: Alexander Verschave (Equator)

In het arrest van 22 december 2022 verduidelijkt het Hof van Justitie nogmaals de omvang van het begrip samenwerking in het licht van artikel 12, lid 4 van Richtlijn 2014/24/EU – artikel 31 van de Overheidsopdrachtenwet van 17 juni 2016, m.n. de exceptie voor de zogenaamde horizontale publiek-publieke samenwerking.

Waar er in het arrest Remondis (HvJ 4 juni 2020, C‑429/19) reeds werd verduidelijkt dat een samenwerking niet bestaat wanneer er een overheidsopdracht wordt gegund uitsluitend betrekking heeft op het verkrijgen van een dienst tegen betaling van een vergoeding (het woord uitsluitend is hierbij niet onbelangrijk – stelt het Hof nu ook, in lijn met de richtlijnbepaling, dat de opdracht die wordt gegund in het kader van de “samenwerking” moet dienen om een gemeenschappelijke doelstelling te bereiken. Wanneer dat aspect ontbreekt, nl. het willen bereiken van een gemeenschappelijke doelstelling, dan is er ook bezwaarlijk sprake van een echte “samenwerking” in de zin van artikel 12, lid 4 van Richtlijn 2014/24/EU en kan er geen beroep worden gedaan op de exceptie.

Dit leidt dan ook tot het volgende oordeel van het Hof van Justitie:

“een overheidsopdracht waarbij aan een aanbestedende dienst taken van algemeen belang worden toevertrouwd die passen in het kader van samenwerking tussen andere aanbestedende diensten, [is] niet van de werkingssfeer van deze richtlijn […] uitgesloten wanneer de aanbestedende dienst waaraan die taken zijn toevertrouwd met de vervulling daarvan geen doelstellingen nastreeft die hij deelt met de andere aanbestedende diensten, maar zich beperkt tot een bijdrage tot de verwezenlijking van doelstellingen die alleen die andere aanbestedende diensten gemeen hebben.”

Daarnaast wordt er in het arrest ook aandacht besteed over de draagwijdte van het toezicht bij de zogenaamde inhouse exceptie (artikel 12, lid 3 van Richtlijn 2014/24/EU – artikel 30 Overheidsopdrachtenwet 17 juni 2016).

Aldaar oordeelde het Hof dat het toezicht moet worden uitgelegd dat:

“bij de vaststelling of een aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op de rechtspersoon waaraan de opdracht is gegund toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten, niet wordt voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat een aanbestedende dienst is vertegenwoordigd in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon op grond van het enkele feit dat de vertegenwoordiger van een andere aanbestedende dienst, die ook lid is van de raad van bestuur van de eerste aanbestedende dienst, zitting heeft in de raad van bestuur van de gecontroleerde rechtspersoon.”

Lees hier het arrest